Ontwerpbesluit houdende bepalingen ter uitvoering van de Wet documentatie vennootschappen (Besluit documentatie vennootschappen), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W03.04.0388/I
- Datum advies
- 16 augustus 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 14 december-2004, nr 241
- Justitie en Veiligheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit houdende bepalingen ter uitvoering van de Wet documentatie vennootschappen (Besluit documentatie vennootschappen), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 27 juli 2004, no.04.002991, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende bepalingen ter uitvoering van de Wet documentatie vennootschappen (Besluit documentatie vennootschappen), met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit strekt tot uitvoering van de Wet documentatie vennootschappen (hierna: de wet). De wet geeft regels voor de registratie van gegevens die gebruikt worden bij het afgeven van een verklaring van geen bezwaar bij de oprichting van een vennootschap.
De Raad van State maakt opmerkingen over de wettelijke grondslag voor de verstrekking van gegevens aan die registratie, en over de verstrekking van gegevens aan landen die geen passend niveau van bescherming van persoonsgegevens kennen. Hij is van mening dat het ontwerpbesluit in verband daarmee aanpassing behoeft.
1. De wet wijst enkele bestuursorganen aan die gegevens kunnen verstrekken ter opneming in de registratie die wordt gebruikt met het oog op het afgeven van een verklaring van geen bezwaar; andere bestuursorganen die dat ook kunnen worden bij algemene maatregel van bestuur aangewezen.(zie noot 1) Het ontwerpbesluit voorziet hierin.(zie noot 2)
De wet stelt als eis dat de op het bestuursorgaan van toepassing zijnde wetgeving verstrekking toestaat. In de toelichting wordt niet aangegeven wat, bij de verschillende in het ontwerpbesluit aangewezen bestuursorganen, de wettelijke grondslag is voor de verstrekking van gegevens aan deze registratie. De Raad van State adviseert de toelichting aan te vullen.
2. De wet laat verstrekking van gegevens uit de registratie aan instanties van een ander land toe, ook als in dat land geen passend niveau van bescherming van persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens aanwezig is. Zulke verstrekking is echter alleen toegestaan als is voldaan aan nader bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.(zie noot 3)
Ook deze bepaling wordt in het ontwerpbesluit uitgewerkt. Verstrekking is, zo wordt nu bepaald, toegestaan als dat “noodzakelijk is vanwege een zwaarwegend algemeen belang, verband houdend met de integriteit in het financiële, economische of maatschappelijke verkeer”.(zie noot 4)
De Raad van State is van oordeel dat dit criterium onvoldoende nauwkeurig is. Het element “noodzakelijk vanwege een zwaarwegend algemeen belang” is het algemene criterium dat – naast andere – voor dit soort verstrekkingen wordt gesteld in de Wet bescherming persoonsgegevens.(zie noot 5) Het is niet te vermijden dat in een algemene wet, zoals de Wet bescherming persoonsgegevens, een vaag criterium wordt gebezigd; het is aan de bijzondere regelgever om het criterium toe te spitsen. De enige toespitsing waarin hier wordt voorzien – dat het zwaarwegend algemeen belang verband moet houden met de integriteit in het financiële, economische of maatschappelijke verkeer – is naar het oordeel van de Raad te algemeen om in het concrete geval richting te geven. Dit is des te meer van belang omdat de verstrekking van persoonsgegevens aan landen die geen passend beschermingsniveau bieden kan leiden tot schendingen van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zoals neergelegd in artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM.
In dit verband kan ook verwezen worden naar het advies van de gecombineerde commissie Vennootschapsrecht over het ontwerpbesluit (commentaar bij artikel 7) en de vraag worden gesteld op welk zwaarwegend belang wordt gedoeld: een zwaarwegend belang van het om informatie vragende land of een zwaarwegend Nederlands belang? Voorts is niet duidelijk aan welke instanties van het andere land wordt gedacht.
De Raad adviseert het criterium nader te preciseren binnen de grenzen gesteld in de privacy-richtlijn van de Europese Unie.(zie noot 6)
3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W03.04.0388/I met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- In artikel 1, onderdeel b, “werkzaamheden” wijzigen in: werkzaamheid (vergelijk artikel 4, onderdeel f, van het ontwerpbesluit en artikel 20 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek).
- In artikel 3, tweede lid, onderdeel m, “het eerste lid, onder a tot en met l” wijzigen in: het eerste lid, onder a tot en met m. Voorts “dit lid, onder a tot en met m” wijzigen in: dit lid, onder a tot en met l.
- In artikel 6, onderdeel f, en in de toelichting op het artikel controleren of terecht wordt verwezen naar “Koninklijke Marine”.
- In de toelichting op artikel 2 niet verwijzen naar het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen, nu de opneming van gegevens die van dit orgaan afkomstig zijn al is geregeld in de wet zelf (artikel 3, tweede lid, onderdeel b).
Nader rapport (op het advies van) van 15 oktober 2004
1.De Raad van State merkt op dat, in het besluit een aantal bestuursorganen is aangewezen dat -eveneens als de in de Wet documentatie vennootschappen aangewezen bestuursorganen- kan overgaan tot de verstrekking van gegevens ter opneming in de registratie ten behoeve de afgifte van een verklaring van geen bezwaar tegen de oprichting van een vennootschap. De Raad adviseert in de nota van toelichting te vermelden welke de wettelijke grondslag is voor de verstrekking.
In de memorie van toelichting op de Wet documentatie vennootschappen is op de blz. 10 en 11 reeds aangegeven dat voor alle onder artikel 3, tweede lid, van de wet vallende bronnen van de registratie geldt, dat met het oog op de privacy van personen slechts in individuele gevallen gegevens over hen in de registratie worden opgenomen. Daarbij geldt enerzijds als eis dat de opname van de gegevens gerechtvaardigd dient te zijn in het kader van de uitvoering van het doeleinde van de wet, zijnde de afgifte van een verklaring van geen bezwaar tegen de oprichting van een vennootschap. Anderzijds wordt de opname van gegevens begrensd door de op de afzonderlijke bronnen specifiek van toepassing zijnde wetgeving. De laatstgenoemde wetgeving, waarnaar de Wet documentatie vennootschappen verwijst, bepaalt in welke gevallen tot gegevensverstrekking aan de registratie kan worden overgegaan. Aangezien het voorgaande evenzeer geldt voor de nader in het besluit gepreciseerde bronnen, meen ik dat de inkadering als bovenomschreven voldoende helderheid biedt, waardoor het niet nodig is om in de nota van toelichting op het besluit specifieker daarop in te gaan dan thans het geval is.
2. De Raad meent dat het criterium voor verstrekking van gegevens aan instanties in andere landen die niet beschikken over een passend niveau van bescherming in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens, te weten
“noodzakelijk vanwege een zwaarwegend algemeen belang, verband houdende met de integriteit in het financiële, economische of maatschappelijke verkeer”
te algemeen geformuleerd is en nadere precisering vereist. Verder vraagt de Raad zich af of het zwaarwegend belang Nederland of het om informatie vragende land dient te betreffen.
Ik deel de visie van de Raad van State inhoudende dat de formulering van het criterium aanleiding zou kunnen vormen voor schending van artikel 10 van de Grondwet en van artikel 8 van het EVRM niet. In elk concreet geval zal immers een zorgvuldige afweging worden gemaakt ten aanzien van de eventuele verstrekking van een aantal specifiek aan te duiden gegevens aan het verzoekende land. Daarbij zal zowel het belang van het verzoekende land gewogen worden, als het Nederlandse belang bij de verstrekking. Ten aanzien van de verzoekende instantie in het buitenland, zij nog opgemerkt dat deze een gelijksoortige taak dient te hebben als de instanties die binnen Nederland krachtens de Wet documentatie vennootschappen en het Besluit documentatie vennootschappen bevoegd zijn tot de verkrijging van gegevens uit de registratie. De nota van toelichting is op dit punt aangevuld.
3. De redactionele opmerkingen van de Raad zijn overgenomen, waarbij opgemerkt wordt dat de verwijzing naar de “Koninklijke Marine” in artikel 6, onderdeel f en in de toelichting op het artikel juist is.
Ik moge U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van een algemene maatregel van bestuur en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken dienovereenkomstig te willen besluiten.
De Minister van Justitie
(1) Artikel 3, tweede lid, van de Wet documentatie vennootschappen.
(2) Artikel 2 van het ontwerpbesluit.
(3) Artikel 8, tweede lid, van de wet.
(4) Artikel 7 van het ontwerpbesluit.
(5) Artikel 77, eerste lid, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens.
(6) Artikel 26 van richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 november 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281).
Het ontwerpbesluit strekt tot uitvoering van de Wet documentatie vennootschappen (hierna: de wet). De wet geeft regels voor de registratie van gegevens die gebruikt worden bij het afgeven van een verklaring van geen bezwaar bij de oprichting van een vennootschap.
De Raad van State maakt opmerkingen over de wettelijke grondslag voor de verstrekking van gegevens aan die registratie, en over de verstrekking van gegevens aan landen die geen passend niveau van bescherming van persoonsgegevens kennen. Hij is van mening dat het ontwerpbesluit in verband daarmee aanpassing behoeft.
1. De wet wijst enkele bestuursorganen aan die gegevens kunnen verstrekken ter opneming in de registratie die wordt gebruikt met het oog op het afgeven van een verklaring van geen bezwaar; andere bestuursorganen die dat ook kunnen worden bij algemene maatregel van bestuur aangewezen.(zie noot 1) Het ontwerpbesluit voorziet hierin.(zie noot 2)
De wet stelt als eis dat de op het bestuursorgaan van toepassing zijnde wetgeving verstrekking toestaat. In de toelichting wordt niet aangegeven wat, bij de verschillende in het ontwerpbesluit aangewezen bestuursorganen, de wettelijke grondslag is voor de verstrekking van gegevens aan deze registratie. De Raad van State adviseert de toelichting aan te vullen.
2. De wet laat verstrekking van gegevens uit de registratie aan instanties van een ander land toe, ook als in dat land geen passend niveau van bescherming van persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens aanwezig is. Zulke verstrekking is echter alleen toegestaan als is voldaan aan nader bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.(zie noot 3)
Ook deze bepaling wordt in het ontwerpbesluit uitgewerkt. Verstrekking is, zo wordt nu bepaald, toegestaan als dat “noodzakelijk is vanwege een zwaarwegend algemeen belang, verband houdend met de integriteit in het financiële, economische of maatschappelijke verkeer”.(zie noot 4)
De Raad van State is van oordeel dat dit criterium onvoldoende nauwkeurig is. Het element “noodzakelijk vanwege een zwaarwegend algemeen belang” is het algemene criterium dat – naast andere – voor dit soort verstrekkingen wordt gesteld in de Wet bescherming persoonsgegevens.(zie noot 5) Het is niet te vermijden dat in een algemene wet, zoals de Wet bescherming persoonsgegevens, een vaag criterium wordt gebezigd; het is aan de bijzondere regelgever om het criterium toe te spitsen. De enige toespitsing waarin hier wordt voorzien – dat het zwaarwegend algemeen belang verband moet houden met de integriteit in het financiële, economische of maatschappelijke verkeer – is naar het oordeel van de Raad te algemeen om in het concrete geval richting te geven. Dit is des te meer van belang omdat de verstrekking van persoonsgegevens aan landen die geen passend beschermingsniveau bieden kan leiden tot schendingen van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zoals neergelegd in artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM.
In dit verband kan ook verwezen worden naar het advies van de gecombineerde commissie Vennootschapsrecht over het ontwerpbesluit (commentaar bij artikel 7) en de vraag worden gesteld op welk zwaarwegend belang wordt gedoeld: een zwaarwegend belang van het om informatie vragende land of een zwaarwegend Nederlands belang? Voorts is niet duidelijk aan welke instanties van het andere land wordt gedacht.
De Raad adviseert het criterium nader te preciseren binnen de grenzen gesteld in de privacy-richtlijn van de Europese Unie.(zie noot 6)
3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W03.04.0388/I met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- In artikel 1, onderdeel b, “werkzaamheden” wijzigen in: werkzaamheid (vergelijk artikel 4, onderdeel f, van het ontwerpbesluit en artikel 20 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek).
- In artikel 3, tweede lid, onderdeel m, “het eerste lid, onder a tot en met l” wijzigen in: het eerste lid, onder a tot en met m. Voorts “dit lid, onder a tot en met m” wijzigen in: dit lid, onder a tot en met l.
- In artikel 6, onderdeel f, en in de toelichting op het artikel controleren of terecht wordt verwezen naar “Koninklijke Marine”.
- In de toelichting op artikel 2 niet verwijzen naar het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen, nu de opneming van gegevens die van dit orgaan afkomstig zijn al is geregeld in de wet zelf (artikel 3, tweede lid, onderdeel b).
Nader rapport (op het advies van) van 15 oktober 2004
1.De Raad van State merkt op dat, in het besluit een aantal bestuursorganen is aangewezen dat -eveneens als de in de Wet documentatie vennootschappen aangewezen bestuursorganen- kan overgaan tot de verstrekking van gegevens ter opneming in de registratie ten behoeve de afgifte van een verklaring van geen bezwaar tegen de oprichting van een vennootschap. De Raad adviseert in de nota van toelichting te vermelden welke de wettelijke grondslag is voor de verstrekking.
In de memorie van toelichting op de Wet documentatie vennootschappen is op de blz. 10 en 11 reeds aangegeven dat voor alle onder artikel 3, tweede lid, van de wet vallende bronnen van de registratie geldt, dat met het oog op de privacy van personen slechts in individuele gevallen gegevens over hen in de registratie worden opgenomen. Daarbij geldt enerzijds als eis dat de opname van de gegevens gerechtvaardigd dient te zijn in het kader van de uitvoering van het doeleinde van de wet, zijnde de afgifte van een verklaring van geen bezwaar tegen de oprichting van een vennootschap. Anderzijds wordt de opname van gegevens begrensd door de op de afzonderlijke bronnen specifiek van toepassing zijnde wetgeving. De laatstgenoemde wetgeving, waarnaar de Wet documentatie vennootschappen verwijst, bepaalt in welke gevallen tot gegevensverstrekking aan de registratie kan worden overgegaan. Aangezien het voorgaande evenzeer geldt voor de nader in het besluit gepreciseerde bronnen, meen ik dat de inkadering als bovenomschreven voldoende helderheid biedt, waardoor het niet nodig is om in de nota van toelichting op het besluit specifieker daarop in te gaan dan thans het geval is.
2. De Raad meent dat het criterium voor verstrekking van gegevens aan instanties in andere landen die niet beschikken over een passend niveau van bescherming in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens, te weten
“noodzakelijk vanwege een zwaarwegend algemeen belang, verband houdende met de integriteit in het financiële, economische of maatschappelijke verkeer”
te algemeen geformuleerd is en nadere precisering vereist. Verder vraagt de Raad zich af of het zwaarwegend belang Nederland of het om informatie vragende land dient te betreffen.
Ik deel de visie van de Raad van State inhoudende dat de formulering van het criterium aanleiding zou kunnen vormen voor schending van artikel 10 van de Grondwet en van artikel 8 van het EVRM niet. In elk concreet geval zal immers een zorgvuldige afweging worden gemaakt ten aanzien van de eventuele verstrekking van een aantal specifiek aan te duiden gegevens aan het verzoekende land. Daarbij zal zowel het belang van het verzoekende land gewogen worden, als het Nederlandse belang bij de verstrekking. Ten aanzien van de verzoekende instantie in het buitenland, zij nog opgemerkt dat deze een gelijksoortige taak dient te hebben als de instanties die binnen Nederland krachtens de Wet documentatie vennootschappen en het Besluit documentatie vennootschappen bevoegd zijn tot de verkrijging van gegevens uit de registratie. De nota van toelichting is op dit punt aangevuld.
3. De redactionele opmerkingen van de Raad zijn overgenomen, waarbij opgemerkt wordt dat de verwijzing naar de “Koninklijke Marine” in artikel 6, onderdeel f en in de toelichting op het artikel juist is.
Ik moge U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van een algemene maatregel van bestuur en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken dienovereenkomstig te willen besluiten.
De Minister van Justitie
(1) Artikel 3, tweede lid, van de Wet documentatie vennootschappen.
(2) Artikel 2 van het ontwerpbesluit.
(3) Artikel 8, tweede lid, van de wet.
(4) Artikel 7 van het ontwerpbesluit.
(5) Artikel 77, eerste lid, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens.
(6) Artikel 26 van richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 november 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281).