Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W03.04.0083/I

Voorstel van wet houdende wijziging van de Politiewet 1993 in verband met het versterken van de bevoegdheden op rijksniveau ten aanzien van de politie en de aanpassing van de bevoegdheden op regionaal niveau, alsmede de opheffing van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten, met memorie van toelichting.

Kenmerk
W03.04.0083/I
Datum advies
13 mei 2004
Vindplaats
Kamerstukken II 2003/04, 29 704, nr 4
  • Justitie en Veiligheid
  • Wet

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Voorstel van wet houdende wijziging van de Politiewet 1993 in verband met het versterken van de bevoegdheden op rijksniveau ten aanzien van de politie en de aanpassing van de bevoegdheden op regionaal niveau, alsmede de opheffing van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten, met memorie van toelichting.

Bij Kabinetsmissive van 2 maart 2004, no.04.000866, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Politiewet 1993 in verband met het versterken van de bevoegdheden op rijksniveau ten aanzien van de politie en de aanpassing van de bevoegdheden op regionaal niveau, alsmede de opheffing van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten, met memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel kent vier doelen: versterking van de bevoegdheden op rijksniveau ten aanzien van de politie, verduidelijken van verantwoordelijkheden op regionaal niveau, verkleinen van het democratisch tekort en de opheffing van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten.
In de toelichting worden twee hoofdproblemen geschetst.(zie noot 1) Het eerste betreft de beperkte mogelijkheden tot sturing op rijksniveau, zowel ten aanzien van het beleid met betrekking tot de taakuitoefening als ten aanzien van het beheer. Een voorbeeld op het terrein van het beheer vormt de versnipperde ICT-infrastructuur die de informatie-uitwisseling tussen korpsen belemmert. Wat het beleid met betrekking tot de taakuitoefening betreft, wijst de toelichting erop dat het landelijke beleid ten aanzien van de strafrechtelijke rechtshandhaving op regionaal en lokaal niveau moet concurreren met het beleid op het terrein van de openbare orde. Hierdoor kunnen regionale en lokale verschillen ontstaan en worden landelijke doelstellingen niet gerealiseerd.(zie noot 2) Het tweede hoofdprobleem is een onduidelijke verantwoordelijkheidsverdeling tussen organen op regionaal niveau.
De Raad van State maakt naar aanleiding van het wetsvoorstel opmerkingen over de noodzaak tot versterking van de aansturing, over het onderscheid dat nu wordt gemaakt tussen het beleid ten aanzien van de politie en het beheer over de politie, over de positie van de korpsbeheerder en over het inbrengrecht van de gemeenteraad. De Raad constateert voorts dat een evaluatie van de Politiewet 1993 ophanden is, die door het wetsvoorstel kan worden doorkruist. Hij is van oordeel dat het voorstel in verband daarmee op onderdelen dient te worden heroverwogen.

1. De noodzaak tot versterking van de aansturing
Het wetsvoorstel houdt een versterking in van de sturing door het rijk, en wel op twee manieren.
- De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) kan – al dan niet in overeenstemming met de Minister van Justitie(zie noot 3) – de hoofdlijnen en doelstellingen per regio ten aanzien van het beheer en van het beleid ten aanzien van de taakuitvoering vaststellen. Daartoe wordt voorzien in een “doorzettingsmacht” en wordt een verticale relatie tussen rijk en korpsbeheerders voorgesteld. De korpsbeheerder wordt benoemd uit de burgemeesters uit de regio en wordt verantwoordelijk voor de realisatie van het landelijk beleid.
- Op regionaal niveau is de hoofdofficier van justitie niet langer, naast de korpsbeheerder, medeverantwoordelijk voor de organisatie, de formatie, de begroting en de jaarrekening van het regiokorps.(zie noot 4) Op rijksniveau daarentegen krijgt de Minister van Justitie de volgende nieuwe bevoegdheden, die hij samen met de Minister van BZK uitoefent: het vaststellen eens in de vier jaar van landelijke doelstellingen voor iedere regio voor het beheer, het periodiek voeren van overleg met de korpsbeheerders en de hoofdofficieren van justitie over de verwezenlijking van de landelijke hoofdlijnen en doelstellingen, het periodiek doen van onderzoek naar de verwezenlijking van die doelstellingen, en het geven van aanwijzingen aan de korpsbeheerder als de doelstellingen onvoldoende worden verwezenlijkt.(zie noot 5) Daarmee wordt de justitiële betrokkenheid bij de politie gecentraliseerd.

a. Over de doorzettingsmacht van het rijk merkt de Raad het volgende op.
Het functioneren van de politie is een punt van aanhoudende zorg. De invoering van het nieuwe politiebestel in 1993 heeft, zo stelt de regering, geleid tot een belangrijke verbetering van de organisatie van de politie, waardoor een meer adequate taakuitoefening van de politie werd gefaciliteerd.(zie noot 6) Er blijven niettemin problemen bestaan: lange tijd kon geen inzicht worden geboden in de sterkte en inzet van de politie, en ophelderingscijfers blijven onverminderd laag. De Raad van State kan het verlangen naar eigen prioriteiten van het rijk, bijvoorbeeld met het oog op de bestrijding van internationale criminaliteit en terrorisme, dan ook begrijpen. De Raad onderkent eveneens het belang van centrale aansturing bij een onderwerp als informatie- en communicatietechnologie. Hij wijst er echter op dat de huidige Politiewet 1993 in hoofdstuk VIII instrumenten kent waarmee het rijk zijn invloed met betrekking tot het beheer en beleid kan laten gelden. Allereerst kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gegeven over het beheer van de regionale korpsen; deze bevoegdheid is niet nader ingeperkt.(zie noot 7) Voorts kan de Minister van BZK een korpsbeheerder de nodige aanwijzingen ten aanzien van het beheer geven, indien het belang van het beheer van de politie dit eist.(zie noot 8) Ook wat het beleid inzake de taakuitoefening betreft geeft de Politiewet 1993 nu al diverse mogelijkheden: een beleidsplan met de hoofdzaken van het beleid met betrekking tot de politie en de landelijke beleidsthema’s voor de politie, jaarlijkse uitwerking van dat plan, en een bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen aan korpsbeheerders ten aanzien van de uitvoering van de landelijke beleidsthema’s.(zie noot 9)
De Raad van State heeft in de toelichting node een overzicht gemist van de manier waarop tot dusverre van de bestaande bevoegdheden gebruik is gemaakt, met een analyse op welke punten en waarom gebleken is dat die bevoegdheden in de praktijk tekortschieten. Daarbij wijst de Raad erop dat de bestaande aanwijzingsbevoegdheid op grond van artikel 43d van de wet tot nu toe niet daadwerkelijk is gebruikt.(zie noot 10)
Evenmin wordt uit de toelichting duidelijk in hoeverre de nieuwe bevoegdheden daadwerkelijk tot verbetering van de aansturing van de politie zullen leiden. De voorgestelde bevoegdheden zijn immers nogal indirect: het landelijke beleidsplan, de landelijke doelstellingen per regio, de verantwoordelijkheid van de korpsbeheerder jegens de ministers, het lijken allemaal bureaucratische en administratieve maatregelen. Aangetoond dient te worden dat dit stelsel kan werken, en waarom dat ook kan zonder de samenwerking met en de instemming van de korpsbeheerder en de andere regionale instanties.
De Raad meent dat alleen moet worden overgegaan tot toekenning van nieuwe bevoegdheden als de noodzaak en de werkbaarheid daarvan voldoende aannemelijk worden gemaakt.

b. De balans tussen centrale “doorzettingsmacht” op justitieel terrein en regionale verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie is eveneens onduidelijk. Het landelijk beleid op het terrein van de rechtshandhaving komt – ook waar het gaat om de regionale uitvoering onder het gezag van het openbaar ministerie (OM) – onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie. Het wetsvoorstel schiet over het doel heen, waar het in artikel 43a de bevoegdheid om het beleid voor de taakuitoefening van de politie in hoofdlijnen vast te stellen, toekent aan de Ministers van BZK en Justitie gezamenlijk. De hoofdofficier van justitie heeft hiermee niet meer als enige gezag over de justitiële taak van de politie. De Raad adviseert de ondergeschiktheid van het politieoptreden, gericht op strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, aan de hoofdofficier van justitie in stand te houden.

2. Beleid en beheer
De Raad stelt voorop dat de korpsbeheerder in het wetsvoorstel een centrale positie krijgt toebedeeld. Dat lijkt te passen in moderne managementtheorieën, waarin veelal een eenhoofdige leiding wordt gepresenteerd, die dan aanspreekbaar is. Dit roept de vraag op hoe een “eenhoofdig beheer” zich verhoudt tot de vormgeving van het beheer over de politie tot nu toe. Het verdient aanbeveling hier in de toelichting op in te gaan.
Het voorstel tot verduidelijking van de verantwoordelijkheden op regionaal niveau houdt - kort gezegd - in dat het regionaal college de beleidsstukken vaststelt en de korpsbeheerder de beheersstukken. Dit onderdeel is overgenomen uit het wetsvoorstel “Bestel in balans”. In zijn advies over dat wetsvoorstel wees de Raad van State erop dat, zoals ook in de toelichting wordt erkend, tussen beleid en beheer een nauwe samenhang bestaat. Zo vormt de allocatie van middelen de kwintessens van het beheer, maar die allocatie is tevens van het grootste belang voor het beleid met betrekking tot de taakuitoefening. De Raad meende dat de verdeling van beleid en beheer over de verschillende organen, zoals voorgesteld, zowel op regionaal als op nationaal niveau eerder onduidelijkheid in de verantwoordelijkheden van elk van die organen schept dan helderheid.(zie noot 11) Daarop antwoordde de regering dat het bestaan van de nauwe samenhang de noodzaak tot een duidelijke bepaling van de onderscheiden gezag- en beheersverantwoordelijkheden onverlet laat en dat de voorgestelde verdeling in lijn is met twee eerdere wijzigingen van de Politiewet 1993.(zie noot 12)
Bij nota van wijziging is het wetsvoorstel Bestel in balans aangepast. Naar aanleiding van reacties uit de politiewereld, waarbij de nadruk werd gelegd op de gezamenlijk gevoelde verantwoordelijkheid van het regionale college en de korpsbeheerder voor de politie in de regio, werd het regiocollege en de korpsbeheerder ruimte gelaten om in onderling overleg te komen tot een door hen gewenste taakverdeling met betrekking tot de totstandkoming van beleids- en beheersstukken.(zie noot 13) Verder is bij nota van wijziging voorgesteld om een doorkijk te bieden in het regionale beleidsplan naar de beheersmatige vertaling van dat plan.(zie noot 14) Grond daarvoor was de gedachte dat het voor een doelmatige beleidsplanning van belang is dat een globaal beeld bestaat van de mogelijkheden om het beleid te realiseren met het beschikbare politiepersoneel en de voorhanden zijnde middelen.
De Raad merkt op dat deze aanpassingen van het oorspronkelijke wetsvoorstel Bestel in balans niet zijn overgenomen in het huidige wetsvoorstel. Naar het oordeel van de Raad onderstrepen de genoemde wijzigingen de betrekkelijkheid van het onderscheid tussen het beleid met betrekking tot de taakuitoefening enerzijds en het beheer anderzijds.
Naar aanleiding hiervan geeft de Raad in overweging om het onderscheid tussen beleid en beheer niet te maken voorzover dat leidt tot een scheiding in verantwoordelijkheden, en in verband daarmee de voorgestelde wijziging in de verantwoordelijkheidsverdeling zowel op centraal als op regionaal niveau te heroverwegen.

3a. Positie van de korpsbeheerder
Het wetsvoorstel brengt niet alleen een ingrijpende wijziging in de positie van de korpsbeheerder binnen het huidige politiebestel. De korpsbeheerder krijgt een belangrijke taak bij de uitvoering van de landelijke doelstellingen. Over de verwezenlijking van de landelijke doelstellingen voor de regio legt de korpsbeheerder verantwoording af aan de Ministers van BZK en van Justitie (voorgestelde artikel 43d van de Politiewet 1993). De landelijke doelstellingen zien zowel op beleid met betrekking tot de taakuitoefening als op beheer. Voor de uitvoering van de doelstellingen wordt de korpsbeheerder het “aanspreekpunt” van de ministers. Zijn verantwoordelijkheid voor de organisatie, de formatie, de begroting en de jaarrekening voor het regiokorps wordt eveneens groter, nu hij deze verantwoordelijkheid niet meer hoeft te delen met de hoofdofficier van justitie.(zie noot 15) Wat het niet-landelijk gevoerde beheer betreft is de korpsbeheerder bovendien verantwoording schuldig aan het regionaal college(zie noot 16). Hij is daarenboven, als burgemeester, ook nog gemeentelijk orgaan in zijn eigen gemeente met de daarbij behorende verantwoordingsrelatie ten opzichte van de gemeenteraad. De Raad meent dat het wetsvoorstel de positie van de korpsbeheerder eerder bemoeilijkt dan vergemakkelijkt.
De Raad beveelt aan de voorgestelde wijziging van de positie van de korpsbeheerder te heroverwegen.

3b. Aanwijzing
Voorgesteld wordt dat de korpsbeheerder door de Minister van BZK wordt benoemd uit de burgemeesters uit de regio en dat de korpsbeheerder bij koninklijk besluit kan worden geschorst en ontslagen; in geval van schorsing of ontslag kan “in bijzondere omstandigheden” een korpsbeheerder worden benoemd die geen burgemeester uit de regio is. Daarmee komt de wettelijke koppeling van het korpsbeheerderschap aan het burgemeesterschap van de centrumgemeente te vervallen. De argumenten zijn dat de korpsbeheerder een direct aanspreekpunt wordt in de verticale relatie tussen rijk en regio en dat het mogelijk moet zijn om de korpsbeheerder te kunnen ontslaan of schorsen.(zie noot 17) Ook dit onderdeel is overgenomen uit het wetsvoorstel Bestel in balans, zij het met een andere argumentatie.
De regering meent dat in enkele regio’s waar de burgemeester van de provinciehoofdstad, niet zijnde de grootste gemeente qua inwonertal, het korpsbeheerderschap vervult, geen aanwijzingen van fricties zijn en dat doorgaans de burgemeester van de centrumgemeente met het beheer zal worden belast. Dit antwoord onderstreept naar de mening van de Raad dat er geen dwingende redenen zijn om de aanwijzing van de korpsbeheerder te veranderen.
De voorgestelde wijze van aanstelling staat op gespannen voet met het bestaande stelsel. Daarvan is tot nu toe niet gebleken dat het zodanige knelpunten vertoont dat met spoed aanpassing nodig is, en dat de uitkomst van de aanstaande evaluatie van de Politiewet 1993 niet kan worden afgewacht (zie nader punt 5 van dit advies). Daarenboven betekent in de Politiewet volgens de huidige opzet het niet benoemen van de burgemeester van de centrumgemeente als korpsbeheerder een onwenselijke aantasting van zijn positie als burgemeester; die aantasting geldt nog sterker voor de burgemeester die als korpsbeheerder wordt ontslagen.
Overigens merkt de Raad op dat een reden zou kunnen ontstaan voor het loskoppelen van burgemeesterschap en korpsbeheerderschap als de burgemeester zou worden gekozen door de ingezetenen; de toelichting zegt echter dat er uitdrukkelijk voor wordt gekozen om niet vooruit te lopen op de gekozen burgemeester.(zie noot 18)
De Raad beveelt aan de voorgestelde verandering van benoeming van de korpsbeheerder te heroverwegen.

4. Het inbrengrecht van de gemeenteraden
De Raad stelt voorop dat versterking van de centrale sturing over de politie zich in algemene zin niet lijkt te verdragen met een vergroting van de democratische controle op lokaal en regionaal niveau. Sterkere centrale sturingsmogelijkheden zullen wel tot gevolg kunnen hebben dat de ministers eerder door de Staten-Generaal ter verantwoording zullen worden geroepen voor het al dan niet gebruikmaken van hun bevoegdheden.
Eén van de doelen van het wetsvoorstel is het verbeteren van de democratische controle (op rijks- en op lokaal niveau) op het bestuur van de regio en het beheer van het korps. Volgens het geldende artikel 28, derde lid, Politiewet 1993 stelt het regionale college regels over de wijze waarop de gemeenteraden in de regio bij de voorbereiding van de beleids- en beheersstukken worden betrokken. Voorgesteld wordt dit reglementaire inbrengrecht te vervangen door een wettelijk inbrengrecht.
Hierover maakt de Raad twee opmerkingen. In de eerste plaats wordt het inbrengrecht van de gemeenteraden beperkt tot de ontwerpbeleidsstukken. Nu volgens de toelichting beheer een afgeleide functie van gezag is, vervalt het inbrengrecht terzake van de beheersstukken.(zie noot 19) Verder worden de beheersstukken niet langer door het regionale college, maar door de korpsbeheerder vastgesteld. De verzwakking van de toch al niet zo sterke positie van het regionaal college met betrekking tot het beheer leidt weer tot een verzwakking van de positie van de gemeenteraden. Naar het oordeel van de Raad betekenen beide punten zodoende eerder een verzwakking dan een versterking van de democratische controle.
De Raad adviseert de hier aangegeven beperkingen van het voorgestelde inbrengrecht te herzien.

5. Conclusie over de opportuniteit
Zoals uit het voorgaande blijkt meent de Raad dat uit de toelichting niet duidelijk wordt dat er thans zo grote problemen zijn dat niet kan worden volstaan met een beter gebruik van de bestaande wettelijke voorzieningen. Met name de probleembeschrijving ten aanzien van de aansturing van het beleid en de onderbouwing van de noodzaak en urgentie om snel maatregelen te treffen acht de Raad niet voldoende. De Raad acht evenmin de argumentatie, dat de nieuwe bevoegdheden daadwerkelijk tot verbetering van de aansturing van de politie zullen leiden, voldoende dragend.
Vanaf medio 2004 tot medio 2005 zal een nieuwe evaluatie van het politiebestel plaatshebben.(zie noot 20) Het wijzigen van dat politiebestel zonder de uitkomsten van de evaluatie af te wachten houdt het risico in dat het voorgestelde straks weer zal moeten worden veranderd. Bovendien lijkt het weinig vruchtbaar om een stelsel te evalueren als daar in de tussentijd wijzigingen in worden aangebracht; de evaluatie zal in dat geval gebaseerd zijn op verouderde gegevens óf betrekking hebben op een stelsel waarmee nog weinig ervaring is opgedaan. Ten slotte ontbreekt thans het zicht op – eventuele – problemen in hun samenhang.
Naar het oordeel van de Raad van State ligt het voor de hand om de resultaten van de evaluatie af te wachten en dan te bezien of er aanleiding is om ingrijpende wijziging te brengen in de wettelijke structuur van de politie, tenzij op onderdelen alsnog wordt aangetoond dat het onverantwoord zou zijn daarmee te wachten. De Raad tekent hierbij aan dat de functie van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten een relatief afzonderlijk onderdeel vormt. Daarop is het voorgaande dan ook niet van toepassing.

6. Overige opmerkingen

a. De plaatsvervangend korpsbeheerder wordt benoemd door het regionaal college in overeenstemming met de korpsbeheerder en de Minister van BZK, zo wordt nu voorgesteld.(zie noot 21) De Raad merkt op dat deze betrokkenheid van de Minister, een orgaan uit een andere bestuurslaag, wel erg omslachtig is. Nu de korpsbeheerder lid is van het regionaal college, zou het voldoende moeten zijn te bepalen dat het regionaal college de plaatsvervangend korpsbeheerder benoemt. De Raad adviseert het wetsvoorstel aldus aan te passen.

b. Volgens het voorgestelde artikel 23, zesde lid, van de Politiewet 1993 kan in geval van schorsing of ontslag van de korpsbeheerder in bijzondere omstandigheden een waarnemend korpsbeheerder worden benoemd voor wie niet de vereisten gelden, bedoeld in het eerste lid. In de toelichting wordt echter gesteld dat in bijzondere omstandigheden het in het eerste lid vervatte vereiste dat deze uit de kring van burgemeesters uit de regio voortkomt niet geldt. Naar de letter van de wet geldt in de bijzondere omstandigheden ook het vereiste van benoeming voor een periode van zes jaar niet. De Raad beveelt aan de tekst en de toelichting met elkaar in overeenstemming te brengen.

c. Het huidige artikel 32 van de Politiewet 1993 regelt de geschillenprocedure bij de vaststelling van het beleidsplan en voorziet in het vijfde lid in een regeling voor spoedeisende gevallen. Het voorstel bevat geen regeling voor spoedeisende gevallen; het vijfde lid komt te vervallen. Niet valt echter in te zien waarom daaraan geen behoefte meer zou zijn. De Raad beveelt aan dit alsnog in het wetsvoorstel op te nemen.

d. Volgens het voorgestelde artikel 33, tweede lid, van de Politiewet 1993 worden de vastgestelde beheersstukken ter kennis gebracht van de leden van het regionale college, de gemeenteraden, de commissaris van de Koning en het College van procureurs-generaal. Gelet op de nieuwe taak van de Minister van BZK ten aanzien van het vaststellen van de hoofdlijnen van het beheer lijkt het wenselijk dat de vastgestelde beheersstukken, net als de vastgestelde beleidsstukken, ook naar de Minister worden gezonden.
De Raad adviseert tot aanpassing.

e. Het wetsvoorstel voorziet erin dat de Ministers van BZK en van Justitie samen de hoofdlijnen van het te voeren politiebeleid en de landelijke doelstellingen voor het beleid voor iedere regio vaststellen. Waar het gaat om het beheer worden de hoofdlijnen vastgesteld door de Minister van BZK alleen; de uitwerking van de hoofdlijnen van het beheer voor elke regio geschiedt echter weer door de Ministers van BZK en van Justitie samen.(zie noot 22) De Raad adviseert deze inconsistentie op te heffen.

Voor een redactionele kanttekening verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet niet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal dan nadat met het voorgaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State



Bijlage bij het advies van de Raad van State van 13 mei 2004, no.W03.04.0083/I, met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.

- In de voorgestelde tekst van artikel 45, vijfde lid (artikel I, onderdeel S), verduidelijken van welke minister of ministers goedkeuring zal zijn vereist. Verder “artikel 203 van de Gemeentewet” wijzigen in “de artikelen 203 en 206 van de Gemeentewet”, en het voorgestelde zesde lid schrappen.



Nader rapport (reactie op het advies) van 9 juli 2004


De Raad heeft in overweging gegeven het voorstel van wet niet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden dan nadat met zijn advies rekening zal zijn gehouden. Onderstaand worden de bezwaren en opmerkingen van de Raad van State bij het wetsvoorstel besproken.

1. De noodzaak tot versterking van de aansturing

a. In het advies van de Raad van State komt - naar aanleiding van de in het wetsvoorstel vervatte doorzettingsmacht – naar voren dat het college het verlangen van de regering naar eigen prioriteiten van het rijk, bijvoorbeeld met het oog op de bestrijding van internationale criminaliteit en terrorisme, begrijpt. Evenzeer onderkent de Raad het belang van centrale aansturing bij een onderwerp als ICT.

Wij merken in dit verband allereerst in algemene zin het volgende op.
De sturing op dergelijke aangelegenheden valt niet eenvoudig met de bestaande instrumenten te realiseren. Het huidige sturingsinstrumentarium is voornamelijk georiënteerd op de regionale uitvoering van de politietaken. De genoemde onderwerpen zijn echter landelijk van aard of overstijgen zelfs de politieorganisatie. Zo heeft de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit een steeds complexer karakter, onder meer omdat deze op bovenregionaal, nationaal en internationaal niveau plaatsvindt en permanent aan de eisen van de tijd moet worden aangepast. Dit vergt niet alleen veel van de politieorganisatie, maar ook van de andere actoren (bijvoorbeeld in de strafrechtketen), en zeer zeker van het sturingsmechanisme.
De politieorganisatie is naar ons oordeel een van de meer complexe overheidsorganisaties, gezien de veelheid van taken, de variëteit daarvan, de grote eisen die de samenleving aan de organisatie stelt en niet in de laatste plaats de uniciteit van die organisatie die ten behoeve van de handhaving van de rechtsorde als enige geweld kan uitoefenen. Ook voor de politie geldt dat met de daarvoor in aanmerking komende bestuurlijke instrumenten zorggedragen dient te worden voor zo optimaal mogelijke prestaties met de daarvoor beschikbare middelen, een en ander op het niveau waarvoor dat voor een goede uitoefening van de politietaak het meest aangewezen is.

De thans in het politiebestel aanwezige instrumenten zijn naar onze opvatting ofwel naar hun aard niet toereikend ofwel onvoldoende adequaat om de noodzakelijk geachte sturing te kunnen uitoefenen. De Raad verwijst in dit verband naar het Besluit beheer regionale politiekorpsen, de mogelijkheid een zogenoemde beheersaanwijzing te geven en de huidige instrumenten van de beleids- en beheerscyclus.

De mogelijkheid te sturen via genoemde algemene maatregel van bestuur ligt primair voor de hand indien bindende algemene regels noodzakelijk zijn met een grote duurzaamheid. Zo schrijft het Besluit beheer regionale politiekorpsen voor dat een regionaal politiekorps over mobiele eenheden dient te beschikken en dat door de korpsbeheerder periodiek gegevens over de werkdruk van het korps dienen te worden verstrekt. Het besluit kan geen ruimte bieden aan bijvoorbeeld op regionaal niveau uitgewerkte concrete doelstellingen voor operationele samenwerking van een mobiele eenheid. Evenmin kunnen per politieregio streefcijfers worden aangegeven op grond waarvan de werkdruk dient te worden verlicht.
In paragraaf 6 van de memorie van toelichting is de mogelijkheid van het stellen van regels bij algemene maatregel van bestuur op basis van de Politiewet 1993 duidelijk onderkend als een instrument dat scherp moet worden onderscheiden van de thans voorgestelde hoofdlijnen en landelijke doelstellingen. Daarmee is van onze kant erkend dat het stellen van algemeen verbindende voorschriften ten einde van rijkswege sturing te geven, in veel gevallen niet alleen de voorkeur verdient maar zelfs noodzakelijk is. Wij achten het echter gewenst daarnaast over mogelijkheden te beschikken om op rijksniveau meer concrete, tijdsgebonden doelstellingen voor de politie te formuleren. Het gaat daarbij niet om normen die zich lenen voor vastlegging in algemeen verbindende voorschriften maar om binnen een bepaalde periode te leveren prestaties of inspanningen. Deze lijn van sturing op resultaat is reeds ingezet met het totstandkomen van het Landelijk Kader Nederlandse Politie 2003-2006 en de uitwerking daarvan in regionale convenanten. De in het wetsvoorstel bedoelde hoofdlijnen en landelijke doelstellingen per regio, genoemd in de voorgestelde artikelen 43a en 43b, vormen in essentie de wettelijke vertaling daarvan, zij het met een meer verplichtend karakter. De hoofdlijnen, uitgewerkt in landelijke doelstellingen, voorzien in dat verband in een dringende behoefte. Met het sturen op hoofdlijnen kan bovendien worden voorkomen dat voorschriften ten aanzien van bepaalde onderwerpen buitengewoon gedetailleerd zouden worden of een onwenselijke uitbreiding van de administratieve lasten tot gevolg zouden kunnen hebben.

Met betrekking tot de door de Raad genoemde aanwijzingsbevoegdheden merken wij allereerst op dat in de memorie van toelichting uitgebreid stil is gestaan bij enerzijds de bestaande aanwijzingsbevoegdheden in het kader van de huidige artikelen 53 en 43d en anderzijds het voorgestelde artikel 43g. Bij toepassing van de aanwijzingsbevoegdheid geldt als algemeen uitgangspunt dat in beginsel de nodige terughoudendheid is geboden. Van een regulier sturingsinstrument is, in aanmerking nemend de decentrale opzet van het politiebestel, geen sprake. Het gaat bij het geven van een aanwijzing in de regel om het ingrijpen in een concreet en incidenteel geval. Het instrument is niet bedoeld om in meer algemene zin vooraf in het beleidsproces te sturen. Zonodig zal in de toekomst wel meer gebruik worden gemaakt van het aanwijzingsinstrument. Gezien het meer concreet bindende karakter van de doelstellingen, bedoeld in artikel 43b, zal vooraf immers meer duidelijk zijn wat van de politie wordt verwacht en is het eenvoudiger een aanwijzing te geven.

De huidige beleids- en beheerscylus, zoals gebaseerd op de vigerende artikelen 43a tot en met 43d van de wet, is volgens het in paragraaf 2 van de memorie van toelichting genoemde onderzoek van In ’t Veld onvoldoende succesvol gebleken. Mede op basis van de aanbevelingen van dit onderzoek is het stelsel vormgegeven van het eerdergenoemde Landelijk Kader Nederlandse Politie 2003-2006 en de vervolgens met de individuele politieregio’s en het Korps landelijke politiediensten gesloten convenanten (prestatiecontracten). Deze instrumenten, die zich in belangrijke mate richten op te leveren prestaties door de korpsen en die goeddeels ook voorwerp zullen zijn van de hoofdlijnen, hebben evenwel het nadeel dat hierin niet of onvoldoende de noodzakelijke doorzettingsmacht van de politieministers tot uitdrukking komt. Evenmin voorzien zij in een verticale relatie van deze ministers met de korpsbeheerder. Het wetsvoorstel biedt de ministers de mogelijkheid om vooraf in de beleids- en beheerscyclus concreet aan te geven welke resultaten van de politie worden verlangd en vervolgens ook ‘tijdens de rit’ de vinger aan de pols te houden door het aanspreken van de korpsbeheerder op het verwezenlijken van de landelijke doelstellingen in diens regio. Daarbij doen de ministers periodiek en zonodig bijzonder onderzoek naar het verwezenlijken van die doelstellingen. Deze cruciale elementen van het voorstel zijn naar ons oordeel in het huidige tijdsgewricht, waarin zoals de Raad erkent een meer centrale aansturing door het rijk op hoofdlijnen noodzakelijk is, onontkoombaar. De door de Raad aangehaalde voorbeelden van ICT, internationale criminaliteit en terrorismebestrijding zijn daarbij geen geïsoleerde onderwerpen. Zo bestaat er samenhang tussen de ontwikkelingen in de ICT en de vereiste ontwikkelingen betreffende werkprocessen, opleidingen en leiderschap binnen de politieorganisatie. Met het sturen op hoofdlijnen van beheer kan de vereiste samenhang en gelijktijdigheid van en tussen de beheersonderwerpen worden bereikt.
Wij zijn, anders dan de Raad, niet van oordeel dat de thans voorgestelde bevoegdheden tot een geheel van bureaucratische en administratieve maatregelen leiden. Het beoogde stelsel gaat evenals het huidige stelstel uit van een vierjaarlijkse cyclus. Tussentijdse bijstelling is mogelijk. Daarbij zullen de landelijke doelstellingen voor de korpsen overigens niet uit de lucht komen vallen. In de praktijk zullen de ministers de korpsen vragen om bouwstenen aan te leveren voor het vaststellen van de hoofdlijnen op landelijk niveau, waarna deze, op basis van overleg op ambtelijk niveau en rekening houdend met de regionale omstandigheden, per regio worden vertaald. De op grond van artikel 43b, vijfde lid, van het wetsvoorstel op te stellen ‘formats’ beogen de procedure voor vaststelling van de landelijke doelstellingen en de verwerking daarvan in de regionale beleids- en beheersstukken zo eenvoudig en inzichtelijk mogelijk te houden. Daarmee blijven de administratieve lasten beperkt.

De Raad merkt ook op dat onvoldoende duidelijk is gemaakt of de nieuwe bevoegdheden daadwerkelijk tot verbetering van de aansturing van de politie zullen leiden. In de memorie van toelichting hebben wij gemotiveerd waarom dit het geval zal zijn, juist vanwege de voorgestelde directere verantwoordingslijnen. In de aangekondigde evaluatie van de politieorganisatie zal het nieuwe instrumentarium ex ante worden getoetst; daarbij zal worden onderzocht of verdergaande aanpassingen noodzakelijk zijn.

b. De Raad adviseert de ondergeschiktheid van het politieoptreden, gericht op de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, aan de hoofdofficier van justitie in stand te houden. Opgemerkt wordt dat uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat de ministers met het benoemen van de landelijke hoofdlijnen - en vervolgens de landelijke doelstellingen op regionaal niveau - niet treden in de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de gezagsverantwoordelijkheid van de burgemeester, voor zover dit betreft de handhaving van de openbare orde en de hulpverlening, en van de officier van justitie, waar het gaat om de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De hoofdlijnen hebben uitsluitend betrekking op het beheer en het beleid ten aanzien van de taakuitvoering, en dus niet op de taakuitvoering zelve. Deze geschiedt altijd onder gezag van de burgemeester, respectievelijk de officier van justitie, en het voorliggende wetsvoorstel brengt daarin geen verandering. Met de zinsnede “onverminderd de zeggenschap van het bevoegde gezag” in artikel 43d is expliciet aangegeven dat de verantwoordingsplicht van de korpsbeheerder jegens de ministers over de verwezenlijking van de landelijke doelstellingen op regionaal niveau het huidige gezag over de politie onverlet laat. Het politieoptreden, gericht op strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, blijft daarmee onder het gezag van het openbaar ministerie (OM).

Wat betreft de hoofdlijnen van het landelijke beleid wordt opgemerkt dat waar het gaat om onderwerpen die de strafrechtelijke handhaving betreffen, deze hoofdlijnen zullen passen binnen het vierjarenplan dat het OM in overeenstemming met de Minister van Justitie vaststelt. Daarmee wordt een inhoudelijke verbinding gelegd tussen de landelijke hoofdlijnen met betrekking tot het te voeren beleid ten aanzien van de taakuitvoering van de politie waar het gaat om de strafrechtelijke handhaving en het landelijke OM-beleid. Ook bij het vaststellen van de landelijke doelstellingen op regionaal niveau is, voor zover het de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de vervulling van taken ten dienste van de justitie betreft, een aantal waarborgen ingebouwd die maken dat deze doelstellingen passen binnen het OM-beleid. Zo worden deze doelstellingen opgesteld op basis en binnen het kader van de hoofdlijnen die passen binnen het OM-beleid. Ook wint de Minister van Justitie voorafgaande aan het opstellen van de ontwerpdoelstellingen het advies in van het College van procureurs-generaal. Tot slot wordt de betrokken korpsbeheerder in de gelegenheid gesteld omtrent het ontwerp aan beide ministers advies uit te brengen, in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie en na overleg met het regionale college. Aldus wordt verzekerd dat de landelijke doelstellingen die van rijkswege worden vastgesteld, passen binnen het OM-beleid en tevens een regionale inbedding krijgen. De ministers stellen de hoofdlijnen en de daarop gebaseerde landelijke doelstellingen op regionaal niveau uiteraard vast vanuit hun onderscheiden verantwoordelijkheden. Derhalve is de Minister van Justitie verantwoordelijk voor de hoofdlijnen (en de daarop gebaseerde landelijke doelstellingen op regionaal niveau) die betrekking hebben op de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel op de taken ten dienste van de justitie. Dit is in paragraaf 3 van de memorie van toelichting verduidelijkt; zie ook punt 6e van dit nader rapport.

2. Beleid en beheer
In het wetsvoorstel is gekozen voor het verduidelijken van de verantwoordelijkheden van het regionale college en de korpsbeheerder voor het beleid inzake de taakuitvoering van de politie onderscheidenlijk het beheer van de politie. Zoals de Raad terecht opmerkt, is dit onderdeel van het wetsvoorstel overgenomen uit het wetsvoorstel ‘Bestel in balans’.

Wij hechten eraan de verduidelijking van verantwoordelijkheden op regionaal niveau te handhaven. In de huidige situatie is de korpsbeheerder formeel verantwoordelijk voor het beheer van het politiekorps, maar niet voor het vaststellen van de beheersstukken. Dat doet het regionale college. De hoofdofficier van justitie heeft terzake bovendien een instemmingsrecht. Hierdoor is op dit moment niet altijd duidelijk welk orgaan in de regio waarop kan worden aangesproken. Door de korpsbeheerder met de vaststelling van de beheersstukken te belasten, kan deze zijn verantwoordelijkheid voor het beheer beter waarmaken. Hij is dan immers ten volle verantwoordelijk voor de keuzen die in die stukken zijn gemaakt. Ditzelfde geldt mutatis mutandis voor het regionale college dat volgens het wetsvoorstel de beleidsstukken vaststelt.
Zeker bestaat een nauwe samenhang tussen het beleid inzake de taakuitvoering enerzijds en beheer anderzijds. Deze samenhang wordt ons inziens echter voldoende gewaarborgd doordat de korpsbeheerder vóór vaststelling van de beheersstukken met de hoofdofficier van justitie in overleg moet treden en het regionale college dient te horen. Ook is in het wetsvoorstel voorzien in de mogelijkheid voor de leden van het regionale college, waaronder de hoofdofficier van justitie, tegen de vaststelling van de beheersstukken administratief beroep in te stellen bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze mogelijkheid bestaat ook voor de gemeenteraden van de betrokken politieregio. Op deze wijze is de afstemming van beheer op gezag afdoende gegarandeerd.

Een duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling op regionaal niveau achten wij eens temeer van belang nu het wetsvoorstel een verticale relatie tussen korpsbeheerder en ministers introduceert. De korpsbeheerder kan door de ministers worden aangesproken op de verwezenlijking van de landelijke doelstellingen die door de ministers voor de regio zijn vastgesteld. Voor zover deze doelstellingen beheersmatig van aard zijn, zal de korpsbeheerder ervoor moeten zorgdragen dat zij worden vertaald in de regionale beheersstukken. Het regionale college zal erop moeten toezien dat de doelstellingen die zien op het beleid inzake de taakuitvoering van de politie hun plaats krijgen in het regionale beleidsplan. De korpsbeheerder kan niet alleen door de ministers worden aangesproken op de verwezenlijking van de landelijke doelstellingen voor het beheer van de politie in zijn regio, maar ook op de beleidsdoelen met betrekking tot de taakuitvoering. In dit laatste geval gebeurt dit in zijn hoedanigheid van voorzitter van het regionale college en eindverantwoordelijke voor de uitvoering van het regionale beleidsplan, en niet als beheerder van het korps. De rol van de korpsbeheerder als aanspreekpunt voor de ministers is in paragraaf 8 van de memorie van toelichting verduidelijkt.

De Raad wijst in zijn advies nog op de nota’s van wijziging bij het wetsvoorstel Bestel in balans waarin het regionale college en de korpsbeheerder de ruimte werd gelaten om in onderling overleg te komen tot een door hen gewenste taakverdeling met betrekking tot de totstandkoming van de beleids- en beheersstukken, en in het regionale beleidsplan een doorkijk kon worden geboden naar de beheersmatige vertaling van dat plan.
Deze aanpassingen zijn in het onderhavige wetsvoorstel niet overgenomen. Zij zouden, zo hebben wij bij nader inzien overwogen, de beoogde verduidelijking van verantwoordelijkheden tussen het regionale college en de korpsbeheerder vertroebelen.

3a. Positie van de korpsbeheerder
De positionering van de korpsbeheerder na het van kracht worden van het wetsvoorstel is naar wij menen vanuit bestuurlijk opzicht werkbaar. De nieuwe rol van de korpsbeheerder als aanspreekpunt voor de ministers voor het verwezenlijken van de landelijke doelstellingen is nader verduidelijkt in paragraaf 8 van de memorie van toelichting.
De burgemeester/korpsbeheerder zal zich in de onderscheiden functies, te weten als gezag in de zin van artikel 12 van de Politiewet 1993, als beheerder in de zin van artikel 23 van die wet en als centraal aanspreekbare figuur ten aanzien van de landelijke doelstellingen steeds bewust moeten zijn van de verschillende rollen die door hem dienen te worden vervuld. Ook instanties als de gemeenteraad, het regionale college en de politieministers, dienen zich hiervan bewust te zijn opdat betrokkene naar behoren kan functioneren. De politieministers zullen met het oog hierop in de door hen vast te stellen doelstellingen voldoende ruimte laten voor de regionale omstandigheden, zowel met het oog op een goede taakuitoefening van de burgemeester/korpsbeheerder inzake de handhaving van de openbare orde als ten aanzien van het beheer. Wij menen voorts dat als gevolg van de voorgestelde positie van de korpsbeheerder het regionale college en de gemeenteraad zich op beleids- en beheersmatig niveau rekenschap moeten geven van de verantwoordelijkheid die gedeeld moet worden met het rijk. Ook hier rust tegelijkertijd een verantwoordelijkheid op de politieministers ruimte te laten aan het college en de beheerder en hun wettelijke bevoegdheden en verantwoordelijkheden te respecteren. Wij gaan er niet aan voorbij dat de positie van de korpsbeheerder onder omstandigheden spanningen tot gevolg kan hebben. We zijn er evenwel van overtuigd dat de betrokken bestuurders in staat zullen zijn deze functie op een adequate wijze te bekleden. Wij wijzen er bovendien op dat aan de rol van de korpsbeheerder specifiek aandacht zal worden besteed bij eerdergenoemde evaluatie van de politieorganisatie. Gelet hierop menen wij dat de in het voorstel beoogde positie van de korpsbeheerder kan worden gehandhaafd.

3b. Aanwijzing
De voorgestelde regeling waarbij de korpsbeheerder bij koninklijk besluit wordt benoemd, geschorst en ontslagen vormde eerder onderdeel van het wetsvoorstel Bestel in balans. Bij het loslaten van de automatische koppeling tussen het korpsbeheerderschap en het burgemeesterschap van de centrumgemeente van de politieregio plaatste de Raad ten tijde van de advisering over dat wetsvoorstel reeds vraagtekens.

Wij menen dat niet hoeft te worden gevreesd voor aantasting van de positie van de burgemeester van de centrumgemeente indien deze niet als korpsbeheerder wordt benoemd. Op dit moment is het al zo dat in enkele regio’s de burgemeester van de provinciehoofdstad het korpsbeheerderschap vervult, terwijl de betrokken gemeente wat inwoneraantal betreft niet de grootste gemeente in de regio is. Er zijn ons geen aanwijzingen bekend dat dit in die regio’s tot wrijvingen leidt. Bovendien zal het in de praktijk doorgaans zo zijn dat de burgemeester van de centrumgemeente, gezien zijn bestuurlijke kwaliteiten en bestuurlijk gewicht, met het korpsbeheerderschap zal worden belast. Het kan echter ook zo zijn dat een burgemeester zelf aangeeft het korpsbeheerderschap niet, of niet langer, te willen vervullen. De voorgestelde regeling kan dan uitkomst bieden. Bovendien past het bij de in artikel 43d van het onderhavige wetsvoorstel opgenomen verantwoordingsrelatie tussen korpsbeheerder en ministers, dat de korpsbeheerder bij koninklijk besluit wordt benoemd en kan worden geschorst of ontslagen. Van schorsing of ontslag zal sprake kunnen zijn indien duidelijk is dat de landelijke doelstellingen in de betrokken regio niet of onvoldoende worden verwezenlijkt, en blijkt dat de korpsbeheerder onvoldoende in staat is deze alsnog te verwezenlijken. Ook dit onderdeel van het wetsvoorstel vormt een nadere uitwerking van het in het hoofdlijnenakkoord aangekondigde voornemen de beheersbevoegdheden van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten aanzien van de politie te versterken. Wij handhaven derhalve de voorgestelde regeling.

4. Het inbrengrecht van de gemeenteraden
Anders dan de Raad zijn wij van mening dat het wettelijk inbrengrecht van de gemeenteraden een versterking van de positie van die raden betekent ten opzichte van de huidige situatie. Op dit moment bestaat voor de gemeenteraden immers slechts een zogenaamd reglementair inbrengrecht; het is aan de regionale colleges om te bepalen op welke wijze de gemeenteraden worden betrokken bij de voorbereiding van de beleids- en beheersstukken. Ten aanzien van het beleid inzake de taakuitvoering van de politie achten wij betere waarborgen voor de invloed van de gemeenteraden op de regionale planvorming gewenst. Het lokale bestuur is immers verantwoordelijk voor het lokale veiligheidsbeleid. Het voorgestelde wettelijk inbrengrecht strekt ertoe de gemeenteraden in de gelegenheid te stellen hun prioriteiten op het terrein van de openbare orde en veiligheid in hun gemeenten tijdig en direct kenbaar te maken.

Wij onderkennen dat deze versterking op lokaal niveau is beperkt tot het beleid inzake de taakuitvoering van de politie en niet ziet op het beheer. Dit is een logisch gevolg van de keuze de verantwoordelijkheid voor de vaststelling van de beheersstukken bij de korpsbeheerder te beleggen. De betrokkenheid van het regionale college bij de beheersstukken wordt teruggebracht tot een hoorplicht. Het ligt dan niet in de rede de betrokkenheid van de gemeenteraden ten aanzien van het beheer juist uit te breiden. Wij wijzen er overigens op dat artikel 33, tweede lid, van het wetsvoorstel bepaalt dat de ontwerpen van de beheersstukken onverwijld ter kennis dienen te worden gebracht van onder meer het regionale college en de gemeenteraden in de regio. Op deze wijze kan een gemeenteraad desgewenst zijn opvattingen over deze stukken kenbaar maken aan de burgemeester van de betrokken gemeente, die deze opvattingen kan laten doorklinken in het regionale college.
De zorg van de Raad over een mogelijke verzwakking van de democratische controle delen wij dan ook niet. Wij wijzen er op dat de democratische controle op het beheer van de politie op een ander niveau, namelijk het rijksniveau, wordt versterkt. De korpsbeheerder dient immers ingevolge artikel 43d van het wetsvoorstel over de verwezenlijking van de landelijke doelstellingen in zijn regio verantwoording af te leggen aan de ministers. Waar deze het beheer betreffen kan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op zijn beurt ter verantwoording worden geroepen door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

5. Conclusie over de opportuniteit
Wij menen dat thans zowel op het terrein van het beheer als op het terrein van het beleid inzake de taakuitvoering van de politie een meer landelijke aansturing noodzakelijk is. Het huidige bestel laat te veel ruimte voor afwegingen die (uitsluitend) regionaal zijn bepaald terwijl bovenregionale of internationale aspecten te weinig aan bod komen. Het onderhavige wetsvoorstel beoogt hierin verandering te brengen; zie ook punt 1 van dit nader rapport.
Wij kunnen niet genoeg benadrukken dat het op dit punt om hoofdlijnen gaat, uitgewerkt op regionaal niveau in landelijke doelstellingen, bedoeld in het voorgestelde artikel 43b. Zowel op het terrein van het te voeren beheer als het beleid, met name voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, dient landelijke aansturing op prestaties, producten en processen beter te worden gegarandeerd. De bestaande bestuursrechtelijke instrumenten volstaan niet langer in een overheidsorganisatie als die van de politie die - zoals hiervóór reeds is aangegeven - door buitengewone complexiteit wordt gekenmerkt.
Een sterkere sturing op rijksniveau is ook gelet op de nauwe samenhang tussen het optreden van politie en andere actoren in de veiligheidsketen dringend noodzakelijk om de criminaliteit te doen dalen. De nieuw te creëren bevoegdheden, die als geheel moeten worden beschouwd, vormen hiervoor een noodzakelijk kader. Uiteraard zal er tegelijkertijd veel in goed overleg blijven plaatsvinden.

De omstandigheid dat een in het hoofdlijnenakkoord aangekondigde evaluatie van de politieorganisatie zal plaatsvinden kan ons er, alles afwegende, nu niet van weerhouden om op de ingeslagen weg voort te gaan. Naar ons oordeel zijn de thans voorliggende voorstellen dermate urgent en van inhoudelijke betekenis dat de uitkomsten van de evaluatie, die overigens meer omvat dan een onderzoek naar de sturingsmechanismen binnen het politiebestel, niet kunnen worden afgewacht. Wij wijzen erop dat het Landelijk Kader Nederlandse Politie in 2006 afloopt.

6. Overige opmerkingen

a. Artikel 23, vierde lid, van het wetsvoorstel is aangepast aan het advies van de Raad.
b. De memorie van toelichting is in overeenstemming gebracht met de tekst van artikel 23, zesde lid.
c. Anders dan het vigerende artikel 32, eerste lid, dat verwijst naar het huidige artikel 31, eerste lid, ziet de nieuw voorgestelde geschillenregeling uitsluitend nog op de beleidsstukken en niet op de beheersstukken. Met betrekking tot de vaststelling van beleidsstukken is een regeling voor spoedeisende gevallen niet noodzakelijk. Voor een belangrijk beheerstuk als de begroting, waaraan grote financiële gevolgen zijn verbonden, is een dergelijke regeling wel noodzakelijk. In het voorgestelde artikel 34 is derhalve alsnog een regeling voor spoedeisende gevallen met betrekking tot de beheersstukken opgenomen.
d. Artikel 33, tweede lid, van het wetsvoorstel is aangepast aan het advies van de Raad. Wij wijzen erop dat in het Besluit financiën regionale politiekorpsen regels zijn gegeven over onder meer de uiterste data van toezending van de bedoelde beheersstukken aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
e. In artikel 43a van het wetsvoorstel is thans opgenomen dat de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie gezamenlijk de hoofdlijnen van zowel het beleid ten aanzien van de taakuitvoering van de politie als van het te voeren beheer vaststellen. Daarmee wordt aangesloten bij de formulering van artikel 43b van het voorstel, waarin is geregeld dat voornoemde ministers gezamenlijk de landelijke doelstellingen voor iedere regio vaststellen. De door de Raad geconstateerde inconsistentie is daarmee opgeheven.
Uiteraard stellen de ministers de hoofdlijnen en landelijke doelstellingen vast vanuit hun onderscheiden verantwoordelijkheden. Dit betekent dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoordelijk is voor de hoofdlijnen en landelijke doelstellingen die zien op het beheer van de politie of op het landelijke beleid op het gebied van de handhaving van de
openbare orde. De Minister van Justitie is verantwoordelijk voor de hoofdlijnen en doelstellingen die betrekking hebben op de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie. Een en ander is in paragraaf 3 van de memorie van toelichting verduidelijkt.

De redactionele kanttekening van de Raad hebben wij deels overgenomen. Wij wijzen er op dat het voorgestelde vijfde en zesde lid van artikel 45 complementair zijn en niet kunnen worden samengevoegd tot één bepaling. Het vijfde lid geeft een aanvullende reden voor het vereist zijn van ministeriële goedkeuring van het regionale beleidsplan en de regionale begroting: als de ministers vermoeden dat deze stukken onvoldoende waarborgen bieden voor het realiseren van de landelijke doelstellingen, bedoeld in het voorgestelde artikel 43b, kunnen zij bepalen dat het beleidsplan of de begroting hun goedkeuring behoeft. Er kan dan worden getoetst of de gewenste waarborgen daadwerkelijk aanwezig zijn. Het zesde lid geeft vervolgens een aanvullende grond voor het afkeuren van het beleidsplan of de begroting indien dit niet het geval is. Een en ander is overeenkomstig de systematiek van de Gemeentewet. Het voorgestelde vijfde lid is op dit punt verduidelijkt. Aan het advies van de Raad om in het zesde lid aan te geven om welke ministers het gaat, is gehoor gegeven.

Ik moge U, mede namens mijn ambtsgenoot van Justitie, verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties



(1) Paragraaf 2 (Probleemschets) van de toelichting.
(2) Paragraaf 2 (Probleemschets), achtste alinea, van de toelichting.
(3) Zie punt 6e van dit advies.
(4) Geldend artikel 28 en voorgesteld artikel 33 van de Politiewet 1993.
(5) Voorgestelde artikelen 43b, eerste lid, 43c, 43e, eerste lid, en 43g van de Politiewet 1993.
(6) Paragraaf 2 (Probleemschets) van de toelichting.
(7) Artikel 45 van de Politiewet 1993.
(8) Artikel 53 van de Politiewet 1993.
(9) Artikelen 43a, 43b en 43d van de Politiewet 1993.
(10) Paragraaf 7 (De aanwijzingsbevoegdheid), eerste alinea, van de toelichting.
(11) Kamerstukken II, 2000/2001, 27 560, B, blz. 2.
(12) Kamerstukken II, 2000/2001, 27 560, B, blz. 3.
(13) Kamerstukken II, 2001/2002, 27 560, nr. 5, blz. 3.
(14) Kamerstukken II, 2001/2002, 27 560, nr. 5, blz. 18.
(15) Geldend artikel 28 en voorgesteld artikel 33 van de Politiewet 1993.
(16) Voorgesteld artikel 30.
(17) Paragraaf 8 (Verantwoordelijkheid op regionaal niveau), onder “De korpsbeheerder”, derde tekstblok), van de toelichting en de toelichting op artikel I, onderdeel C (artikel 23).
(18) Paragraaf 8 (Verantwoordelijkheid op regionaal niveau), onder “De korpsbeheerder”, tweede tekstblok, van de toelichting.
(19) Paragraaf 9 (Democratische controle en verantwoording), onder “Controle en verantwoording op lokaal niveau”, eerste alinea, van de toelichting.
(20) Kamerstukken II, 2003/2004, 28 684, nr. 26, blz. 6.
(21) Voorgesteld artikel 23, vierde lid.
(22) Voorgestelde artikelen 43a en 43b.

  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon