Uitspraak 200604541/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:BU7684
- Datum uitspraak
- 15 november 2006
- Inhoudsindicatie
- Tijdens de openbare behandeling ter zitting van 9 november 2006 van de zaak nr. 200604541/1 tussen verzoekers en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen hebben verzoekers verzocht om wraking van mr. R.W.L. Loeb (hierna: de staatsraad), Voorzitter van de meervoudige kamer, belast met de behandeling van deze zaak.
- Wraking
- Monumenten
Toon inhoud
200604541/2.
Datum beslissing: 9 november 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Proces-verbaal van de mondelinge beslissing met overeenkomstige toepassing van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op een verzoek van:
[verzoekers], beiden wonend te [woonplaats],
om toepassing van artikel 8:15 van de Awb.
1. Procesverloop
Tijdens de openbare behandeling ter zitting van 9 november 2006 van de zaak nr. 200604541/1 tussen verzoekers en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen hebben verzoekers verzocht om wraking van mr. R.W.L. Loeb (hierna: de staatsraad), Voorzitter van de meervoudige kamer, belast met de behandeling van deze zaak.
De staatsraad heeft niet in de wraking berust.
De Afdeling heeft het wrakingsverzoek ter openbare zitting behandeld op 9 november 2006, waar verzoekers zijn gehoord. De staatsraad heeft van de gelegenheid om te worden gehoord geen gebruik gemaakt.
Bij mondelinge beslissing van 9 november 2006 heeft de Afdeling het verzoek om toepassing van artikel 8:15 van de Awb afgewezen.
Daartoe heeft zij het volgende overwogen.
Ingevolge artikel 8:15 van de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Ingevolge artikel 8:16, eerste lid, van de Awb wordt het verzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
Ingevolge artikel 39 van de Wet op de Raad van State zijn deze artikelen van overeenkomstige toepassing indien bij de Afdeling hoger beroep wordt ingesteld.
De Afdeling heeft vastgesteld dat de gronden die verzoekers ter ondersteuning van het wrakingsverzoek hebben aangevoerd deels betrekking hebben op de wijze van de behandeling ter zitting van een eerdere zaak door de staatsraad, die volgens verzoekers tot een onjuiste uitkomst heeft geleid. Voorafgaand aan de zitting van 9 november 2006 heeft [een der verzoekers] wel op de website van de Raad van State gezien welke staatsraden met de behandeling van de zaak nr. 200604541/1 zijn belast, maar hij ging ervan uit dat de staatsraad zich zou verschonen.
De door verzoekers gestelde gedragingen van de staatsraad in het kader van een reeds afgesloten procedure betreffen naar het oordeel van de Afdeling feiten en omstandigheden die verzoekers eerder hadden kunnen, en gelet op artikel 8:16, eerste lid, van de Awb ook hadden moeten, aanvoeren. In zoverre is niet voldaan aan deze bepaling, die ertoe strekt te voorkomen dat door de indiening van een verzoek om wraking de goede voortgang van de procedure onredelijk wordt vertraagd. Reeds daarom is in die gedragingen geen grond gelegen voor inwilliging van het verzoek.
Verzoekers hebben verder aangevoerd dat de wijze van behandelen door de staatsraad van de onderhavige zaak irritatie veroorzaakte die tot het wrakingsverzoek aanleiding heeft gegeven. Daartoe hebben zij nader aangegeven uitlatingen van de staatsraad met betrekking tot de toelichting van hun standpunt ter zitting gesteld.
De Afdeling heeft ten aanzien van dit deel van de gronden vastgesteld dat deze zijn gelegen in de bejegening van verzoekers ter zitting door de staatsraad in het kader van de uitoefening van diens taak om als voorzitter de orde en voortgang op de zitting te bewaken.
In hetgeen verzoekers op dit punt hebben aangevoerd, wat daarvan verder zij, ziet de Afdeling geen grond voor twijfel aan de rechterlijke onpartijdigheid van de staatsraad in de zin van artikel 8:15 van de Awb.
De bezwaren van verzoekers leveren dan ook geen grond voor wraking op.
Nu ten aanzien van de staatsraad ook overigens niet is gebleken van enig feit of van enige omstandigheid waardoor de rechterlijk onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, is het wrakingsverzoek afgewezen.
Aldus uitgesproken in het openbaar door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P. Hoogenboom, ambtenaar van Staat.
w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Hoogenboom
Voorzitter ambtenaar van Staat
119.