Uitspraak 200604232/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:10
- Datum uitspraak
- 28 juni 2006
- Voorlopige voorziening
- Flora en fauna
Toon inhoud
200604232/2.
Datum uitspraak: 28 juni 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verzoeker,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1927 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 mei 2006 in het geding tussen:
de vereniging "Werkgroep voor vogel- en natuurbescherming Midden-Brabant", gevestigd te Oisterwijk,
en
verzoeker.
Openbare zitting gehouden op 28 juni 2006 om 10:45 uur.
Tegenwoordig:
Voorzitter: staatsraad mr. R.W.L. Loeb
Ambtenaar van Staat: mr. M.J.M. Mathot
Verschenen:
Verzoeker, vertegenwoordigd door C.M.C.M. Snellen en ing. H.T. Kars
De vereniging "Werkgroep voor vogel- en natuurbescherming Midden-Brabant", gevestigd te Oisterwijk, vertegenwoordigd door P.J. Busink
De stichting "Stichting Faunabeheereenheid Noord-Brabant", vertegenwoordigd door ing. F. Koffeman
Het bij de rechtbank bestreden besluit is een beslissing op bezwaar van verzoeker van 17 mei 2005, waarbij deze een besluit van 25 januari 2005 heeft gehandhaafd. Bij dat laatste besluit is aan de stichting "Stichting Faunabeheereenheid Noord-Brabant" (hierna: de stichting) voor de periodes 1 februari 2005 tot en met 30 november 2005 en 1 februari 2006 tot en met 30 juni 2006 krachtens artikel 68 van de Flora- en Faunawet (hierna: de Ffw) ontheffing verleend ten behoeve van het verjagen van roeken met behulp van ondersteunend afschot met gebruik van het jachtgeweer.
Bij uitspraak van 2 mei 2006 heeft de rechtbank het besluit van 17 mei 2005 vernietigd, bepaald dat verzoeker een nieuwe beslissing op het door de stichting tegen het besluit van 25 januari 2005 gemaakte bezwaar neemt en dat besluit geschorst tot en met zes weken na verzending van het nieuw te nemen besluit.
Verzoeker heeft verzocht, hangende het hoger beroep tegen die uitspraak, de schorsing, die bij de aangevallen uitspraak is getroffen, bij wijze van voorlopige voorziening op te heffen en te bepalen dat de termijn om een nieuwe beslissing op het gemaakte bezwaar te nemen wordt opgeschort, totdat uitspraak is gedaan in het hoger beroep.
De Voorzitter wijst het verzoek af.
Daartoe wordt het volgende overwogen.
Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij spoedeisend belang heeft bij de door hem gevraagde voorziening.
Nog afgezien van het feit dat de rechtszekerheid die verzoeker stelt te willen verkrijgen niet bij wijze van het treffen van een voorlopige voorziening kan worden gegeven - oordelen in een dergelijke procedure hebben het karakter van een ordemaatregel, zijn naar hun aard voorlopig en binden niet in de hoofdzaak - vormt de wens om rechtszekerheid te verkrijgen geen zodanig spoedeisend belang.
Voorts is in aanmerking genomen dat de verleende ontheffing twee dagen na heden afloopt.
w.g. Loeb w.g. Mathot
Voorzitter ambtenaar van Staat
45-413-514.