Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200602075/1

Uitspraak 200602075/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2006:AY5879
Datum uitspraak
9 augustus 2006
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 6 september 2005 heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van de voorschriften 2.3, 2.4 en 8.1.1 van haar vergunning krachtens de Wet milieubeheer, die bij besluit van 22 oktober 1996 aan haar is verleend. De last strekt - voor zover hier van belang - tot het vóór 1 november 2005 beëindigen van de aanvoer, de opslag en de be- en verwerking van compost in de buitenlucht.
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Milieu - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200602075/1.
Datum uitspraak: 9 augustus 2006

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2005 heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van de voorschriften 2.3, 2.4 en 8.1.1 van haar vergunning krachtens de Wet milieubeheer, die bij besluit van 22 oktober 1996 aan haar is verleend. De last strekt - voor zover hier van belang - tot het vóór 1 november 2005 beëindigen van de aanvoer, de opslag en de be- en verwerking van compost in de buitenlucht.

Bij besluit van 24 januari 2006, verzonden op 2 februari 2006, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar slechts wat betreft de begunstigingstermijn gegrond verklaard en heeft hij de termijn waarbinnen geen dwangsom wordt verbeurd verlengd tot 1 mei 2006.

Tegen dit laatste besluit heeft appellante bij brief van 15 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 20 april 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door ing. J.A.M. Coppens en mr. M. Groenenboom, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In voorschrift 2.3 is bepaald dat tunnelgrondstof uitsluitend mag worden gelost in de ontvangsthal (hal 4) en op dezelfde dag naar opslagbunkers dient te worden getransporteerd. In voorschrift 2.4 is bepaald dat geen buitenopslag van tunnelgrondstof mag plaatsvinden. Voorschrift 8.1.1 bepaalt dat alle aangevoerde stoffen zodanig moeten worden opgeslagen en bewerkt of verwerkt, dat daarbij geen ontoelaatbare stankhinder voor de omgeving wordt veroorzaakt.

2.2. Appellante stelt zich op het standpunt dat de gestelde begunstigingstermijn te kort is. Zij betoogt dat de bouw van de ontvangsthal, met de ingebruikname waarvan de overtredingen van bovengenoemde voorschriften ongedaan gemaakt kunnen worden, vertraging heeft opgelopen. In dit verband betoogt zij dat in de periode januari tot en met maart 2006 vanwege slechte weersomstandigheden op weinig dagen gebouwd kon worden. Volgens haar had verweerder bij het nemen van het bestreden besluit hiermee rekening moeten houden.

2.3. De Afdeling overweegt dat de datum van 1 mei 2006 door appellante zelf is aangedragen tijdens de behandeling ter zitting van 31 oktober 2005 in zaak no. 200508797/1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder in redelijkheid hierbij aansluiting kunnen zoeken. Ook overigens ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de in het bestreden besluit gestelde termijn te kort was. Daarbij merkt de Afdeling op dat bovendien ter zitting is gebleken dat de ontvangsthal op 1 mei 2006 zodanig gerealiseerd was, dat aan de bovengenoemde voorschriften kon worden voldaan.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Ch.W. Mouton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. van Helvoort
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2006

361.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon