Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200600037/1

Uitspraak 200600037/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2006:AX9463
Datum uitspraak
28 juni 2006
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 18 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) appellant medegedeeld dat de bij brief van 5 augustus 2003 verleende opschorting van de bij besluit van 25 juni 2003 uitgevaardigde intrekking van de marktvergunning voor de Herman Costerstraat, alsmede de vervallenverklaring van de desbetreffende standplaats, niet langer wordt voortgezet. Dit betekent aldus het college dat appellant niet meer over een marktvergunning beschikt en hij geen recht kan doen gelden op een verkoopplaats.
  • Hoger beroep
  • Verordeningen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200600037/1.
Datum uitspraak: 28 juni 2006

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/7117 EN 05/7172 van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 november 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) appellant medegedeeld dat de bij brief van 5 augustus 2003 verleende opschorting van de bij besluit van 25 juni 2003 uitgevaardigde intrekking van de marktvergunning voor de Herman Costerstraat, alsmede de vervallenverklaring van de desbetreffende standplaats, niet langer wordt voortgezet. Dit betekent aldus het college dat appellant niet meer over een marktvergunning beschikt en hij geen recht kan doen gelden op een verkoopplaats.

Bij besluit van 9 september 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 november 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) voor zover van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep voorzover van belang ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 december 2005, bij de Raad van State, door tussenkomst van de rechtbank ’s-Gravenhage ingekomen op 2 januari 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 januari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 maart 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2006, waar appellant in persoon en het college vertegenwoordigd door mr. D.H. Cramer Bornemann, werkzaam bij de gemeente Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant heeft met het hoger beroep alleen het oog op het ongedaan maken van het besluit tot intrekking van de marktvergunning voor de markt in de Herman Costerstraat in Den Haag alsmede van de daaraan verbonden vervallenverklaring van zijn vaste standplaats.

Het intrekkingsbesluit van het college dateert van 25 juni 2003.

Tegen dit besluit is appellant niet opgekomen, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden.

Appellant heeft daarna ongedaanmaking van de intrekking trachten te bereiken door bij het college mondelinge verzoeken in te dienen om van het besluit van 25 juni 2003 terug te komen. Voorts heeft appellant verzocht om betalingsregelingen, waartoe het college in enkele gevallen is overgegaan.

Met juistheid heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het college zich bij besluit van 18 mei 2005 terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant aan het verzoek om terug te komen van het besluit van 25 juni 2003 geen nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten grondslag heeft gelegd, die het college tot heroverweging hadden moeten nopen. Het feit dat appellant uiteindelijk alsnog heeft voldaan aan de met hem getroffen betalingsregeling is niet een zodanig nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid omdat deze aan het besluit tot intrekking niet kan afdoen.

2.1.1. Het in hoger beroep en ter zitting door appellant herhaalde betoog dat hij geheel aan de betalingsregeling heeft voldaan, leidt, gelet op het vorenoverwogene, niet tot een ander oordeel. Ook de overige door appellant aangevoerde omstandigheden dat hij destijds over een huis noch inkomsten beschikte zijn, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, niet als nieuwe feiten en omstandigheden aan te merken omdat zij reeds in de bezwaarprocedure tegen het intrekkingsbesluit hadden kunnen worden ingebracht.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. De Koning
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2006

221.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon