Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200603032/2

Uitspraak 200603032/2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2006:AX7059
Datum uitspraak
2 juni 2006
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 22 november 2005 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
  • Voorlopige voorziening
  • Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200603032/2.
Datum uitspraak: 2 juni 2006

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Reiling Sterksel B.V.", gevestigd te Sterksel, gemeente Heeze-Leende,
verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2005 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Bij besluit van 7 maart 2006, verzonden op 10 maart 2006, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 22 november 2005 gehandhaafd, waarbij een nieuwe begunstigingstermijn van zes weken na verzending van eerstgenoemd besluit is gesteld.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 20 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.
Bij brief van 20 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 mei 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [manager] van verzoekster, en verweerder, vertegenwoordigd door M.M. Keltering-Schothuis, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Verzoekster voert aan dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen, nu zowel dit besluit als het primaire besluit door directieleden van de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving zijn genomen.

2.2.1. Gezien de bewoordingen bij de ondertekening is het primaire besluit genomen door het college van gedeputeerde staten. Ter zitting heeft verweerder betoogd dat ondanks het feit dat in het bestreden besluit "Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, namens deze" is vermeld, dit besluit ook is genomen door het college van gedeputeerde staten zelf. Daartoe heeft verweerder gesteld dat het besluit is genomen op de dag van de raadsvergadering van het college. Gezien het verhandelde ter zitting acht de Voorzitter het aannemelijk dat het bestreden besluit is genomen door het college van gedeputeerde staten in zijn vergadering van 7 maart 2006. De directieleden hebben het primaire besluit en het bestreden besluit uitsluitend namens het college van gedeputeerde staten ondertekend.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 september 2004, zaak no. 200307020/1, overwogen dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat een daartoe bevoegde ambtenaar van een bestuursorgaan die een besluit heeft ondertekend, hetzelfde doet met betrekking tot de daarop genomen beslissing op het bezwaar. De Voorzitter is van oordeel dat deze redenering ook opgaat in het geval dat het primaire besluit en de beslissing op bezwaar zijn ondertekend door twee verschillende, daartoe bevoegde, ambtenaren met hetzelfde functieniveau. In zoverre ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3. Verzoekster voert aan dat ten onrechte een last onder dwangsom is opgelegd wegens de opslag van A- en B- hout buiten containers, nu deze wijze van opslag bij de vigerende vergunning is toegestaan. Ter zitting heeft zij gesteld dat uit het bestreden besluit niet blijkt waarop de last onder dwangsom ziet.

2.3.1. Uit het bestreden besluit blijkt duidelijk dat de last onder dwangsom ziet op het verwerken van A- en B- hout alsmede schorsafval tot biobrandstoffen door middel van shredderen zonder een daartoe verleende vergunning. Inherent aan deze activiteit is de tijdelijke opslag van geshredderd houtmateriaal ten behoeve van de afvoer naar energiecentrales.

Voor het verwerken van A- en B- hout tot biobrandstoffen is bij besluit van 29 juli 2003 geen vergunning verleend. In het aan deze vergunning verbonden voorschrift 11.9.2 is alleen opslag van ongeshredderd A- en B- hout buiten containers toegestaan. Het verwerken van hout tot biobrandstoffen, waarvoor het opslaan van geshredderd A- en B- hout in beginsel noodzakelijk is, is derhalve in strijd met artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Overigens is op 10 juni 2005 en 25 januari 2006 door verweerder geconstateerd dat verzoekster A- en B- hout alsmede schorsafval aan het verwerken was tot biobrandstoffen. Op dit punt ziet de Voorzitter derhalve geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Leurs, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Leurs
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2006

372.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon