Uitspraak 200609322/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2007:BA5884
- Datum uitspraak
- 7 maart 2007
- Inhoudsindicatie
- Bij brief van 2 november 2006 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek om wijziging van de vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer voor een tankstation aan de [locatie] te [plaats], gemeente Oss.
- Vereenvoudigde behandeling
- Milieu - Overige
Toon inhoud
200609322/2.
Datum uitspraak: 7 maart 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Oss,
en
het college van burgemeester en wethouders van Oss,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij brief van 2 november 2006 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek om wijziging van de vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer voor een tankstation aan de [locatie] te [plaats], gemeente Oss.
Bij brief van 19 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2006, heeft appellant tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar beroep ingesteld.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
2. Overwegingen
2.1. Het verzoek van appellant om wijziging van de milieuvergunning is een verzoek om toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer.
2.2. Ingevolge artikel 6.2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld.
Ingevolge artikel 7.1, eerste lid, en onder d, Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep bij de administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken tenzij het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4.
2.2.1. Ingevolge artikel 8.23, derde lid, in samenhang met artikel 8.6 van de Wet milieubeheer is afdeling 3.4 Awb van toepassing op de voorbereiding van een beschikking op een verzoek om toepassing van artikel 8.23.
Ingevolge artikel 3.10, tweede lid, Awb, is afdeling 3.4 niet van toepassing op de voorbereiding van een besluit inhoudende de afwijzing van een aanvraag tot of wijziging van een besluit.
2.2.2. Uitgangspunt in de jurisprudentie van de Afdeling is, gelet ook op artikel 6:2 Awb, dat bij het niet tijdig nemen van een besluit hetzelfde rechtsbeschermingsregime geldt als bij het reële besluit. (Onder meer uitspraken van 29 augustus 1996, in zaak no. E03.95.0288, AB 1997, 137 en 7 mei 1998, in zaak no. E03.95.1651, JM 1998/155.) Dat betekent dat indien het reële besluit zou zijn voorbereid met de in afdeling 3.4 geregelde procedure, tegen het niet tijdig nemen van dat besluit geen bezwaar moet worden gemaakt maar rechtstreeks beroep bij de administratieve rechter open staat.
2.2.3. Nu verweerder niet heeft gereageerd op het verzoek van appellant is in dit geval echter niet duidelijk of ten aanzien van het reële besluit afdeling 3.4 Awb van toepassing is. In een dergelijk geval, zo oordeelt de Afdeling, moet voor de bepaling van het rechtsbeschermingsregime het oogmerk van het verzoek doorslaggevend worden geacht.
Met het onderhavige verzoek wordt beoogd dat toepassing wordt gegeven aan artikel 8.23 van de Wet milieubeheer, in welk geval het besluit moet worden voorbereid met de in afdeling 3.4 Awb geregelde procedure. Gelet hierop alsmede op het in rechtsoverweging 2.2.2. weergegeven uitgangspunt en op artikel 20.1 van de Wet milieubeheer, staat tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op een verzoek om toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer rechtstreeks beroep bij de Afdeling open.
Dit betekent dat appellant ten onrechte bezwaar heeft gemaakt. De Afdeling zal het bezwaarschrift als beroepschrift aanmerken.
2.3. Indien bij wettelijk voorschrift niet anders is bepaald geldt voor het nemen van een besluit op aanvraag de algemene termijn van artikel 4:13 Awb. Deze bedraagt maximaal 8 weken.
2.3.1. Indien afdeling 3.4 Awb van toepassing is, gelden ten aanzien van de termijn voor het nemen van een besluit op aanvraag de volgende bepalingen.
Ingevolge artikel 3.18, eerste lid, Awb neemt het bestuursorgaan het besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan deze termijn in bepaalde gevallen worden verdaagd.
Ingevolge artikel 3.18, derde lid, aanhef en onder b, Awb neemt het bestuursorgaan in afwijking van het eerste lid, het besluit uiterlijk twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerp indien het een besluit betreft inzake wijziging van een besluit en de aanvraag is gedaan door een ander dan degene tot wie het wijzigen besluit is gericht. Die termijn wordt op grond van het vierde lid verkort tot vier weken indien geen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit naar voren zijn gebracht.
2.3.2. Het verzoek van appellant betreft het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 3.18, derde lid, aanhef en onder b, Awb. Evenwel is geen ontwerpbesluit ter inzage gelegd en is - mede daardoor - evenmin duidelijk of het besluit moet worden voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 Awb.
De in dit artikellid bedoelde termijn van 12 weken kan hier dus niet worden gehanteerd. Evenmin kan de algemene beslistermijn van artikel 4:13 Awb (8 weken) worden gehanteerd aangezien deze te kort is voor het doorlopen van de procedure van afdeling 3.4 Awb.
2.3.3. Naar het oordeel van de Afdeling moet de beslistermijn in een dergelijk geval worden afgeleid uit artikel 3.18, eerste en derde lid, aanhef en onder b, Awb. Blijkens de wetsgeschiedenis is met het derde lid, aanhef en onder b, beoogd de termijn van het eerste lid te verkorten in verband met de gewenste duidelijkheid voor de vergunninghouder over de beslissing van het bestuursorgaan over het verzoek tot wijziging of intrekking van zijn vergunning (TK 1999/00, 27 023, nr. 3, p. 28). De in het eerste lid genoemde termijn van zes maanden geld aldus als een maximale termijn die niet wordt verlengd in gevallen als bedoeld in het derde lid, aanhef en onder b.
Dit betekent dat indien het ontwerpbesluit niet binnen 14 weken na de ontvangst van de aanvraag ter inzage wordt gelegd, de maximale termijn van zes maanden, als bepaald in het eerste lid, in gevaar kan komen. Uit voornoemde bepalingen moet dus worden afgeleid dat in de in het derde lid bedoelde gevallen een ontwerpbesluit uiterlijk 14 weken na ontvangst van de aanvraag ter inzage moet worden gelegd.
De Afdeling is aldus van oordeel dat in een geval als dit waarin niet kan worden vastgesteld of afdeling 3.4 Awb van toepassing is, de beslistermijn moet worden geacht te zijn overschreden indien het bevoegd gezag binnen 14 weken na ontvangst van de aanvraag geen definitief besluit heeft genomen en evenmin een ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegd.
2.3.4. Het verzoek van appellant dateert van 21 juni 2006. Verweerder heeft niet binnen 14 weken na ontvangst van het verzoek een besluit genomen noch het ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Verder is niet gebleken dat verweerder de termijn met toepassing van artikel 3.18, tweede lid, Awb heeft verlengd of op grond van artikel 4:15 Awb heeft opgeschort. Verweerder heeft dan ook niet tijdig een besluit genomen.
2.4. Het beroep is kennelijk gegrond. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de wet.
Verweerder dient een besluit te nemen op het verzoek van appellant. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.
2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
III. draagt het college van burgemeester en wethouders op binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hetzij alsnog een besluit te nemen en dat op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken hetzij op de wettelijk voorgeschreven wijze kennis te geven van een ontwerpbesluit en dat ter inzage te leggen;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oss tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 80,50 (zegge: tachtig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Oss aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
V. gelast dat de gemeente Oss aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen w.g. Van der Maesen de Sombreff
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2007
190.