Uitspraak 200705516/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2007:1233
- Datum uitspraak
- 7 augustus 2007
- Inhoudsindicatie
- 516/1.
- Voorlopige voorziening
- Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
200705516/1.
Datum uitspraak: 7 augustus 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Renergy B.V.", gevestigd te Spijk, gemeente Rijnwaarden,
verzoekster,
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 7 augustus 2007 om 11.00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. K. Brink, Voorzitter
Ambtenaar van Staat: mr. C. Sparreboom
Verschenen:
Verzoekster, vertegenwoordigd door mr. E.H.M. Harbers, advocaat te Arnhem, [gemachtigden];
Verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.M. de Jonge-Van Swaay, ing. M.E.E. Janssen en J. Braakman, ambtenaren van de provincie.
1. Procesverloop
Het beroep richt zich tegen het besluit van verweerder van 26 juli 2007, waarbij aan verzoekster een last onder dwangsom is opgelegd vanwege overtreding van voorschrift 2.1 van de bij besluit van 18 december 2001 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning (hierna: de vergunning).
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 3 augustus 2007 bezwaar gemaakt.
Bij brief van 3 augustus 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 26 juli 2007, kenmerk MPM9539, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;
II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 678,93 (zegge: zeshonderdachtenzeventig euro en drieënnegentig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
III. gelast dat de provincie Gelderland aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.
Daartoe overweegt hij het volgende.
Verweerder heeft de bestreden last onder dwangsom in hoofdzaak doen steunen op het standpunt dat geur niet is aangegeven in de aanvraag om vergunning als een nadelig milieugevolg van de bedrijfsprocessen en de inrichting en derhalve op grond van voorschrift 2.1 van de vergunning geen geur mag worden verspreid.
De Voorzitter deelt dit standpunt niet. Immers, een vergunning wordt gevraagd en verleend voor bepaalde activiteiten en niet voor de milieubelasting daarvan.
De Voorzitter constateert voorts dat aan de vergunning geen geurvoorschriften zijn verbonden.
Voor zover de last mede is gegrond op de verhoudingen tussen de soorten geaccepteerde afvalstoffen, oordeelt de Voorzitter dat in de last niet is aangegeven welke maatregelen getroffen dienen te worden door verzoekster om de vermeende overtreding te kunnen beëindigen.
De Voorzitter ziet reeds op grond van het voorgaande reden de hierboven vermelde voorlopige voorziening te treffen.
De overige gronden kunnen derhalve onbesproken blijven.
De Voorzitter overweegt voorts dat van de zijde van verzoekster met voortvarendheid onderzoek wordt gedaan teneinde de geuremissie ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen.
De Voorzitter houdt er rekening mee dat verweerder op redelijke termijn een beslissing op bezwaar kan nemen.
Verweerder dient op bovengenoemde wijze in de proceskosten van verzoekster te worden veroordeeld.
w.g. Brink w.g. Sparreboom
Voorzitter ambtenaar van Staat
195-542.