Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200701124/1

Uitspraak 200701124/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2007:BA0633
Datum uitspraak
9 maart 2007
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 7 februari 2007 heeft verweerder het verzoek van verzoekster om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot Afvalberging Derde Merwedehaven B.V. op het perceel Baanhoekweg 92a te Dordrecht afgewezen.
  • Voorlopige voorziening
  • Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200701124/1.
Datum uitspraak: 9 maart 2007

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de stichting "Stichting Werkgroep Derde Merwedehaven", gevestigd te Sliedrecht,
verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2007 heeft verweerder het verzoek van verzoekster om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot Afvalberging Derde Merwedehaven B.V. op het perceel Baanhoekweg 92a te Dordrecht afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 11 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 maart 2007, waar verzoekster, vertegenwoordigd door drs. ing. J.G. Vollenbroek en L. van Andel, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. S. Bartel en M.W.J. Verstappen, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster gehoord, vertegenwoordigd door mr. E.T. Sillevis Smitt, advocaat te Rotterdam, en D. van Rijn en A.J. Kaijser.

2. Overwegingen

2.1. Verzoekster stelt dat verweerder ten onrechte niet handhavend optreedt tegen het storten van verschillende soorten gevaarlijk afval binnen de inrichting. Volgens haar ziet de voor de inrichting verleende milieuvergunning niet op deze activiteiten. De besluiten waarbij het voor de inrichting geldende stortplan en het stortreglement zijn goedgekeurd, op grond waarvan gevaarlijk afval binnen de inrichting mag worden geaccepteerd, missen volgens verzoekster rechtskracht, daar deze niet op de juiste wijze bekend zijn gemaakt. Zij wijst er daarnaast op dat het stortreglement en het stortplan een verruiming inhouden van de gevaarlijke afvalstoffen die op de afvalberging op grond van de vergunning en de daaraan ten grondslag liggende aanvraag mogen worden geaccepteerd, hetgeen volgens haar niet aanvaardbaar is.

2.1.1. Bij besluit van 2 april 2002 heeft verweerder aan vergunninghoudster een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor de onderhavige inrichting.

In voorschrift 1.3.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat vergunninghoudster een beschrijving van de acceptatie- en controleprocedure ter goedkeuring dient voor te leggen aan het hoofd van de regio Zuid. Deze beschrijving dient tevens een lijst met afvalstoffen - gebaseerd op de vigerende regelgeving (in 2002 Eural) - te bevatten die geaccepteerd, verwerkt, en op- en overgeslagen worden.

In de voorschriften 1.9.1 en 1.9.2 is bepaald welke afvalstoffen binnen de inrichting mogen worden geaccepteerd.

In voorschrift 3.18.3 is, voor zover hier van belang, bepaald dat het stortplan ter goedkeuring dient te worden voorgelegd aan het hoofd van de regio Zuid.

In voorschrift 3.19.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat het stortreglement ter goedkeuring dient te worden voorgelegd aan het hoofd van de regio Zuid. In dit reglement dient ten minste de in voorschrift 1.3 bedoelde acceptatie- en controleprocedure te zijn opgenomen.

2.1.2. Bij besluit van 2 juni 2005 heeft verweerder goedkeuring verleend aan het Stortreglement Afvalberging Derde Merwedehaven Dordrecht (hierna: het stortreglement), waarin de acceptatie- en controleprocedure van de inrichting is vastgelegd. Bij besluit van 21 april 2006 heeft verweerder goedkeuring verleend aan het ingediende stortplan 2002-2017, versie maart 2006 (hierna: het stortplan). Beide besluiten zijn bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager van die besluiten en aldus in werking getreden. Voor zover appellant gronden aanvoert gericht tegen de besluiten van 2 juni 2005 en 21 april 2006 overweegt de Voorzitter dat daartegen binnen de geldende termijn geen rechtsmiddelen zijn aangewend, zodat deze besluiten formele rechtskracht hebben verkregen. De inhoud van deze besluiten kan in het kader van deze procedure niet ter beoordeling staan. Dit geldt ook voor de vraag of er een discrepantie bestaat tussen de vergunning(aanvraag) en het stortreglement en het stortplan. De vraag of de besluiten aan verzoekster bekend hadden moeten worden gemaakt kan in deze procedure buiten beschouwing blijven omdat daarover zou moeten worden beslist in een procedure gericht tegen de betreffende goedkeuringsbesluiten, waarbij de Voorzitter aantekent dat voor een daartoe strekkend beroep geldt dat in verband met de vraag naar de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding moet blijken dat verzoekster het zo spoedig mogelijk als van haar kan worden verlangd heeft ingesteld.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is de acceptatie van de in geding zijnde afvalstoffen in overeenstemming met de vergunning in samenhang met het stortreglement en het stortplan. Aldus is geen sprake van de door verzoekster gestelde overtreding. Verweerder heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien tot het treffen van handhavende maatregelen.

2.2. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Fransen
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2007

407


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon