Uitspraak 200700073/1 en 200700073/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2007:2138
- Datum uitspraak
- 8 februari 2007
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 10 oktober 2006 heeft de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) geweigerd aan appellante een Verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B/BE te verstrekken.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
200700073/1 en 200700073/2.
Datum uitspraak: 8 februari 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/8112 en 06/9031 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 december 2006 in het geding tussen:
appellante
en
de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 oktober 2006 heeft de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) geweigerd aan appellante een Verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B/BE te verstrekken.
Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft het CBR het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 december 2006 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenechter) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 2 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 3 januari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Tevens heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2007, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. drs. R. Lagerweij, gemachtigde, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. A.M.W. Jol-de Vries, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.2. Ingevolge artikel 101, eerste lid, aanhef en onder a, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement) is het CBR bevoegd te vorderen dat de aanvrager zich op eigen kosten laat keuren door een of meer door het CBR aangewezen artsen of andere deskundigen dan wel dat de aanvrager zich onderwerpt aan een technisch onderzoek, verricht door een door het CBR aangewezen deskundige, of aan een rijproef, afgenomen door een door het CBR aangewezen deskundige, indien de door de aanvrager overgelegde eigen verklaring dan wel, indien een geneeskundig verslag wordt vereist, het geneeskundig verslag daartoe aanleiding geeft.
Ingevolge artikel 103, eerste lid, van het Reglement geeft het CBR, indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke gesteldheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid af.
Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.
Hoofdstuk 9 "Lichamelijke handicaps" van de bijlage luidt als volgt:
"De geschiktheid van personen met een lichamelijke handicap wordt in eerste instantie beoordeeld door het CBR op basis van de aantekening van de keurende arts op de Eigen verklaring en de eventueel reeds beschikbare overige gegevens. In de tweede plaats kan het CBR een beoordeling vragen door een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR. Deze deskundige adviseert het CBR - veelal na uitvoering van en technisch onderzoek of een rijtest - over de mogelijkheden van de aanvrager van het rijbewijs om een motorrijtuig te besturen. Bij twijfel over de geschiktheid van betrokkene in de nabije toekomst dient een beperkte geschiktheidstermijn voor de desbetreffende rijbewijs te worden gehanteerd. Het CBR kan dan tijdig de geschiktheid opnieuw bezien."
2.3. Op de door appellante ingevulde Eigen verklaring van 29 mei 2006 heeft zij de vraag of sprake is van een functiebeperking waardoor het normale gebruik van een been of voet, dan wel van bijbehorende gewrichten, beperkt of afwezig is, bevestigend beantwoord. In het bij de Eigen verklaring behorend Geneeskundig verslag heeft de keurend arts onder meer gemeld dat appellante in verband met artrose met een stok loopt, maar dat dat geen problemen oplevert met autorijden. Op basis van deze gegevens heeft het CBR geoordeeld dat een rijtest dient te worden afgelegd, zodat kan worden beoordeeld of appellante geschikt is voor het besturen van motorrijtuigen. Omdat appellante heeft geweigerd mee te werken aan een rijtest, heeft het CBR de aanvraag om een Verklaring van geschiktheid afgewezen.
2.4. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat deze weigering is gebaseerd op een juiste uitleg en toepassing van artikel 101, eerste lid, aanhef en onder a, van het Reglement. Volgens de voorzieningenrechter is het CBR er terecht vanuit gegaan dat het bevoegd is om zowel naar aanleiding van de antwoorden op de in de Eigen verklaring gestelde vragen als naar aanleiding van het Geneeskundig verslag te vorderen dat een rijtest dient te worden afgelegd.
2.5. Appellante betoogt dat uit de tekst van voormelde bepaling, in samenhang gelezen met Hoofdstuk 9 van de bijlage, volgt dat, als een geneeskundig verslag is vereist, zoals hier in verband met de leeftijd van betrokkene het geval is, niet op grond van het door appellante ingevulde deel van de Eigen verklaring mag worden bepaald of aanleiding bestaat om betrokkene aan een rijtest te onderwerpen. Dit dient dan aan de hand van het oordeel van de arts in het Geneeskundig verslag te worden bepaald, althans aan het oordeel in dat verslag dient een zwaarwegend dan wel doorslaggevend gewicht te worden toegekend.
2.6. De Voorzitter stelt voorop dat met de regeling inzake de afgifte van een Verklaring van geschiktheid in hoofdstuk IV van het Reglement, waarvan artikel 101, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel uitmaakt, beoogd is zoveel mogelijk te waarborgen dat bestuurders die niet of niet meer beschikken over de vereiste geschiktheid om motorvoertuigen te besturen geen rijbewijs kunnen verkrijgen of behouden, een en ander ter bevordering van het algemeen belang van de verkeersveiligheid. Het aanvraagformulier voor een Verklaring van geschiktheid, de Eigen verklaring, dient ertoe om het CBR in staat te stellen zich een (gefundeerd) oordeel te vormen over de geschiktheid om een motorrijtuig te besturen. Tegen deze achtergrond bezien, en gelet op het feit dat de tekst van genoemd artikel 101, eerste lid, aanhef en onder a, niet noopt tot de door appellante bepleite uitleg, ziet de Voorzitter met de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat niet alle gegevens op de Eigen verklaring, te weten het door appellante ingevulde deel en het gedeelte met het Geneeskundig verslag, bij de oordeelsvorming mochten worden betrokken, nog daargelaten de vraag of een beoordeling door het CBR uitsluitend op basis van het Geneeskundig verslag tot een andere uitkomst had geleid. Voorts ziet de Voorzitter niet in dat aan de verklaring van de keurend arts in het Geneeskundig verslag dat de artrose voor appellante geen problemen oplevert met autorijden een zodanig gewicht had moeten worden toegekend, dat er voor het CBR, aan wie terzake de beslissingsbevoegdheid is opgedragen, geen grond was om te vorderen dat appellante zich onderwerpt aan een rijproef, waarbij een veilige bediening van de auto en de veilige verkeersdeelname worden onderzocht. Het CBR heeft ter zitting toegelicht - en de Voorzitter acht dit standpunt niet in strijd met de hiervoor aangehaalde regelgeving - dat het doel van het Geneeskundig verslag is dat het CBR medisch verzamelde en geverifieerde gegevens krijgt van de keurend arts, zodat inzicht wordt verkregen in de medische situatie van betrokkene. Het CBR, en niet de keurend arts, toetst vervolgens of de Verklaring van geschiktheid gezien de gegeven informatie kan worden verstrekt, dan wel dat nader onderzoek aangewezen is. Het standpunt van het CBR, zoals uiteengezet in de beslissing op bezwaar, dat zonder de uitkomst van een rijtest niet goed is te beoordelen in hoeverre de lichamelijke handicap appellante parten speelt bij het besturen van een motorrijtuig, is gelet op de daarbij aan het CBR toekomende beslissingsruimte, niet rechtens onjuist te achten.
2.7. Dat volgens appellante in het verleden door het CBR op basis van politie-informatie ten onrechte is overgegaan tot het vorderen van een rijtest van appellante en dat het CBR er in dat verband al langer van op de hoogte was dat zij artrose heeft, maakt het vorenstaande, wat daar verder van zij, niet anders, reeds omdat gelet op de regelgeving sprake is van een nieuwe procedure waarin een zelfstandige beoordeling plaatsvindt. Bovendien vindt de vordering in dit geval plaats op een andere grondslag, namelijk op basis van een Eigen verklaring, die noodzakelijk is voor het verlengen van het rijbewijs van appellante.
2.8. Tot slot merkt de Voorzitter op dat bij de beoordeling van de vraag of appellante de geschiktheid bezit om motorrijtuigen te besturen, gelet op de toepasselijke regelgeving en de achtergrond daarvan, geen rol kan spelen dat appellante een groot persoonlijk belang heeft bij het behouden van het rijbewijs.
2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.10. Gelet hierop, bestaat geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.
w.g. Polak w.g. Molenaar
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2007
369