Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200606230/1

Uitspraak 200606230/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2007:AZ8451
Datum uitspraak
14 februari 2007
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 16 november 2004 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage de aanvraag van appellante om een toevoeging ten behoeve van rechtsbijstand afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Rechtsbijstand

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200606230/1.
Datum uitspraak: 14 februari 2007

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1771 van de rechtbank
's-Gravenhage van 3 juli 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2004 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage de aanvraag van appellante om een toevoeging ten behoeve van rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 4 februari 2005 heeft de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage (hierna: de raad) het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juli 2006, verzonden op 4 juli 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 8 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 september 2006 heeft de raad van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2007, waar appellante, bijgestaan door [gemachtigde], is verschenen. De raad is met bericht niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb), gelezen in samenhang met artikel 7a, eerste lid, van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand (hierna: Bdr), zoals deze luidden ten tijde van belang en voor zover van belang, wordt rechtsbijstand verleend aan hen wier inkomen per maand € 1.503,00) of minder bedraagt, indien zij alleenstaand zijn.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Bdr wordt de draagkracht in het inkomen op maandbasis vastgesteld.

In het tweede lid, aanhef en onder a, is bepaald dat bij de vaststelling van het inkomen ten aanzien van de periodiek genoten inkomsten wordt uitgegaan van de hoogte van deze inkomsten over een of meer van de gebruikelijke betalingsperioden, voorafgaand aan het tijdstip waarop het verzoek om rechtsbijstand werd gedaan.

2.2. Appellant betoogt in hoger beroep nog uitsluitend dat de rechtbank heeft miskend dat zij sedert de invoering van het nieuwe zorgverzekeringstelsel op 1 januari 2006 van haar werkgever geen tegemoetkoming in de ziektekosten meer ontvangt, zodat haar inkomen per maand vanaf dat moment lager is dan de in artikel 34, eerste lid, van de Wrb genoemde grens van € 1.503,00.

2.3. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het door de raad vastgestelde maandinkomen van appellante de ingevolge die bepaling, gelezen in samenhang met artikel 7a, eerste lid, van het Bdr, voor haar geldende grens overschrijdt. Dit inkomen diende gelet op het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van het Bdr immers te worden berekend aan de hand van een of meer betalingsperioden voorafgaand aan het verzoek om rechtsbijstand. De inkomenssituatie per 1 januari 2006 is in deze zaak derhalve niet relevant. De rechtbank is dan ook terecht aan deze wijziging in het inkomen van appellante voorbij gegaan.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Meurs-Heuvel
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007

47-515.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon