Uitspraak 200502327/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AT5485
- Datum uitspraak
- 28 april 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 22 februari 2005 is [de vreemdeling] in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
200502327/1.
Datum uitspraak: 28 april 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 14 maart 2005 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 februari 2005 is [de vreemdeling] in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 14 maart 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de bewaring bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 17 maart 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 24 maart 2005 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
I. Overwegingen
2.1. Grief 1 klaagt dat de rechtbank, door te overwegen dat de controle op grond van de Wet gemeentelijke basisadministratie en de opsporing van illegale vreemdelingen verschillende doelen zijn, waarvoor ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden (hierna: de Awbi) apart toestemming verleend dient te worden en waarvan apart mededeling dient te worden gedaan, miskent dat de controle niet ter uitvoering van de vreemdelingenwetgeving heeft plaatsgevonden.
2.2. Ingevolge voormelde bepaling van de Awbi, voorzover thans van belang, is degene die bij of krachtens de wet is belast met het toezicht op de naleving van een wettelijk voorschrift en uit dien hoofde in een woning binnentreedt verplicht zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden. Indien twee of meer personen voor hetzelfde doel in een woning binnentreden, rusten deze verplichtingen volgens de bepaling slechts op degene die bij het binnentreden de leiding heeft.
2.3. Volgens het van het onderzoek in de woning door de desbetreffende ambtenaar van de gemeente Rotterdam opgemaakte rapport van 22 februari 2005, vond dat onderzoek plaats ter controle van de
GBA-gegevens van het betrokken adres. De bewoner van de woning heeft deze ambtenaar en de politieambtenaar, die hem bij het uitvoeren van het onderzoek vergezelde, toestemming verleend om de woning te betreden. Naar aanleiding van de aan hem verstrekte inlichtingen en het aan hem overhandigde verblijfsdocument rees tijdens het onderzoek bij de ambtenaar van de gemeente een vermoeden dat de bewoner en de vreemdeling niet legaal hier te lande verbleven. Hij deelde dit vervolgens aan de politieambtenaar mee.
Volgens het desbetreffend op ambtsbelofte, onderscheidenlijk ambtseed, opgemaakt proces-verbaal van staandehouden, overbrengen en ophouden voor verhoor van diezelfde dag, heeft de politieambtenaar de vreemdeling naar aanleiding van aanwijzingen uit een controle van de persoonsgegevens staande gehouden op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf.
2.4. De grief slaagt. De tekst van artikel 1, eerste lid, van de Awbi, noch de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling, biedt grond voor het oordeel dat degene die in het kader van de uitoefening van een bepaalde bevoegdheid rechtmatig is binnengetreden vervolgens geen andere, hem toekomende, bevoegdheid mag uitoefenen.
2.5. In grief 2 klaagt de minister dat de rechtbank de vreemdeling ten onrechte schadevergoeding heeft toegekend.
Nu grief 1 slaagt, slaagt ook deze grief.
2.6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en nu geen andere beroepsgronden zijn aangevoerd, het beroep van de vreemdeling tegen de inbewaringstelling ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
II. verklaart het hoger beroep gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 14 maart 2005 in zaak no. AWB 05/8412;
IV. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
V. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Van de Kolk
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2005
347-473.