Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200307225/1

Uitspraak 200307225/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:AQ1115
Datum uitspraak
14 juli 2004
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 21 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) een aanvraag van de besloten vennootschap "Familia Maxima B.V." (hierna: Familia Maxima B.V.) om een vergunning ten behoeve van het in stand houden van een kindercentrum aan de Stationsweg 170 te Den Haag, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Verordeningen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200307225/1.
Datum uitspraak: 14 juli 2004

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], kantoorhoudend te Den Haag, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap "Familia Maxima B.V.", gevestigd te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 oktober 2003 in het geding tussen:

Familia Maxima B.V.

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) een aanvraag van de besloten vennootschap "Familia Maxima B.V." (hierna: Familia Maxima B.V.) om een vergunning ten behoeve van het in stand houden van een kindercentrum aan de Stationsweg 170 te Den Haag, afgewezen.

Bij besluit van 20 augustus 2002 heeft het college het daartegen door Familia Maxima B.V. gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 oktober 2003, verzonden op 30 oktober 2003, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door Familia Maxima B.V. ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Familia Maxima B.V. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 november 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 18 maart 2004 heeft appellant aangegeven dat Familia Maxima B.V. in staat van faillissement is verklaard, met benoeming van appellant als curator. Ter zitting heeft appellant aangegeven dat hij het hoger beroep van Familia Maxima B.V. overneemt.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2004, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Schmal, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 21 februari 2002, zoals gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar, heeft het college afwijzend beslist op de aanvraag voor een, op naam van de Stichting Vill'ABB en/of Familia Maxima B.V. te stellen, nieuwe houdersvergunning van het kindercentrum aan de Stationsweg 170. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat een eerder aan Stichting Vill'ABB verleende houdersvergunning van het kindercentrum aan de Stationsweg 170 was ingetrokken wegens structurele tekorten aan functionarissen, en het college uit de gegevens niet is gebleken dat inmiddels voldoende functionarissen in dienst zijn. Het college heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat het handhavingsverleden van Stichting Vill'ABB volledig kan worden toegerekend aan Familia Maxima B.V., gezien de verwevenheid van het bestuur van Stichting Vill'ABB en het bestuur van Familia Maxima B.V. en gezien het feit dat niets erop wijst dat de wijze van exploitatie van het kindercentrum onder verantwoordelijkheid van Familia Maxima B.V. anders zal zijn dan voorheen.

2.2. De rechtbank is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat het college, gelet op de onderlinge verwevenheid van het bestuur van Stichting Vill'ABB en het bestuur van Familia Maxima B.V., alsmede de doelstelling van Familia Maxima B.V., terecht het handhavingsverleden van Vill'ABB ten aanzien van de locatie Stationsweg 170 heeft betrokken bij het besluit tot weigering van de vergunning. Hierbij past alleen nog de aantekening dat ter zitting van de Afdeling is gebleken dat de [bestuurders van beide rechtspersonen] niet gehuwd zijn, doch samenwonend. Op dit punt behoeft de aangevallen uitspraak correctie, zij het dat het oordeel over de verwevenheid daar niet anders door wordt.

2.3. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat Familia Maxima B.V. niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij aan de eisen van de Verordening op de kindercentra 1995 (hierna: de Verordening) zal voldoen, nu niet is gebleken dat de inzet van functionarissen structureel is verbeterd. Uit het hoger-beroepschrift van Familia Maxima B.V. blijkt eerder dat haar standpunt over de inzet van functionarissen nog immer in strijd is met de Verordening. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat door Familia Maxima B.V. niet wordt voldaan aan de in of krachtens de Verordening gestelde eisen. Het betoog van Familia Maxima B.V. dat hiertegen is gericht faalt.

2.4. In tegenstelling tot hetgeen Familia Maxima B.V. betoogt is de rechtbank terecht voorbij gegaan aan de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2003, in zaakno. 200203860/1. Het betreft in dat geval een andere kwestie die voor de onderhavige zaak niet relevant is. Ook dit betoog faalt.

2.5. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet kan worden staande gehouden dat het college ten onrechte heeft besloten de vergunning tot het oprichten en in stand houden van het kindercentrum aan de Stationsweg 170 te weigeren.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Voor aanhouding van de uitspraak, zoals appellant subsidiair heeft verzocht, ziet de Afdeling geen reden, omdat het besluit van 13 februari 2001 gericht aan de Stichting Vill'ABB, intussen tot in hoogste instantie in stand is gebleven en daarom als vaststaand moet worden aangenomen dat artikel 13 van de Verordening werd overtreden.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Matulewicz
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004

45-426.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon