Uitspraak BRS.26.005198
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6445
- Datum uitspraak
- 4 november 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 18 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.005198 en BRS.26.005202
ECLI:NL:RVS:2026:6445
Datum uitspraak: 4 november 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 september 2026 in zaken nrs. NL26.41133 en NL26.41138 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 18 juli 2026 heeft de minister aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 17 september 2026 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. M.A.C. Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Appellanten betogen in de eerste grief terecht dat de rechtbank niet uitdrukkelijk heeft beslist op hun beroepsgrond dat de minister niet heeft voldaan aan artikel 59, achtste lid, aanhef en onder b, van de Procedureverordening. De grief leidt echter niet tot het beoogde doel. Uit de tekst van de Procedureverordening volgt namelijk niet dat de minister al bij het besluit een document moet verschaffen waarin de autoriteiten van het betrokken derde land, in de taal van dat land, ervan in kennis worden gesteld dat het verzoek om internationale bescherming niet inhoudelijk is behandeld als gevolg van de toepassing van het begrip ‘veilig derde land’. De minister heeft er in zijn verweer bij de rechtbank op gewezen dat hij dit document zal afgeven bij vertrek.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Wat appellanten verder hebben aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de overige grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roepen de grieven verder geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.
w.g. Essenburg
voorzieningenrechter
w.g. Huizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2026
987