Uitspraak 202602049/2/V6
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6449
- Datum uitspraak
- 3 november 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 17 juni 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het Nederlanderschap van [verzoeker] ingetrokken. Het hoger beroep gaat over de intrekking van het Nederlanderschap van [verzoeker] op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). [verzoeker] heeft meerdere gronden gericht tegen de uitspraak van de rechtbank. De voorzieningenrechter overweegt dat, wegens het principiële karakter van de gronden, de voorlopige-voorzieningprocedure zich niet leent voor een beoordeling hiervan. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom aan de hand van een belangenafweging beoordelen. [verzoeker] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij belang heeft bij het schorsen van de rechtsgevolgen van de besluiten, omdat hij in de loop van de intrekkingsprocedure succesvol afstand heeft gedaan van zijn Iraakse nationaliteit. Aangezien de rechtmatigheid van de besluiten nog in geschil is, ligt het volgens [verzoeker] niet voor de hand om hem als staatloos te behandelen. Sinds zijn invrijheidstelling op 22 december 2025 woont hij zonder inkomen, sociale voorzieningen of begeleiding bij zijn ouders, wat de financiële situatie van zijn ouders negatief beïnvloedt.
- Voorlopige voorziening
- Nederlanderschap
Toon inhoud
202602049/2/V6.
Datum uitspraak: 3 november 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend in Zoetermeer,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 mei 2026 in zaak nr. 26/546 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 17 juni 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het Nederlanderschap van [verzoeker] ingetrokken.
Bij besluit van 13 november 2024 heeft de staatssecretaris het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 mei 2026 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Ook heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 oktober 2026 op een zitting behandeld, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. F. Fetter en mr. P.J. Schüller, advocaten in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.V. de Kort, advocaat in Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het verzoek strekt ertoe dat de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening de rechtsgevolgen van het besluit van 17 juni 2022 en het besluit van 13 november 2024 tot intrekking van het Nederlanderschap schorst totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Concreet strekt het verzoek er daarmee toe dat de minister [verzoeker] tot de uitspraak op het hoger beroep als Nederlander behandelt.
Spoedeisend belang
2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit het verzoek van [verzoeker] een spoedeisend belang blijkt voor het treffen van een voorlopige voorziening. Hiervoor is van belang dat [verzoeker] zonder verblijfsrecht in Nederland bij zijn ouders verblijft. Dit heeft ertoe geleid dat de Belastingdienst bij besluit van 25 september 2026 de huurtoeslag van zijn ouders heeft ingetrokken en de uitgekeerde toeslag over het jaar 2026 heeft teruggevorderd. [verzoeker] mag daarnaast niet werken en maakt geen aanspraak op sociale voorzieningen.
Geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel
3. Het hoger beroep gaat over de intrekking van het Nederlanderschap van [verzoeker] op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). [verzoeker] heeft meerdere gronden gericht tegen de uitspraak van de rechtbank. De voorzieningenrechter overweegt dat, wegens het principiële karakter van de gronden, de voorlopige-voorzieningprocedure zich niet leent voor een beoordeling hiervan. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom aan de hand van een belangenafweging beoordelen.
Belangenafweging
4. [verzoeker] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij belang heeft bij het schorsen van de rechtsgevolgen van de besluiten, omdat hij in de loop van de intrekkingsprocedure succesvol afstand heeft gedaan van zijn Iraakse nationaliteit. Aangezien de rechtmatigheid van de besluiten nog in geschil is, ligt het volgens [verzoeker] niet voor de hand om hem als staatloos te behandelen. Sinds zijn invrijheidstelling op 22 december 2025 woont hij zonder inkomen, sociale voorzieningen of begeleiding bij zijn ouders, wat de financiële situatie van zijn ouders negatief beïnvloedt.
[verzoeker] wil starten met (vrijwilligers)werk en deelnemen aan re-integratietrajecten. Hiervoor heeft hij zich de afgelopen negen maanden ook ingespannen samen met zijn ouders, de gemeente Zoetermeer, de politie, Reclassering Nederland en de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Hij wijst hierbij op de voortgangsverslagen van Reclassering Nederland van 17 april 2026 en 17 september 2026, waaruit volgt dat hij zich aan de meldplicht houdt. Reclassering Nederland heeft ook opgemerkt dat er geen enkel perspectief is op enige vorm van resocialisatie zolang [verzoeker] staatloos is. Tot slot stelt [verzoeker] dat hij niet op korte termijn naar Irak kan terugkeren.
4.1. De minister stelt zich op het standpunt dat de Afdeling het verzoek moet afwijzen, omdat hij er belang bij heeft dat hij [verzoeker] tijdens de hogerberoepsprocedure als vreemdeling in de zin van de Vw 2000 kan blijven behandelen. Volgens de minister gaat van [verzoeker] een actueel en ernstig gevaar uit voor de nationale veiligheid. Dit heeft er onder meer toe geleid dat de Minister van Asiel en Migratie hem een gebiedsgebod voor Zoetermeer heeft opgelegd.
De minister voert verder aan dat het van belang is dat DT&V tijdens de behandeling van het hoger beroep vertrekgesprekken met [verzoeker] kan blijven voeren om zijn vertrek naar Irak zo snel mogelijk te realiseren. Volgens de minister ontbreekt het niet aan zicht op terugkeer naar Irak. Hij wijst erop dat [verzoeker] zelf weigert mee te werken aan zijn vertrek en dat hij zijn huidige positie aan zichzelf te wijten heeft, omdat hij op eigen initiatief afstand heeft gedaan van zijn Iraakse nationaliteit en daardoor nu staatloos is. De minister probeert nu op diplomatiek niveau, in samenwerking met de minister van Buitenlandse Zaken, ervoor te zorgen dat [verzoeker] zijn Iraakse nationaliteit terug kan krijgen, zodat daarna kan worden gewerkt aan zijn vertrek.
Verder heeft de minister er belang bij dat [verzoeker] geen gebruik kan maken van de rechten die aan het Nederlanderschap zijn verbonden totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Hij wijst hierbij op het kiesrecht, het recht op een paspoort en een identiteitskaart en de mogelijkheid om te reizen als Nederlander, het recht op consulaire bescherming en het recht op sociale voorzieningen. Volgens de minister zijn de ingrijpende gevolgen van de intrekking van het Nederlanderschap voor [verzoeker] gerechtvaardigd, omdat hij door zijn gedrag de banden met Nederland zelf heeft verbroken.
4.2. De voorzieningenrechter is alles afwegend van oordeel dat in dit geval zwaarder gewicht toekomt aan de belangen die de minister naar voren heeft gebracht dan aan de belangen van [verzoeker]. Daarbij stelt de voorzieningenrechter voorop dat de intrekking van het Nederlanderschap berust op artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN, waarmee de minister tot uitdrukking heeft gebracht dat [verzoeker] zich zodanig tegen de Nederlandse belangen heeft gekeerd dat zijn band met Nederland niet langer kan bestaan. Aan de belangen die [verzoeker] daartegenover stelt, kan niet het door hem gewenste gewicht worden toegekend. Hiervoor is van belang dat uit het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6294, volgt dat het recidiverisico bij [verzoeker] hoog is. Daarom heeft de strafrechter [verzoeker] ook een maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (GVM) opgelegd ter bescherming van de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen. Hieraan heeft de strafrechter ten grondslag gelegd dat [verzoeker] nog steeds een salafistische en gewelddadige ideologie lijkt aan te hangen. Verder volgt uit een brief van de minister aan het Openbaar Ministerie van 5 december 2025 dat de risicofactoren en het risicoprofiel ongewijzigd zijn.
4.3. De voorzieningenrechter begrijpt dat [verzoeker] een re-integratietraject wil volgen en ook wil werken. [verzoeker] heeft tijdens de zitting ook toegelicht dat zijn situatie inmiddels is veranderd, dat hij zijn straf heeft uitgezeten en het verleden achter zich wil laten om zijn leven op een positieve manier voort te zetten. De door [verzoeker] in deze procedure overgelegde voortgangsverslagen van Reclassering Nederland bieden echter onvoldoende aanknopingspunten om een positieve gedragsverandering vast te stellen. De verslagen bevatten namelijk alleen een omschrijving van de feitelijke situatie, waaronder dat [verzoeker] zich aan zijn meldplicht houdt en met de reclassering spreekt over zijn staatloosheid, het delict en zijn dagelijks leven. Op de zitting hebben [verzoeker] en de minister bovendien bevestigd dat Reclassering Nederland binnen het kader van de GVM wegens de verblijfsstatus van [verzoeker] geen verdere invulling kan geven aan gedragsverandering, resocialisatie en risicobeheersing. Daar komt bij dat uit de stukken onvoldoende volgt dat [verzoeker] inmiddels kenbaar afstand heeft genomen van het radicale gedachtegoed dat hij eerder heeft omarmd. De voorzieningenrechter kan daarom op dit moment niet het door [verzoeker] gewenste gewicht toekennen aan zijn stelling dat hij een positieve gedragsverandering heeft doorgemaakt sinds zijn invrijheidstelling op 22 december 2025.
4.4. De voorzieningenrechter onderkent verder goed dat [verzoeker] op dit moment staatloos is. Dit is ingrijpend, maar het leidt onder de gegeven omstandigheden niet tot een andere uitkomst van de belangenafweging. Hiervoor is van belang dat de minister zich inspant om langs diplomatieke weg te bewerkstelligen dat [verzoeker] zijn Iraakse nationaliteit herkrijgt en bijvoorbeeld in het bezit kan worden gesteld van een laissez-passer. Hoewel de voorzieningenrechter op dit moment er onvoldoende zicht op heeft of, en zo ja, op welke termijn die diplomatieke weg tot een concreet resultaat leidt, is niet uitgesloten dat [verzoeker] zijn Iraakse nationaliteit terugkrijgt. De voorzieningenrechter stelt hoe dan ook vast dat niet is gebleken dat [verzoeker] blijvend onuitzetbaar is. De staatloosheid van [verzoeker] vormt daarom, hoe ingrijpend de gevolgen daarvan ook zijn, op zichzelf onvoldoende grond om zijn belangen zwaarder te laten wegen dan de belangen die de minister naar voren heeft gebracht.
4.5. Tot slot weegt de voorzieningenrechter mee dat [verzoeker] bij zijn ouders verblijft en een sociaal netwerk om zich heen heeft. [verzoeker] heeft aannemelijk gemaakt dat de stopzetting van de huurtoeslag voor zijn ouders nadelige financiële gevolgen heeft. De voorzieningenrechter begrijpt dat deze voelbaar zijn. Uit de stukken blijkt echter niet dat zijn ouders daardoor niet meer in hun levensonderhoud kunnen voorzien. De aangevoerde financiële gevolgen zijn daarom onvoldoende om zijn belangen zwaarder te laten wegen dan de belangen van de minister.
4.6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Gelet op de aard van het geschil zal de voorzieningenrechter bevorderen dat het hoger beroep zo spoedig mogelijk op een zitting zal worden behandeld. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Overeem, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Overeem
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2026
899-1226