Uitspraak 202405480/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6308
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 23 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER voor duurzaam verblijf als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000, afgewezen.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
202405480/1/V1.
Datum uitspraak: 28 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 1 augustus 2024 in zaak nr. NL23.23983 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 23 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER voor duurzaam verblijf als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000, afgewezen.
Bij uitspraak van 1 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.B. Bierbach, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant heeft de Amerikaanse nationaliteit. Haar echtgenoot heeft de Amerikaanse en sinds 20 januari 2022 ook de Duitse nationaliteit. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het rechtmatig verblijf van haar echtgenoot voor die datum op grond van verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd niet meetelt voor het voldoen aan het vereiste van vijf ononderbroken jaren legaal verblijf op het grondgebied van Nederland om in aanmerking te komen voor een duurzaam verblijfsrecht, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn, en dat zij daarom ook niet in aanmerking komt voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 16, tweede lid, van die richtlijn. Haar betoog dat uit de arresten van het Hof van Justitie van 11 juli 2002, D’Hoop, ECLI:EU:C:2002:432, punt 25, 7 oktober 2010, Lassal, ECLI:EU:C:2010:592, punt 39, en 21 december 2011, Ziolkowski en Szeja, ECLI:EU:C:2011:866, punt 58, volgt dat aan het rechtmatig verblijf van haar echtgenoot voor 20 januari 2022 actuele gevolgen hadden moeten worden verbonden na zijn verkrijgen van het Unieburgerschap, slaagt echter niet. Die arresten gaan over het geval waarin een Unierechtelijke regeling in werking treedt, maar niet voorziet in overgangsrecht voor situaties die voorafgaand aan die inwerkingtreding zijn ontstaan. Zie ook de arresten van 2 oktober 1997, Saldanha en MTS, ECLI:EU:C:1997:458, punten 13 en 14, en 30 november 2000, Österreichischer Gewerkschaftsbund, ECLI:EU:C:2000:655, punten 54 en 55. Dat is hier niet aan de orde. Het verkrijgen van de Duitse nationaliteit door de echtgenoot van appellant heeft alleen zijn individuele rechtspositie gewijzigd, waardoor het al van kracht zijnde Unierecht op hem van toepassing is geworden. Het betoog van appellant dat zij ten onrechte niet gelijk wordt behandeld als de betrokkenen op wie het arrest Ziolkowski en Szeja gaat, slaagt om dezelfde reden niet. De situatie van de echtgenoot van appellant is immers niet vergelijkbaar met die van de betrokkenen in dat arrest. De grief slaagt niet.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Stoové
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
574-1151