Uitspraak 202504496/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6485
- Datum uitspraak
- 4 november 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 juli 2024 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven het verzoek van [appellante] om herziening van het besluit van 8 augustus 2023 afgewezen. [appellante] verbleef in juni t/m augustus 1964 om medische redenen in kindertehuis De Krabbebossen in Rijsbergen. [appellante] heeft op 27 december 2022 de CSG verzocht om een tegemoetkoming op basis van de Tijdelijke regeling financiële tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg. De CSG heeft op 22 februari 2023 de aanvraag afgewezen, en dit besluit gehandhaafd bij besluit van 8 augustus 2023. Daaraan heeft de CSG ten grondslag gelegd dat De Krabbebossenn 1964 geen instelling was in de zin van de Tijdelijke Regeling, zoals bedoeld in artikel 1 sub e, waaronder een aanbieder van residentiële hulpverlening aan jeugdigen ten behoeve van jeugdbeschermingsmaatregelen.
- Hoger beroep
- Schadevergoeding
Toon inhoud
202504496/1/A2.
Datum uitspraak: 4 november 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 juni 2025 in zaak nr. 24/6339 in het geding tussen:
[appellante]
en
Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG).
Procesverloop
Bij besluit van 1 juli 2024 heeft de CSG het verzoek van [appellante] om herziening van het besluit van 8 augustus 2023 afgewezen.
Bij besluit van 19 augustus 2024 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] en de CSG hebben ieder nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.J.G. Schroeder, advocaat in Den Haag, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. J.C.M. van de Weerd en mr. M. de Bok, zijn verschenen.
Overwegingen
Achtergrond van het geschil
1. [appellante] verbleef in juni t/m augustus 1964 om medische redenen in kindertehuis De Krabbebossen in Rijsbergen.
2. [appellante] heeft op 27 december 2022 de CSG verzocht om een tegemoetkoming op basis van de Tijdelijke regeling financiële tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg (Tijdelijke regeling).
3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
4. Een tegemoetkoming op grond de Tijdelijke regeling is mogelijk voor een slachtoffer van bovenmatig geweld of ongeoorloofde dwangarbeid indien dat geweld of die dwangarbeid heeft plaatsgevonden toen het slachtoffer minderjarig was en in het kader van verblijf in een instelling, pleeggezin of opvang voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen, waar het slachtoffer tussen 5 mei 1945 en 12 juni 2019 was geplaatst onder verantwoordelijkheid van de overheid.
5. Plaatsing onder verantwoordelijkheid van de overheid wordt aangenomen indien de minderjarige in een instelling, pleeggezin of opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen moest verblijven vanwege een beslissing van de rechter, de officier van justitie of de burgemeester. Ook indien de beslissing is genomen door een in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel aangewezen voogd, gezinsvoogd of voogdijinstelling of door de met de voogdij over een alleenstaande minderjarige vreemdeling belaste voogdijinstelling, is sprake van een plaatsing onder verantwoordelijkheid van de overheid.
6. De CSG heeft op 22 februari 2023 de aanvraag afgewezen, en dit besluit gehandhaafd bij besluit van 8 augustus 2023. Daaraan heeft de CSG ten grondslag gelegd dat De Krabbebossen 1964 geen instelling was in de zin van de Tijdelijke Regeling, zoals bedoeld in artikel 1 sub e, waaronder een aanbieder van residentiële hulpverlening aan jeugdigen ten behoeve van jeugdbeschermingsmaatregelen. [appellante] is ook niet onder verantwoordelijkheid van de overheid, zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Tijdelijke regeling, in De Krabbebossen geplaatst. Ook kan de plaatsing van [appellante] in De Krabbebossen niet gelijk gesteld worden aan een plaatsing onder verantwoordelijkheid van de overheid, zoals bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Tijdelijke regeling, omdat in dezelfde periode geen andere kinderen met bijvoorbeeld een jeugdbeschermingsmaatregel verbleven in De Krabbebossen.
7. De CSG heeft onderzocht of er in 1964 en 1965 minderjarigen onder verantwoordelijkheid van de overheid in De Krabbebossen verbleven, maar er is geen informatie waaruit dat blijkt. De CSG heeft hierbij de in bezwaar door [appellante] overgelegde administratieve lijst, afkomstig van de administratie van De Krabbebossen, betrokken. Op de lijst is bijgehouden op welke wijze de kinderen in De Krabbebossen werden geplaatst. Volgens de CSG valt uit de lijst op te maken dat in 1964 een minderjarige door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) in De Krabbebossen is geplaatst. Ook door de rechtsopvolger, Stichting Erfgoed Jutzt (verder: Jutzt), is desgevraagd bevestigd dat zowel in 1964 als in 1965 een kind in het kindertehuis is geplaatst door de Raad. Deze informatie is volgens de CSG echter onvoldoende om uit te gaan van plaatsing onder verantwoordelijkheid van de overheid. Het is volgens de CSG onduidelijk welke rol (al dan niet bemiddelend) de Raad bij die plaatsing heeft gespeeld. Een vrijwillige plaatsing, met instemming van de ouders, is mogelijk. De informatie is volgens de CSG daarom onvoldoende om plaatsing onder verantwoordelijkheid van de overheid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Tijdelijke regeling vast te kunnen stellen.
8. [appellante] heeft het beroep ingesteld tegen het besluit van 8 augustus 2023 ingetrokken, zodat dit besluit onherroepelijk is geworden.
Het verzoek om informatie: het overzicht van aanvragen
9. [appellante] heeft vervolgens op 25 oktober 2023 bij de CSG een verzoek om informatie ingediend. In februari 2024 heeft de CSG [appellante] laten weten hoeveel aanvragen in het kader van de Tijdelijke regeling zijn ingediend die (mede) zagen op een verblijf in De Krabbebossen, hoeveel aanvragen daarvan zagen op een verblijf in de periode waarin [appellante] ook in De Krabbebossen verbleef en waarom deze aanvragen zijn af- of toegewezen. In de periode waarin [appellante] in De Krabbebossen verbleef, was er mogelijk één aanvrager met een jeugdbeschermingsmaatregel die vanaf 1963 tot en met 1969 in De Krabbebossen en andere instellingen verbleef en als slachtoffer van geweld een tegemoetkoming heeft ontvangen. De precieze verblijfsperiode is onbekend.
Het verzoek om herziening
10. [appellante] heeft daarop het verzoek om herziening ingediend, omdat zij in het overzicht van aanvragen (steun)bewijs ziet dat haar plaatsing in De Krabbebossen gelijk gesteld kan worden aan plaatsing onder verantwoordelijkheid van de overheid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Tijdelijke regeling. Uit het overzicht volgt dat er in 1963 een kind is geplaatst in De Krabbebossen onder een jeugdbeschermingsmaatregel. Bij het verzoek heeft zij ook de eerder genoemde administratieve lijst gevoegd, waarop staat dat een minderjarige in 1964 was geplaatst door de Raad van Kinderbescherming.
Afwijzing van het verzoek om herziening
11. De CSG heeft het verzoek om herziening afgewezen en de afwijzing gehandhaafd bij besluit van 19 augustus 2024. Daaraan heeft de CSG ten grondslag gelegd dat de aan [appellante] verstrekte informatie over de aanvragen is betrokken bij de eerdere beoordeling van de aanvraag van [appellante] en geen nieuwe informatie bevat. De informatie leidt ook niet tot nieuwe inzichten.
De CSG heeft toegelicht dat er acht aanvragen waren die zagen op het verblijf in De Krabbebossen in de periode 1959 tot en met 1970. De andere aanvragen waren van ruim voor of na die periode. Zes van de acht aanvragen zijn afgewezen, omdat De Krabbebossen geen instelling in de zin van de Tijdelijke regeling was. Bij de zes afwijzingen kon geen jeugdbeschermingsmaatregel vastgesteld worden. Twee aanvragen zijn toegewezen. Een aanvraag omdat de betrokkene ook in een andere instelling verbleef en beoordeling van het verblijf in De Krabbebossen achterwege kon blijven. De andere toegewezen aanvraag was van een aanvrager die vanaf 1963 t/m 1969 in De Krabbebossen en andere instellingen verbleef op grond van een jeugdbeschermingsmaatregel. De conclusie is dat er dus mogelijk een aanvrager met een jeugdbeschermingsmaatregel verbleef in De Krabbebossen. Volgens de CSG is de kans klein dat deze aanvrager in 1964 nog in De Krabbebossen verbleef, omdat Jutzt heeft laten weten dat kinderen in die tijd slechts een korte periode in De Krabbebossen verbleven om gezondheidsredenen.
Voor zover uit de administratieve lijst met inschrijfgegevens uit de jaren ’60 volgt dat er in de periode van 1964 tot en met 1965 minderjarigen door de Raad in De Krabbebossen waren geplaatst, betekent dit niet per definitie dat de plaatsing ook onder verantwoordelijkheid van de overheid was. Het blijft onduidelijk welke rol de Raad heeft vervuld bij de plaatsing van twee minderjarigen. Deze informatie kan er dus niet toe leiden dat De Krabbebossen kan worden aangemerkt als een instelling in de zin van de Tijdelijke regeling.
Uitspraak van de rechtbank
12. De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellante] het overzicht van de aanvragen in februari 2024 heeft ontvangen, dus na het besluit van 8 augustus 2023. De informatie die voor [appellante] nieuw was, is echter wel door de CSG is betrokken bij dat besluit. In zoverre gaat het niet om nieuwe feiten en omstandigheden die leiden tot herziening van het besluit.
13. Volgens de rechtbank is er geen aanleiding voor het oordeel dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Het is duidelijk dat [appellante] veel energie en tijd heeft gestoken in het boven tafel krijgen van informatie, hoewel dit soms niet is gelukt vanwege privacyregels. Uit de toelichting op de Tijdelijke regeling volgt dat de bewijslast in beginsel ligt bij degene die de aanvraag indient. Op grond van de door [appellante] overgelegde stukken kan niet vastgesteld worden dat [appellante] zelf ofwel een andere minderjarige die gelijktijdig met haar verbleef in De Krabbebossen, daar onder overheidsverantwoordelijkheid is geplaatst.
Hoger beroep
14. [appellante] kan zich niet vinden in de uitspraak van de rechtbank. Zij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de CSG het verzoek om herziening had moeten toewijzen. De Afdeling gaat hieronder in op de gronden van [appellante].
Beoordelingskader
15. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:580) geldt wanneer om herziening van een besluit wordt verzocht dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om dat verzoek inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n aanvraag inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd.
Beoordeling door de Afdeling
16. De CSG heeft op de zitting desgevraagd toegelicht dat het verzoek om herziening inhoudelijk is behandeld. Dat betekent dat de Afdeling zal beoordelen of de CSG het verzoek om herziening terecht heeft afgewezen en daarmee terecht de afwijzing van de tegemoetkoming heeft gehandhaafd.
17. [appellante] heeft voor het eerst in hoger beroep betoogd dat zij door de burgemeester in De Krabbebossens geplaatst. Dit betoog treft geen doel. [appellante] heeft dit niet onderbouwd. Daarmee zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat [appellante] zelf onder verantwoordelijkheid van de overheid is geplaatst als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Tijdelijke regeling.
18. Het geschil spitst zich toe op de vraag of er gelijktijdig met [appellante] een minderjarige in De Krabbebossen verbleef die daar met een jeugdbeschermingsmaatregel was geplaatst en op grond waarvan kan worden aangenomen dat de plaatsing van [appellante] in het kindertehuis dus gelijk kan worden gesteld aan plaatsing onder verantwoordelijkheid van de overheid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Tijdelijke regeling.
19. In de toelichting op de Tijdelijke regeling is vermeld dat hoewel in beginsel de bewijslast ligt bij degene die de aanvraag indient, bij de beoordeling van de aanvragen coulance zal worden betracht ten aanzien van de bewijslast. De aannemelijkheidstoets uit artikel 2, tweede lid, van de Tijdelijke regeling geeft de CSG beoordelingsruimte, waardoor zij rekening kan houden met bewijsproblemen die het gevolg zijn van tijdsverloop.
20. De Afdeling stelt op grond van de stukken vast dat [appellante] al het mogelijke in het werk heeft gesteld om informatie te achterhalen ter onderbouwing van haar aanvraag. Ook de CSG heeft zich ingespannen informatie te achterhalen via Jutzt, de rechtsopvolger van De Krabbebossen.
21. [appellante] wijst op een minderjarige, in de stukken aangeduid als [naam], die voorkomt op de administratieve lijst en met wie zij gelijktijdig verbleef in De Krabbebossen.
Achter de naam van [naam] staat ‘R. v. Kinderrechter’. De CSG heeft Jutzt, een aantal vragen gesteld om inzicht te krijgen hoe kinderen terechtkwamen in De Krabbebossenn de periode 1962-1967. Jutzt heeft bevestigd dat er naast [naam] ook in 1965 een kind door de kinderbescherming is geplaatst. Bij navraag heeft Jutzt laten weten dat het niet duidelijk is wat met ‘R. v. Kinderrechter’ is bedoeld. Uit een gespreksnotitie blijkt dat als minderjarigen toevertrouwd waren aan de Raad voor Kinderbescherming, de Raad door de kinderrechter waarschijnlijk was aangewezen als voogd. In dat geval is er wel overheidsverantwoordelijkheid.
22. De Afdeling overweegt dat ‘R. v. Kinderrechter’ een verschrijving zou kunnen zijn en zou moeten worden gelezen als Raad voor Kinderbescherming. Maar het is niet uitgesloten dat [naam] door de Raad via de kinderrechter is geplaatst in welk geval de Raad optrad als voogd. Volgens Jutzt zijn er in 1967-1969 een aantal kinderen door de kinderrechter geplaatst in het kindertehuis. Er is geen informatie gevonden dat dit ook in 1964-1965 is gebeurd. De CSG sluit die mogelijkheid niet uit, maar stelt dat onvoldoende vaststaat dat [naam] door de Raad via de kinderrechter is geplaatst, omdat de Raad in die tijd ook een bemiddelende rol kon hebben en dus niet optrad als voogd. Deze algemene tegenwerping, betekent volgens de Afdeling niet dat het daarmee onvoldoende aannemelijk is dat [naam] met een jeugdbeschermingsmaatregel in De Krabbebossens geplaatst.
23. Daarbij komt dat [appellante] betoogt dat uit het aanvragenoverzicht volgt dat in de relevante periode een andere minderjarige dan [naam] met een jeugdbeschermingsmaatregel in De Krabbebossen verbleef. De CSG stelt dat deze minderjarige in de periode van 1963-1969 niet alleen in De Krabbebossen verbleef maar vervolgens ook in andere instellingen. Omdat kinderen om medische redenen werden geplaatst in De Krabbebossen en daar gemiddeld zes weken tot drie maanden verbleven, acht de CSG het daarom onvoldoende aannemelijk dat er sprake was van gelijktijdig verblijf. [appellante] heeft hier terecht tegenover gesteld dat ook dit een algemene tegenwerping is, die niet nader is onderbouwd met meer concrete gegevens. Daarbij komt dat uit de website Wierook, Wijwater& Worstenbrood, waarop [appellante] heeft gewezen, volgt dat kleuters drie maanden in het kindertehuis van De Krabbebossen konden verblijven, maar dat dit vaak met drie maanden werd verlengd en dat er ook kinderen waren die langer in het kindertehuis verbleven.
24. De Afdeling komt tot de conclusie dat bij deze stand van zaken het er voor moet worden gehouden dat het voldoende aannemelijk is dat tegelijkertijd met [appellante] een minderjarige onder verantwoordelijkheid van de overheid aanwezig was in De Krabbebossen. De hierboven besproken algemene tegenwerpingen van de CSG, waaruit zou volgen dat [appellante] mogelijk toch niet gelijktijdig verbleef met een minderjarige die daar onder verantwoordelijkheid van de overheid was geplaatst, leiden niet tot een andere conclusie. Dit betekent dat is voldaan aan de voorwaarde van artikel 2, vierde lid, van de Tijdelijke regeling en dat de plaatsing van [appellante] gelijk gesteld moet worden aan plaatsing onder verantwoordelijkheid van de overheid.
25. Het betoog slaagt.
Conclusie
26. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2024 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en het besluit van 1 juli 2024 herroepen. De Afdeling voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat [appellante] een tegemoetkoming van € 5.000 krijgt conform artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke regeling en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
27. De CSG moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 juni 2025 in zaak nr. 24/6339;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven van 19 augustus 2024;
V. herroept het besluit van de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven van 1 juli 2024;
VI. bepaalt dat de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven aan [appellante] een tegemoetkoming toekent van € 5.000;
VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 19 augustus 2025;
VIII. veroordeelt de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven tot vergoeding van bij [appellante] in hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 984, geheel toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IX. gelast dat de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 476 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Planken
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2026
299
Bijlage
Wettelijk kader
Tijdelijke Regeling
Artikel 1
[…]
e. instelling: aanbieder van residentiële hulpverlening aan jeugdigen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen of jeugdbeschermingsmaatregelen, aanbieder van residentiële Jeugd-GGZ, aanbieder van gesloten (volwassenen) psychiatrie, aanbieder van residentiële gehandicaptenzorg dan wel een blinden- of doveninternaat;
[…]
Artikel 2
1. De commissie verstrekt op aanvraag een tegemoetkoming aan een slachtoffer van geweld of dwangarbeid indien dat geweld of die dwangarbeid heeft plaatsgevonden in het kader van verblijf in een in Nederland gevestigde instelling, pleeggezin dan wel opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, alwaar het slachtoffer tussen 5 mei 1945 en 12 juni 2019 onder verantwoordelijkheid van de overheid was geplaatst.
2. De commissie verstrekt tegemoetkoming aan een slachtoffer indien het naar het oordeel van de commissie aannemelijk is dat:
a. bovenmatig geweld of ongeoorloofde dwangarbeid heeft plaatsgevonden;
en
b. het slachtoffer ten tijde van het geweld minderjarig was.
3. Plaatsing onder verantwoordelijkheid van de overheid wordt aangenomen indien de minderjarige in een instelling, pleeggezin of opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen moest verblijven vanwege een beslissing van:
a. de rechter;
b. de officier van justitie;
c. de burgemeester;
d. de in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel aangewezen voogd, gezinsvoogd of voogdij-instelling; of
e. de voogdij-instelling belast met de voogdij over de alleenstaande minderjarige vreemdeling.
4. Plaatsing door een ouder of ouders of een andere persoon met het gezag, in een instelling waar ten tijde van het verblijf van het slachtoffer ook minderjarigen verbleven die onder verantwoordelijkheid van de overheid in die instelling waren geplaatst, wordt gelijk gesteld aan plaatsing onder verantwoordelijkheid van de overheid.
[…]