Uitspraak 202602307/2/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6304
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 juli 2026 heeft de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel het "TAM-omgevingsplan Bramerslandstraat Den Dungen" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Sint-Michielsgestel vastgesteld (het wijzigingsbesluit). Het gebied waar het wijzigingsbesluit op ziet (de locatie) is gelegen aan de [locatie] in Den Dungen en is in gebruik als tuin bij een bestaande woning. Het wijzigingsbesluit maakt het mogelijk dat in de tuin 9 woningen worden gerealiseerd. Verzoekers maken zich zorgen om de cultuurhistorische waarden van het gebied. Zij hebben daarom beroep ingesteld tegen de vaststelling van het wijzigingsbesluit en gevraagd de voorlopige voorziening te treffen dat het wijzigingsbesluit wordt geschorst, zolang de Afdeling nog niet op het beroep heeft beslist.
- Voorlopige voorziening
- RO - Noord-Brabant
Toon inhoud
202602307/2/R2.
Datum uitspraak: 28 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
1. [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B], wonend in Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
2. [verzoeker sub 2], wonend in Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
3. [verzoeker sub 3], wonend in Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
4. [verzoeker sub 4] en anderen, allen wonend in Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
5. Vereniging Het Groene Hart Brabant en Stichting de Blauwe Scholk, beide gevestigd in Den Dungen,
verzoekers,
en
de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 1 juli 2026 heeft de raad het "TAM-omgevingsplan Bramerslandstraat Den Dungen" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Sint-Michielsgestel vastgesteld (het wijzigingsbesluit).
Tegen dit besluit hebben [verzoekers sub 1], [verzoeker sub 2], [verzoeker sub 3], [verzoeker sub 4] en anderen en Vereniging Het Groene Hart Brabant en Stichting de Blauwe Scholk beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter ook verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[verzoekers sub 1], [verzoeker sub 3], [verzoeker sub 4] en anderen, [verzoeker sub 2] en Vereniging Het Groene Hart Brabant en Stichting de Blauwe Scholk hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 15 oktober 2026, waar [verzoekers sub 1], [verzoeker sub 3], [verzoeker sub 2], en Vereniging het Groene Hart Brabant en Stichting de Blauwe Scholk, vertegenwoordigd door [verzoeker sub 2], en de raad, vertegenwoordigd door drs. A. Sengers en drs. T. Diebels, zijn verschenen. Verder is op de zitting Woningcorporatie Woonmeij, vertegenwoordigd door [gemachtigden, gehoord.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Inleiding
2. Het gebied waar het wijzigingsbesluit op ziet (de locatie) is gelegen aan de [locatie] in Den Dungen en is in gebruik als tuin bij een bestaande woning. Het wijzigingsbesluit maakt het mogelijk dat in de tuin 9 woningen worden gerealiseerd. Verzoekers maken zich zorgen om de cultuurhistorische waarden van het gebied. Zij hebben daarom beroep ingesteld tegen de vaststelling van het wijzigingsbesluit en gevraagd de voorlopige voorziening te treffen dat het wijzigingsbesluit wordt geschorst, zolang de Afdeling nog niet op het beroep heeft beslist.
Conclusie
3. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe. De voorzieningenrechter schorst bij wijze van voorlopige voorziening het wijzigingsbesluit. Hij is er op voorhand namelijk niet van overtuigd dat het wijzigingsbesluit in stand kan blijven. Hieronder zal de voorzieningenrechter zijn oordeel motiveren. Dit is een voorlopig oordeel en niet bindend in de bodemprocedure.
Cultuurhistorische waarden
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de raad onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat de effecten zijn van het wijzigingsbesluit op eventuele cultuurhistorische waarden in de locatie. Verzoekers hebben onder verwijzing naar onder meer (historisch) kaartmateriaal, een Koninklijk Besluit (KB) van 17 maart 1980 over het bestemmingsplan "Het Bramersland" en de gemeentelijke Visie "Ruimtelijke ontwikkeling Den Dungen" uit 2019 onderbouwd waarom de locatie en de omliggende lus Bramerslandstraat - Litserstraat - Bosscheweg volgens hen cultuurhistorische waarde heeft. In het KB wordt gewezen op de cultuurhistorische waarde van het gebied in de lus (onder meer de vorm van het gebied, het gebruik van de grond en de bebouwing) en dat dit gebied in zijn huidige toestand behouden - en onbebouwd - dient te blijven. In de visie uit 2019 staat dat het gebied tussen Bramerslandstraat, Bosscheweg en Litserstraat nog steeds de middeleeuwse verkavelingsstructuur heeft. Verzoekers hebben aan de hand van het kaartmateriaal verder toegelicht dat de locatie deel uitmaakt van een historisch onbebouwde erven- en verkavelingsstructuur waarbij de oorspronkelijke erven bewaard zijn gebleven en aan elkaar grenzen waardoor een groene long is ontstaan.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad hier onvoldoende tegenover gesteld. In de motivering bij het wijzigingsbesluit staat dat in de locatie en de directe omgeving geen sprake is van cultuurhistorische waarden. In de nota van zienswijzen heeft de raad aangegeven dat de locatie in de Omgevingsverordening Noord-Brabant niet is aangeduid als gebied met cultuurhistorische waarden, dat het gebied ingevolge het hiervoor geldende bestemmingsplan ook geen cultuurhistorische waarden had en dat de woningen op een landschappelijk zorgvuldige wijze in een parkachtige tuinomgeving worden gerealiseerd. De raad is echter niet ingegaan op de cultuurhistorische waarden die het gebied in ieder geval blijkens het KB uit 1980 en meer recent de gemeentelijke visie uit 2019 kenmerken. De raad heeft ook niet toegelicht dat of onderzocht of deze waarden in de locatie niet of niet meer aanwezig zijn of waarom de effecten van het wijzigingsbesluit op deze waarden, indien nog wel aanwezig, gelet op alle betrokken belangen, aanvaardbaar zijn. De op de zitting door de raad gegeven toelichting dat de locatie momenteel in gebruik is als tuin en in 2017 is heringericht zodat eventuele cultuurhistorische waarden toen zijn verdwenen, acht de voorzieningenrechter ontoereikend, reeds omdat de gemeentelijke visie van na 2017 dateert en de raad met deze toelichting niet heeft gereageerd op de onderbouwde stelling van verzoekers dat het cultuurhistorisch belang er ook in ligt dat het gebied open en onbebouwd blijft. De raad heeft verder op de zitting toegelicht dat de verkavelingsstructuur niet wijzigt omdat sprake blijft van één perceel zodat eventuele cultuurhistorische waarden niet veranderen, maar de voorzieningenrechter is hier gelet op de bebouwing die het wijzigingsbesluit mogelijk maakt op voorhand niet van overtuigd.
Op dit moment bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom onvoldoende inzicht of er (nog) sprake is van cultuurhistorische waarden in de locatie en zo ja, in de gevolgen van het wijzigingsbesluit voor die cultuurhistorische waarden in de locatie, en indien die gevolgen er zijn, waarom die effecten op de waarden aanvaardbaar zijn.
Tot slot
5. Ter voorlichting van partijen merkt de voorzieningenrechter op dat het geconstateerde gebrek herstelbaar is via nader onderzoek dan wel een nadere motivering waaruit blijkt dat er geen cultuurhistorische waarden (meer) zijn in de locatie, dan wel dat de effecten van het wijzigingsbesluit op deze waarden, indien nog wel aanwezig, gelet op alle betrokken belangen, aanvaardbaar zijn. Het is dan mogelijk om een opheffing van deze voorlopige voorziening te verzoeken, indien uit dit nader onderzoek dan wel de nadere motivering blijkt dat het voorlopig geconstateerde gebrek kan worden hersteld.
6. De raad moet de proceskosten vergoeden. Dit betekent dat verzoekers recht hebben op terugbetaling van het betaalde griffierecht. Verzoekers zijn niet bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener. [verzoeker sub 3] en [verzoekers sub 1] hebben tijdens de zitting wel een proceskostenformulier overgelegd, waarin zij vragen om vergoeding van reiskosten. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de raad op te dragen deze kosten te vergoeden. Voor een vergoeding van de door [verzoekers sub 1] gevraagde overnachtingskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst het besluit van de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel van 1 juli 2026 tot vaststelling van het "TAM-omgevingsplan Bramerslandstraat Den Dungen";
II. veroordeelt de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel tot vergoeding van bij [verzoeker sub 3] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 56,65;
III. veroordeelt de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel tot vergoeding van bij [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 56,65, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
IV. gelast dat de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel aan de hierna vermelde verzoekers het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:
a. € 200,00 aan [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
b. € 200,00 aan [verzoeker sub 2];
c. € 200,00 aan [verzoeker sub 3];
d. € 200,00 aan [verzoeker sub 4] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
e. € 397,00 aan Vereniging Het Groene Hart Brabant en Stichting de Blauwe Scholk, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Engelen, griffier.
w.g. Meijer
voorzieningenrechter
w.g. Van Engelen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
842