Uitspraak 202602314/2/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6238
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 juni 2026 heeft de raad van de gemeente Drechterland het "TAM-IMRO-omgevingsplan [locatie 1] – [locatie 2]" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Drechterland (besluit tot wijziging) vastgesteld. Het besluit tot wijziging voorziet in de bouw van één woning en enkele bijgebouwen op de samen te voegen percelen [locatie 1] en [locatie 2]. [partij] zal deze woning bouwen en gaan bewonen. [verzoeker] woont op het naastgelegen perceel. Op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] staan nu twee woningen. De garage naast de woning op het perceel [locatie 1] is toegankelijk via een pad, dat over het perceel van [verzoeker] loopt. Daarvoor is een recht van overpad gevestigd op het perceel van [verzoeker]. [verzoeker] betoogt dat het besluit tot wijziging niet uitvoerbaar is, omdat zich een evident privaatrechtelijke belemmering voordoet. Hij voert aan dat hij het recht van overpad wil laten opheffen. [verzoeker] voert aan dat [partij] te kennen heeft gegeven niet te gaan bouwen als het recht van overpad wordt opgeheven.
- Voorlopige voorziening
- Omgevingsplan
- RO - Noord-Holland
Toon inhoud
202602314/2/R1.
Datum uitspraak: 22 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend in Venhuizen, gemeente Drechterland,
verzoeker,
en
de raad van de gemeente Drechterland,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 1 juni 2026 heeft de raad het "TAM-IMRO-omgevingsplan [locatie 1] – [locatie 2]" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Drechterland (besluit tot wijziging) vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[verzoeker] en de raad hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 september 2026, waar [verzoeker] en de raad, vertegenwoordigd door mr. A. Olij en L. Luijt, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [partij A] en [partij B], als partij gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Het besluit tot wijziging voorziet in de bouw van één woning en enkele bijgebouwen op de samen te voegen percelen [locatie 1] en [locatie 2]. [partij] zal deze woning bouwen en gaan bewonen. [verzoeker] woont op het naastgelegen perceel. Op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] staan nu twee woningen. De garage naast de woning op het perceel [locatie 1] is toegankelijk via een pad, dat over het perceel van [verzoeker] loopt. Daarvoor is een recht van overpad gevestigd op het perceel van [verzoeker].
3. De voorzieningenrechter zal vooruitlopend op de beoordeling van het beroep hieronder een zogenoemd voorlopig rechtsmatigheidsoordeel geven, dat wil zeggen dat er een inschatting wordt gemaakt van de kans van slagen van de belangrijkste gronden in beroep.
Toetsingskader
4. De raad neemt een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of met het besluit tot wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot wijziging van het omgevingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Belangrijkste gronden
5. [verzoeker] betoogt dat het besluit tot wijziging niet uitvoerbaar is, omdat zich een evident privaatrechtelijke belemmering voordoet. Hij voert aan dat hij het recht van overpad wil laten opheffen. [verzoeker] voert aan dat [partij] te kennen heeft gegeven niet te gaan bouwen als het recht van overpad wordt opgeheven.
5.1. Alleen al omdat het recht van overpad nog bestaat, ziet de voorzieningenrechter nu geen aanleiding voor het oordeel dat er een privaatrechtelijke belemmering is waardoor het besluit tot wijziging geen stand zou kunnen houden. Overigens is ook geen civielrechtelijke procedure tot opheffing aanhangig.
6. [verzoeker] betoogt dat het besluit tot wijziging in strijd is met de door de raad op 26 januari 2026 vastgestelde gemeentelijke Omgevingsvisie. Hij voert aan dat het besluit tot wijziging ertoe leidt dat het aantal woningen met één wordt verminderd en dat niet inzichtelijk is gemaakt waarom dit geen strijd met de Omgevingsvisie oplevert.
6.1. In de Omgevingsvisie is vermeld dat voor het dorp Venhuizen mogelijkheden voor verdichting worden gezien. Anders dan [verzoeker] kennelijk veronderstelt, behelst deze formulering geen verbod op het verminderen van de woningvoorraad. Evenmin bevat de Omgevingsvisie een verplichting om na de sloop van een woning ook minimaal één woning daarvoor in de plaats te bouwen. In het aangevoerde ziet de voorzieningenrechter daarom geen grond voor het oordeel dat het besluit tot wijziging in strijd met de Omgevingsvisie is vastgesteld.
7. [verzoeker] betoogt dat de raad het besluit tot wijziging heeft vastgesteld in strijd met eerdere negatieve welstandsadviezen.
7.1. De raad heeft toegelicht dat het bouwplan is aangepast naar aanleiding van het commentaar van de welstandscommissie. Het besluit is vastgesteld nadat de welstandscommissie uiteindelijk positief heeft geadviseerd. [verzoeker] heeft dit niet onderbouwd bestreden.
8. [verzoeker] betoogt dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een gresbuis nabij de erfafscheiding, die op korte termijn zal moeten worden vervangen. Als het bouwplan zoals [partij] dat wil uitvoeren is gerealiseerd, zal de gresbuis niet meer kunnen worden vervangen.
8.1. De raad heeft toegelicht dat de gresbuis eigendom is van en in beheer is bij de gemeente. Hij heeft gesteld dat ook na uitvoering van het bouwplan de gresbuis kan worden vervangen indien dit nodig is. In wat [verzoeker] heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen reden om te twijfelen aan de stelling van de raad.
9. In het overige door [verzoeker] aangevoerde ziet de voorzieningenrechter ook geen aanleiding om tot schorsing van het besluit tot wijziging over te gaan.
Conclusie
10. Omdat de voorzieningenrechter, gelet op het voorgaande, verwacht dat het besluit tot wijziging in de bodemprocedure stand zal houden, bestaat geen aanleiding om in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
11. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Van Helvoort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2026
361