Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202503691/1/R4

Uitspraak 202503691/1/R4

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6079
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almere [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd wegens gebruik van het pand aan de [locatie 1] in Almere voor begeleid wonen. Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft het college [appellant sub 1], als huurder van het pand aan de [locatie 1] in Almere, een last onder dwangsom opgelegd wegens gebruik van dat pand voor begeleid wonen van (jong)volwassenen met een verstandelijke beperking. Bij besluiten van 6 mei 2024 heeft het college [appellant sub 1], als huurder van het pand aan de [locatie 2] in Almere, en [appellant sub 2A], als (mede-)eigenaar van dat pand, elk een last onder dwangsom opgelegd wegens gebruik van dat pand voor begeleid wonen van (jong)volwassenen met een verstandelijke beperking. Volgens het college staat het ter plaatse geldende bestemmingsplan het gebruik van de panden voor begeleid wonen niet toe, zodat zich een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voordoet. Bijzondere omstandigheden om af te zien van handhavend optreden zijn er volgens het college niet. De rechtbank is het college hierin gevolgd.
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202503691/1/R4.
Datum uitspraak: 14 oktober 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1)       [appellant sub 1], wonend in Almere, handelend onder de naam [bedrijf],
2)       [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend in Almere,
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 15 mei 2025 in zaken nrs. 24/7715, 24/7729 en 24/7660 in het geding tussen:

1)       [appellant sub 1],
2)       [appellanten sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere.

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft het college [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd wegens gebruik van het pand aan de [locatie 1] in Almere voor begeleid wonen.

Bij besluit van 22 oktober 2024 heeft het college het hiertegen door [appellant sub 1] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluiten van 6 mei 2024 heeft het college [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] elk een last onder dwangsom opgelegd wegens gebruik van het pand aan de [locatie 2] in Almere voor begeleid wonen.

Bij uitspraak van 15 mei 2025 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] tegen de besluiten van 6 mei 2024 en 22 oktober 2024 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hoger beroep ingesteld.

[partij] en anderen hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 2 september 2026, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2A], bijgestaan door mr. J.B.M. Swart, advocaat in Almere, zijn verschenen. [appellant sub 2B] heeft via een digitale verbinding aan de zitting deelgenomen. Verder zijn op de zitting [partij] en anderen, vertegenwoordigd door mr. C.J. Koenen, advocaat in Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van de hoger beroepen blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.

Inleiding

2.       Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft het college [appellant sub 1], als huurder van het pand aan de [locatie 1] in Almere, een last onder dwangsom opgelegd wegens gebruik van dat pand voor begeleid wonen van (jong)volwassenen met een verstandelijke beperking. Bij besluiten van 6 mei 2024 heeft het college [appellant sub 1], als huurder van het pand aan de [locatie 2] in Almere, en [appellant sub 2A], als (mede-)eigenaar van dat pand, elk een last onder dwangsom opgelegd wegens gebruik van dat pand voor begeleid wonen van (jong)volwassenen met een verstandelijke beperking. Volgens het college staat het ter plaatse geldende bestemmingsplan het gebruik van de panden voor begeleid wonen niet toe, zodat zich een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voordoet. Bijzondere omstandigheden om af te zien van handhavend optreden zijn er volgens het college niet. De rechtbank is het college hierin gevolgd.

3.       [appellant sub 1], [appellanten sub 2] zijn het hiermee niet eens en hebben daarom hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Dat het gebruik van de panden voor begeleid wonen niet is toegestaan op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, omdat dit gebruik niet is aan te merken als een verpleeghuis als bedoeld in de bij het bestemmingsplan behorende "Staat van Bedrijfsactiviteiten - Functiemenging", is in hoger beroep niet meer in geschil. Het geschil spitst zich in hoger beroep toe op de vraag of het college op grond van het vertrouwensbeginsel van handhavend optreden had moeten afzien.

Bespreking hoger beroepen

4.       [appellant sub 1], [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kunnen doen. Volgens hen heeft het college meermaals kenbaar gemaakt dat het gebruik van de panden aan de [locatie 1] en [locatie 2] voor begeleid wonen in overeenstemming was met het bestemmingsplan en mochten zij er daarom op vertrouwen dat daartegen niet handhavend zou worden opgetreden wegens strijd met het bestemmingsplan. Zij verwijzen hierbij naar een e-mail van 20 juli 2021, een brief van 3 oktober 2022 en naar uitlatingen van het college op een hoorzitting in bezwaar op 14 december 2022.

4.1.    Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.

4.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant sub 1], [appellanten sub 2] in deze handhavingsprocedures geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kunnen doen. Aan de door hen genoemde e-mail, brief en hoorzitting in bezwaar konden zij, om de hierna genoemde redenen, niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat het gebruik van de panden aan de [locatie 1] en [locatie 2] waarop de opgelegde lasten betrekking hebben in overeenstemming was met het bestemmingsplan.

4.3.    In de e-mail van 20 juli 2021, afkomstig van een ambtenaar van de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente Almere, is, in reactie op een e-mail van [appellant sub 1] van 4 juli 2021, vermeld dat 24-uurszorg kan worden aangemerkt als een verpleeghuis dat is toegestaan op grond van het bestemmingsplan en dat het dus mogelijk is om dit te vestigen aan de [locatie 1]. Nergens in deze e-mail geeft de betrokken ambtenaar echter aan wat daarbij volgens hem onder 24-uurszorg moet worden verstaan, een begrip dat niet afkomstig is uit het bestemmingsplan en zo algemeen is dat het zich zonder nadere beschrijving niet leent voor een eenduidige uitleg. De ambtenaar laat zich in de e-mail van 20 juli 2021 ook niet uit over de vraag of het gebruik van het pand aan de [locatie 1] door [appellant sub 1] voor begeleid wonen kon worden aangemerkt als 24-uurszorg. Het is uitsluitend [appellant sub 1] zelf die in de e-mail van 4 juli 2021, naar aanleiding van een vraag van de ambtenaar over de mate van zorg bij het begeleid wonen, zonder nadere onderbouwing stelt dat het gaat om 24-uurszorg. [appellant sub 1] kon er op grond van de e-mail van 20 juli 2021 niet van uitgaan dat zijn kwalificatie van het begeleid wonen als 24-uurszorg door de betrokken ambtenaar werd onderschreven en kon aan die e-mail dus niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat dit gebruik van het pand was toegestaan op grond van het bestemmingsplan. De uitlatingen van de ambtenaar in de e-mail waren daarvoor onvoldoende concreet.

4.4.    De brief van 3 oktober 2022 is een (aan [appellant sub 1] toegezonden kopie van een) besluit tot afwijzing van een verzoek om handhaving van [partij] en anderen tegen het gebruik van het pand aan de [locatie 1] voor begeleid wonen. In dit besluit stelt het college zich op het standpunt dat sprake is van op grond van het bestemmingsplan toegestane maatschappelijke zorg, omdat het gaat om een zorgwoning met 24-uursbegeleiding. [appellant sub 1] kon hieraan echter niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat niet handhavend zou worden opgetreden. [appellant sub 1] had rekening moeten houden met de mogelijkheid dat, zoals is gebeurd, [partij] en anderen bezwaar zouden maken tegen het besluit van 3 oktober 2022 en het college gedurende de behandeling van dat bezwaar tot een ander oordeel zou komen over de uitleg van het bestemmingsplan. Een andere opvatting, waarbij de onjuiste uitleg van het bestemmingsplan in het besluit van 3 oktober 2022 betekenis zou behouden via het vertrouwensbeginsel, zou afbreuk doen aan de in de Algemene wet bestuursrecht neergelegde mogelijkheid voor [partij] en anderen om tegen dat besluit rechtsmiddelen in te stellen.

4.5.    De hoorzitting op 14 december 2022 ging over een bezwaar van [appellanten sub 2] tegen een eerder opgelegde last onder dwangsom wegens het in strijd met het bestemmingsplan splitsen van het pand aan de [locatie 2] in meerdere woningen. Tijdens deze hoorzitting heeft het college opgemerkt dat er bij gebruik van het pand voor maatschappelijke zorg/woonzorg geen strijd zou zijn met het bestemmingsplan, zij het dat dan nog steeds een omgevingsvergunning voor bouwen nodig zou zijn. Na de hoorzitting is die omgevingsvergunning aangevraagd, wat voor het college aanleiding is geweest om de last in te trekken. Tegen die intrekking hebben [partij] en anderen bezwaar gemaakt.

Om dezelfde reden als hiervoor is vermeld bij het besluit van 3 oktober 2022 kunnen de uitlatingen van het college tijdens de hoorzitting op 14 december 2022 niet leiden tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. De last waarover de hoorzitting ging, was opgelegd naar aanleiding van een verzoek om handhaving van [partij] en anderen. [appellanten sub 2] hadden er rekening mee moeten houden dat [partij] en anderen, als verzoekers om handhaving, het niet eens zouden zijn met de tijdens de hoorzitting door het college gegeven uitleg aan het bestemmingsplan en dat het college naar aanleiding van hun bezwaar tegen de intrekking van de last tot een andere uitleg zou komen.

4.6.    Voor zover [appellant sub 1], [appellanten sub 2] hebben gesteld dat er meer uitlatingen van het college zijn geweest die bij hen het vertrouwen hebben gewekt dat gebruik van de panden aan de [locatie 1] en [locatie 2] voor begeleid wonen was toegestaan op grond van het bestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat zij andere uitlatingen dan hiervoor besproken niet aannemelijk hebben gemaakt.

Het betoog faalt.

Conclusie

5.       De hoger beroepen zijn ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Van Grinsven
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026

462


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon