Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202405369/1/V2

Uitspraak 202405369/1/V2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5981
Datum uitspraak
8 oktober 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 24 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202405369/1/V2.
Datum uitspraak: 8 oktober 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 19 augustus 2024 in zaak nr. NL24.22883 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 19 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.M.J. van Zantvoort, advocaat in 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Op verzoek van de Afdeling hebben de minister en appellant nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 4 september 2025 heeft de minister het besluit van 24 mei 2024 ingetrokken.

Bij brief van 4 september 2025 heeft appellant de Afdeling meegedeeld dat hij het door hem ingestelde hoger beroep niet intrekt en dat het zich nu richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 24 juni 2023.

Overwegingen

1.       Omdat de minister het besluit van 24 mei 2024 heeft ingetrokken, heeft appellant geen belang meer bij een beoordeling van het hoger beroep dat is gericht tegen de uitspraak op het tegen dat besluit ingestelde beroep.

1.1.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

2.       De brief van appellant van 4 september 2025 merkt de Afdeling, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, aan als een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit dat ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8849, onder 3.

2.1.    De minister heeft bij het besluit van 4 september 2025 volstaan met intrekking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag en niet opnieuw een besluit op de aanvraag genomen. Ongeacht welke beslistermijn geldt, heeft hij dus niet binnen vijftien maanden na indiening van de aanvraag van 24 juni 2023 een besluit genomen. Dat heeft de minister ook erkend. Omdat de minister ermee bekend was dat hij, na de intrekking van het besluit van 24 mei 2024 niet tijdig een besluit had genomen kon, gelet op artikel 6:12, derde lid, van de Awb, redelijkerwijs niet van appellant worden verwacht dat hij voorafgaand aan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit de minister in gebreke stelde. Vergelijk de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2013, onder 3.1.

3.       Het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 24 juni 2023 is gegrond. De Afdeling vernietigt dit met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. Zij ziet aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:55d, derde lid, van de Awb en in dit specifieke geval de termijn, waarbinnen de minister een nieuw besluit moet nemen en bekend moet maken, vast te stellen op acht weken. Daarbij betrekt de Afdeling de veranderde veiligheidssituatie in Ethiopië. De Afdeling bepaalt verder met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat de minister een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat hij in gebreke blijft om de uitspraak na te leven. De Afdeling stelt de hoogte van de dwangsom vast op € 100,00 per dag, met een maximum van € 15.000,00. De minister moet de in verband met het beroep gemaakte proceskosten vergoeden. Het beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II.       verklaart het beroep gericht tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit gegrond;

III.      vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

IV.      draagt de minister van Asiel en Migratie op om binnen acht weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag van appellant te nemen en op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V.       bepaalt dat de minister van Asiel en Migratie aan appellant een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100,00 per dag bedraagt, met een maximum van € 15.000,00;

VI.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.

w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Toonen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026

979


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon