Uitspraak BRS.25.001022
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5951
- Datum uitspraak
- 9 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 21 november 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellanten verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd, ingetrokken.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.25.001022
ECLI:NL:RVS:2026:5951
Datum uitspraak: 9 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant A], [appellant B], mede voor hun minderjarige kinderen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 9 juli 2025 in zaak nr. NL24.11720 in het geding tussen:
[appellanten]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 21 november 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellanten verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd, ingetrokken.
Bij besluit van 22 februari 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard en de minister veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 500,00 wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. R. Dhalganjansing, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellanten vormen een gezin en hebben de Vietnamese nationaliteit. De minister heeft de man (appellant 1) met ingang van 1 augustus 2018 tot 1 augustus 2023 een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ verleend. Aan zijn vrouw en hun kinderen heeft de minister verblijfsvergunningen regulier onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij appellant 1 verleend. De minister heeft de verblijfsvergunning van appellant 1 ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2018, omdat appellant 1 niet als kennismigrant heeft gewerkt en daarom niet voldeed aan de beperking waaronder deze vergunning aan hem was verleend. De minister heeft de aan de vrouw en kinderen verleende verblijfsvergunningen ingetrokken, omdat zij een van appellant 1 afgeleid verblijfsrecht hebben.
1.1. Appellanten hebben op 19 december 2019 bezwaar gemaakt. Van begin januari 2020 tot en met eind februari 2023 heeft de bezwaarprocedure stilgelegen, omdat appellanten van gemachtigde hebben gewisseld en zij de mogelijkheid hadden gekregen tot het aanvullen van de gronden van bezwaar. Op 20 maart 2023 heeft de minister een besluit op het bezwaar genomen. Dat besluit heeft hij op 12 september 2023 ingetrokken. Op 22 februari 2024 heeft de minister een nieuw besluit op bezwaar genomen. De rechtbank heeft bij de uitspraak van 9 juli 2025 op het beroep daartegen beslist.
Grief 1
2. De eerste grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.1. De eerste grief gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 6 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2285, onder 2.1 tot en met 5.1, over intrekking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht). Deze grief biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
2.2. Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Grief 2
3. De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de redelijke termijn met vier maanden is overschreden en dat er geen aanleiding bestaat om appellanten ieder afzonderlijk een schadevergoeding van € 500,00 toe te kennen, omdat de vrouw en kinderen een van appellant 1 afgeleid verblijfsrecht hadden en appellanten gezamenlijk één bezwaarschrift en één beroepschrift hebben ingediend.
3.1. De rechtbank heeft overwogen dat de redelijke termijn ten tijde van de rechtbankuitspraak met drie jaar en ruim zes maanden is overschreden. Een periode van drie jaar en twee maanden komt volgens de rechtbank voor rekening van appellanten, omdat de bezwaarprocedure van begin januari 2020 tot en met eind februari 2023 stil heeft gelegen wegens het wisselen van gemachtigde en de mogelijkheid tot het aanvullen van de gronden van bezwaar. Zij is tot de slotsom gekomen dat de redelijke termijn met ruim vier maanden is overschreden.
3.2. Appellanten betogen tevergeefs dat de termijnoverschrijding niet deels voor hun rekening komt, omdat de minister het eerder genomen besluit op bezwaar van 20 maart 2023 voor de zitting bij de rechtbank op 12 september 2023 heeft ingetrokken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, kunnen bijzondere omstandigheden, zoals het processuele gedrag van appellanten, aanleiding zijn tot verlenging van de redelijke termijn. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5422, onder 22. De minister heeft het besluit op bezwaar weliswaar ingetrokken op 12 september 2023, maar dat neemt niet weg dat de bezwaarprocedure daarvoor, van begin januari 2020 tot en met eind februari 2023, door appellanten heeft stilgelegen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de periode van drie jaar en twee maanden voor risico van appellanten komt.
3.3. Appellanten betogen ten tweede dat zij alle vier recht hebben op schadevergoeding. De rechtbank heeft de schade berekend voor één individu, wat niet gelijk staat aan de schade voor een heel gezin met minderjarigen. Appellanten voeren aan dat zij ieder individueel getroffen zijn door de overschrijding van de redelijke termijn.
3.4. Dit betoog slaagt. Het uitgangspunt is dat schade als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn op individuele basis wordt bepaald en dat spanning en frustratie worden verondersteld. Niet aannemelijk is dat het gezamenlijk procederen van gezinsleden in een reguliere vreemdelingenzaak leidt tot een matigende invloed op de ervaren mate van ongemak, spanning en onzekerheid. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO2684, onder 2.4. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, vormen de omstandigheden dat appellanten één bezwaarschrift en één beroepschrift hebben ingediend en dat de gezamenlijk gevoerde procedure primair gaat over intrekking van de aan appellant 1 verleende verblijfsvergunning, waarvan zijn vrouw en de kinderen een afgeleid verblijfsrecht hadden, onvoldoende grond om niet per persoon afzonderlijk te komen tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
3.5. De grief slaagt.
4. De tweede grief roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
Conclusie hoger beroep
5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij appellanten niet afzonderlijk een schadevergoeding van € 500,00 heeft toegekend. De Afdeling bevestigt de uitspraak voor het overige. De minister moet de proceskosten vergoeden.
5.1. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Afdeling het verzoek om schadevergoeding van appellanten afzonderlijk op grond van overschrijding van de redelijke termijn zal toewijzen tot een bedrag van € 500,00 per persoon, volledig toe te rekenen aan de minister.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 9 juli 2025, in zaak nr. NL24.11720, voor zover zij de minister heeft veroordeeld tot betaling aan appellanten van een schadevergoeding van € 500,00;
III. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie om aan appellanten een schadevergoeding van in totaal € 2.000,00 te betalen;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de minister van Asiel en Migratie aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 289,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2026
307-1169