Uitspraak 202602968/1/A3 en 202602968/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5954
- Datum uitspraak
- 9 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 3 augustus 2026 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar de aanvraag van [appellante] voor een briefadres op het adres van de gemeente Alkmaar afgewezen. [appellante] woont vanaf het voorjaar van 2026 op [locatie] in Alkmaar. Zij mag daar tijdelijk verblijven tot mei 2027, maar mag zich van de hoofdbewoner niet op dit adres inschrijven in de basisregistratie personen. [appellante] heeft het college daarom verzocht om een briefadres op het adres van de gemeente Alkmaar in de basisregistratie personen op te nemen. Dat is volgens haar nodig voor haar zorgverzekering en om een bijstandsuitkering te kunnen krijgen. Het college heeft haar verzoek afgewezen. Het college neemt op grond van artikel 2.23 van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) alleen een briefadres op als een woonadres ontbreekt. Die situatie doet zich niet voor, omdat [appellante] een woonadres heeft. Het college ziet ook geen reden om de hardheidsclausule uit de Regeling briefadres van de gemeente Alkmaar 2017 toe te passen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Basisregistratie
Toon inhoud
202602968/1/A3 en 202602968/2/A3.
Datum uitspraak: 9 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Alkmaar,
appellante,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 17 september 2026 in zaken nrs. 26/3893 en 26/4051 in de gedingen tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar.
Procesverloop
Bij besluit van 3 augustus 2026 heeft het college de aanvraag van [appellante] voor een briefadres op het adres van de gemeente Alkmaar afgewezen.
Bij besluit van 17 augustus 2026 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 september 2026 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [appellante] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend. De stukken die [appellante] na zitting heeft ingediend, heeft de Afdeling teruggestuurd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting op 1 oktober 2026 behandeld, waar het college, vertegenwoordigd door B. Schellingerhout en B. Wardenaar, is verschenen. [appellante] heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter heeft gelezen en gehoord dat [appellante] liever niet wil dat de zaak wordt ‘kortgesloten’. De reden die ze daarvoor noemt is dat ze wil dat het allemaal goed verloopt en dat bij de rechtbank het onderzoek in haar ogen te vroeg gesloten is. Dat is onvoldoende om af te zien van kortsluiten. Als de zaak helder is, kan de voorzieningenrechter nu eenmaal ook uitspraak doen in de hoofdzaak.
Inleiding
2. [appellante] woont vanaf het voorjaar van 2026 op [locatie] in Alkmaar. Zij mag daar tijdelijk verblijven tot mei 2027, maar mag zich van de hoofdbewoner niet op dit adres inschrijven in de basisregistratie personen. [appellante] heeft het college daarom verzocht om een briefadres op het adres van de gemeente Alkmaar in de basisregistratie personen op te nemen. Dat is volgens haar nodig voor haar zorgverzekering en om een bijstandsuitkering te kunnen krijgen. Het college heeft haar verzoek afgewezen. Het college neemt op grond van artikel 2.23 van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) alleen een briefadres op als een woonadres ontbreekt. Die situatie doet zich niet voor, omdat [appellante] een woonadres heeft. Het college ziet ook geen reden om de hardheidsclausule uit de Regeling briefadres van de gemeente Alkmaar 2017 toe te passen (de Regeling briefadres).
Waarom is [appellante] het niet met de rechtbank eens?
3. [appellante] betoogt - kort samengevat - dat de rechtbank ten onrechte voorbijgaat aan haar persoonlijke situatie. De rechtbank heeft zich geen rekenschap gegeven van het feit dat de hoofdbewoner haar geen toestemming geeft om zich op zijn adres in te schrijven. Als zij dat toch doet, zal zij onmiddellijk dakloos worden. Dit is volgens haar niet evenredig en had ook reden moeten zijn om de hardheidsclausule toe te passen. De rechtbank heeft dat niet onderkend, aldus [appellante].
Beoordeling van het hoger beroep
4. Het doel van de Wet brp is dat de in de brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop moeten in de brp gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene worden geregistreerd. Op grond van artikel 2.23 van de Wet brp is het alleen mogelijk je met een briefadres te registreren als een woonadres ontbreekt. Het gelijktijdig hebben van een woonadres en briefadres is niet mogelijk. Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2064), onder 3.1.
5. [appellante] heeft tot mei 2027 een woonadres op [locatie] in Alkmaar, zodat het niet mogelijk is om een briefadres in de brp op te nemen. Het besluit om al dan niet op grond van artikel 2.23 van de Wet brp een briefadres op te nemen, is een besluit waarbij het college uitsluitend een beoordeling geeft over de feiten en waar geen ruimte bestaat voor een belangenafweging. Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5023), onder 7. Binnen het kader van de wet is er op dit punt geen ruimte om vanwege onevenredigheid anders te beslissen.
6. In de Regeling briefadres is in artikel 8 wel een hardheidsclausule opgenomen. In dat artikel staat dat als vanwege bijzondere omstandigheden een strikte toepassing van het bepaalde in de regeling zou leiden tot een onbillijkheid, daarvan afgeweken kan worden. Aangezien artikel 2.23 van de Wet brp geen ruimte biedt om op andere dan de in dat artikel genoemde gronden een briefadres toe te kennen, is de hardheidsclausule in de Regeling briefadres zogeheten tegenwettelijk begunstigend beleid.
7. Tegenwettelijk beleid wordt als een gegeven aanvaard en wordt dus niet exceptief getoetst aan hoger geschreven recht, algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel. De reden daarvoor is dat het bestuursorgaan, met het oog op een evenredige uitkomst, met het voeren van tegenwettelijk beleid ervoor gekozen heeft om van het wettelijk voorschrift af te wijken ten gunste van een specifieke categorie of groep van gevallen. Als de bestuursrechter dit beleid zou toetsen aan het evenredigheidsbeginsel, zou dat ertoe kunnen leiden dat het beleid in modaliteit of toepassingsbereik voor bepaalde belanghebbenden onevenredig wordt geacht. Die uitkomst zou betekenen dat het bestuursorgaan, om te voldoen aan het evenredigheidsbeginsel, nog verder in strijd met het wettelijk voorschrift zou moeten handelen dan het al heeft gedaan. Het evenredigheidsbeginsel strekt niet zo ver dat het bestuursorgaan daartoe wordt gedwongen. Ook voor tegenwettelijk beleid geldt dat het bestuursorgaan verplicht is te handelen in overeenstemming met het beleid. De bestuursrechter zal daarom in de eerste plaats toetsen of het bestuursorgaan in het concrete geval het tegenwettelijk beleid juist heeft toegepast. Dit omvat de toets of het tegenwettelijk beleid in het voorliggende geval consistent is toegepast. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:700), onder 4.9.3 en volgende.
8. Het college heeft tijdens de zitting toegelicht in welke gevallen de hardheidsclausule wordt toegepast en alsnog een briefadres wordt opgenomen in de brp. Dat gebeurt alleen in de situatie dat iemand niet kan aantonen dat hij geen woonadres heeft, maar er wel aanknopingspunten zijn die erop wijzen dat iemand dakloos is en diegene dus geen woonadres heeft. Deze situatie doet zich in het geval van [appellante] niet voor, omdat zij een woonadres heeft. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het beleid in haar geval niet consistent wordt toegepast ten opzichte van andere gevallen. Op de zitting heeft het college toegelicht bekend te zijn met één situatie die nog enigszins op die van [appellante] leek, maar daar wist degene die een briefadres heeft gekregen precies duidelijk te maken wanneer die naar welk adres zou gaan. Daar ging het dus om een situatie van korte duur én zekerheid over wat daarna zou gebeuren. Dat laatste ligt bij [appellante] te zeer open om dat geval en haar geval op één lijn te stellen. Ook op dit punt ziet de voorzieningenrechter dus geen inconsistentie in de toepassing van de hardheidsclausule.
9. In de tweede plaats zal de bestuursrechter toetsen of het concrete bestreden besluit berust op een juiste wettelijke grondslag en niet in strijd is met hoger geschreven recht, algemene rechtsbeginselen en ander (on)geschreven recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Dit omvat ook de vraag of de fundamentele rechten waarop de betrokkene zich beroept niet zijn geschonden. Die toetsing geschiedt op dezelfde wijze als bij een besluit in het geval geen beleid van toepassing is. Dat het besluit is genomen in overeenstemming met tegenwettelijk beleid staat daaraan niet in de weg. Met het bestaan van het tegenwettelijk beleid wordt in het kader van deze toetsing namelijk geen rekening gehouden. Dat beleid wordt dus als het ware ‘weggedacht’. Toegespitst op de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel betekent dit dat de bestuursrechter zal beoordelen of in het concrete geval het dwingende wettelijke voorschrift waarvan met het tegenwettelijk beleid is afgeweken, buiten toepassing moet blijven wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. Is het tegenwettelijk beleid in strijd met een wet in formele zin, dan zal moeten worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Alleen als zulke omstandigheden zich voordoen, is er ruimte voor toetsing van het besluit aan het evenredigheidsbeginsel. Zie ook op dit punt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2025, onder 4.9.3.3 en 4.9.3.5.
10. Het feit dat [appellante] van de hoofdbewoner geen toestemming krijgt om zich op [locatie] in Alkmaar in te schrijven, is geen bijzondere omstandigheid die niet of niet ten volle is verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet brp (Kamerstukken II 2012/13, 33 219, nr. 6, blz. 67-69) volgt namelijk dat het woonadres in feitelijke zin wordt opgevat. De wetgever heeft er bewust voor gekozen dat het uitgangspunt van de Wet brp is dat de feitelijke situatie wordt vastgelegd, ongeacht of deze situatie wettelijk is toegestaan of gewenst is. De wetgever heeft overwogen: "De registratie daarvan [lees: het woonadres] dient dan ook plaats te vinden op basis van de feitelijke omstandigheden. Een andere benadering, waarbij registratie achterwege zou blijven indien de situatie wettelijk niet is toegestaan of onwenselijk wordt geacht, zou de doelstelling van de bevolkingsadministratie als informatiesysteem voor de gehele overheid fundamenteel aantasten." Gelet hierop is er in dit geval geen ruimte voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel.
11. De Afdeling ziet dat [appellante] zich in een lastige positie bevindt. Zij heeft meerdere stukken ingediend, ook na zitting, die over andere geschillen met onder andere de gemeente gaan. Deze procedure gaat alleen over haar aanvraag om een briefadres en in deze procedure krijgt zij geen gelijk, omdat de wet duidelijk is en het college de wet juist heeft toegepast. Op al het andere dat [appellante] heeft aangevoerd, kan de Afdeling niet ingaan. De Afdeling wijst [appellante] erop dat het niet nodig is om na deze uitspraak de Afdeling op de hoogte te houden over het handelen van de gemeente in andere procedures. Met deze uitspraak is er een einde gekomen aan het geschil over het opnemen van een briefadres.
Conclusie
12. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
Proceskosten
13. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
II. wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Meerman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2026