Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202406893/1/V2

Uitspraak 202406893/1/V2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5856
Datum uitspraak
5 oktober 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 22 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat appellant geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland heeft gehad. Appellant heeft de Bulgaarse nationaliteit. De minister heeft haar bezwaar tegen het besluit van 22 maart 2023 niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant het bezwaarschrift niet binnen de in artikel 69 van de Vw 2000 voorgeschreven termijn van vier weken heeft ingediend en deze overschrijding van de bezwaartermijn volgens de minister niet verschoonbaar is in de zin van artikel 6:11 van de Awb.
  • Hoger beroep
  • Vreemdelingenkamer - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202406893/1/V2.
Datum uitspraak: 5 oktober 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 17 oktober 2024 in zaak nr. NL23.24393 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat appellant geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland heeft gehad.

Bij besluit van 27 juli 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 17 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr  M. Wiersma, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

Inleiding

1.       Appellant heeft de Bulgaarse nationaliteit. De minister heeft haar bezwaar tegen het besluit van 22 maart 2023 niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant het bezwaarschrift niet binnen de in artikel 69 van de Vw 2000 voorgeschreven termijn van vier weken heeft ingediend en deze overschrijding van de bezwaartermijn volgens de minister niet verschoonbaar is in de zin van artikel 6:11 van de Awb.

Het hoger beroep

2.       Wat appellant in de eerste grief aanvoert over het oordeel van de rechtbank, dat het voornemen van 12 december 2022 en het besluit van 22  maart 2023 door toezending naar het adres van appellant op de juiste wijze bekend zijn gemaakt, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

3.       De tweede grief richt appellant tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, blijkt volgens appellant uit het verslag van 2 december 2022 dat is opgesteld in verband met een aanvraag van appellant om ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo-verslag) voldoende dat zij door haar psychische problemen niet in staat was, al dan niet met hulp van de mensen om haar heen, zoals haar familieleden of haar bewindvoerder, tijdig bezwaar te (laten) maken.

3.1.    Op 30 januari 2024 heeft de grote kamer van het CBb vier uitspraken gedaan over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding (ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33, ECLI:NL:CBB:2024:34). Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. Bijzondere omstandigheden bij de indiener kunnen persoonlijke omstandigheden of externe omstandigheden zijn. Als de indiener als gevolg van deze omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt van de termijnoverschrijding, kan de termijnoverschrijding niet aan de indiener worden toegerekend. Daarnaast is er ruimte om in gevallen waarin sprake is van een slechts geringe verwijtbaarheid met betrekking tot de termijnoverschrijding, deze niet aan de indiener toe te rekenen. Of sprake is van een geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Een indiener die niet bekend was met een besluit en dat redelijkerwijs ook niet kon zijn, is in ieder geval niet verwijtbaar te laat als hij een bezwaarschrift of beroepschrift indient binnen de daarvoor in de wet gestelde termijn nadat hij te weten is gekomen dat een besluit is genomen dat zijn belangen kan raken.

3.2.    Op basis van wat appellant naar voren heeft gebracht, is de Afdeling niet gebleken van bijstand door een professionele rechtsbijstandsverlener gedurende de bezwaartermijn. Appellant had toen wel een bewindvoerder, maar deze behartigde aanvankelijk alleen haar goederenrechtelijke belangen omdat er problematische schulden waren. Vanwege de taalbarrière verliep het contact met de bewindvoerder via een nichtje van appellant. Bij beschikking van 12 mei 2023 heeft de kantonrechter op verzoek van de bewindvoerder de grondslag van het bewind gewijzigd naar de lichamelijke of geestelijke toestand van appellant, omdat zij volgens een verklaring van de Wmo-adviseur niet in staat is haar eigen belangen te behartigen. De bewindvoerder is pas van het besluit van 22 maart 2023 op de hoogte geraakt, nadat de gemeente hem bij brief van 26 mei 2023 had bericht dat de bijstandsuitkering van appellant was stopgezet en hem uit navraag bij de gemeente was gebleken dat de reden daarvan is dat appellant niet rechtmatig in Nederland verblijft. De bewindvoerder heeft vervolgens op 13 juni 2023 alsnog bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 maart 2023.

3.3.    Naar het oordeel van de Afdeling zijn er in dit geval bijzondere omstandigheden die appellant betreffen, waardoor de termijnoverschrijding  verschoonbaar is. Tussen partijen staat niet ter discussie dat appellant ernstige psychische problemen heeft die ook juist in de periode dat de bezwaartermijn liep aanleiding zijn geweest om de grondslag van de bewindvoering te wijzigen. In het Wmo-verslag staat dat appellant zeer inactief en lusteloos is, last heeft van somberheids-, paniek- en angstklachten en ongecontroleerd agressief gedrag kan vertonen als zaken niet lopen zoals zij wil. Ook blijkt uit dit verslag dat de relatie tussen appellant en haar ouders, bij wie zij inwoont, vanwege haar problematiek onder druk staat. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, biedt dit verslag voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat appellant psychisch niet in staat was om tijdig bezwaar te (laten) maken. Er blijkt immers uit dat appellant door haar psychische problemen wordt belemmerd in haar dagelijks functioneren, geen overzicht heeft over wat er moet gebeuren en dat het haar meestal niet lukt om actie te ondernemen als een situatie daar wel om vraagt. Appellant is volgens het Wmo-verslag bijvoorbeeld niet zelf in staat om de hulp van haar begeleider in te schakelen. Zij heeft aansturing nodig vanuit een professional. Haar belemmeringen kunnen, zo staat in de conclusie van het verslag, niet worden opgelost door de inzet van haar sociaal netwerk, gebruikelijke zorg of voorliggende voorzieningen. Al met al blijkt uit dit verslag dat appellant niet tot nauwelijks zelfredzaam is en dat het haar directe omgeving niet lukt haar de nodige ondersteuning te bieden. Gelet hierop kon niet zonder meer van appellant worden verwacht dat zij de mensen om haar heen, zoals haar ouders, zou inschakelen om bezwaar te maken. Het voert te ver om, zoals de rechtbank heeft betrokken, van de ouders van appellant te verlangen dat zij daarvoor op hun beurt de hulp van derden hadden moeten inroepen. Onder deze omstandigheden kan appellant hooguit een gering verwijt worden gemaakt van de termijnoverschrijding.

3.4.    De Afdeling is daarnaast van oordeel dat het bezwaarschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als kon worden verlangd, nadat de bewindvoerder kennis kreeg van het besluit van 22 maart 2023 en hij naar de reden daarvan navraag moest doen.

3.5.    De grief slaagt.

Conclusie

4.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit  van 27 juli 2023. Omdat de minister een inhoudelijk besluit op het bezwaar moet nemen, is het niet nodig wat appellant verder in hoger beroep heeft aangevoerd te bespreken. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De minister moet de proceskosten vergoeden. Omdat in hoger beroep geen griffierecht is geheven, hoeft de minister alleen het griffierecht van het beroep te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 17 oktober 2024 in zaak nr. NL23.24393;

III.      verklaart het beroep gegrond;

IV.     vernietigt het besluit van 27 juli 2023, V-[...];

V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.     gelast dat de minister van Asiel en Migratie aan appellant het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.M. Willems, en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

w.g. Sevenster
voorzitter

w.g. Prins
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026

363-1183


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon