Uitspraak 202404787/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5849
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij brief, ingekomen op 17 september 2026, heeft [verzoekster] verzocht om wraking van staatsraad mr. A.B. Blomberg (de staatsraad) als lid van de meervoudige kamer belast met de behandeling van de zaak nr. 202404787/1/A3. [verzoekster] heeft aan haar verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de staatsraad eerder uitspraak heeft gedaan in een andere zaak waarin zij hoger beroep bij de Afdeling had ingesteld. Volgens [verzoekster] gaat het om een met zaak nr. 202404787/1/A3 nauw samenhangend geschil, omdat het hetzelfde geschilcomplex betreft en opnieuw raakt aan het handelen van het college van burgemeester en wethouders van Breda.
- Wraking
- Persoonsgegevens
Toon inhoud
202404787/2/A3.
Datum beslissing: 2 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek van:
[verzoekster], wonend in [woonplaats],
verzoekster,
om toepassing van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Procesverloop
Bij brief, ingekomen op 17 september 2026, heeft [verzoekster] verzocht om wraking van staatsraad mr. A.B. Blomberg (de staatsraad) als lid van de meervoudige kamer belast met de behandeling van de zaak nr. 202404787/1/A3.
De staatsraad heeft niet in de wraking berust.
De staatsraad heeft een schriftelijke reactie gegeven.
De Afdeling heeft het wrakingsverzoek ter zitting behandeld op 23 september 2026, waar [verzoekster] via een videoverbinding is verschenen. De staatsraad heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Overwegingen
1. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Als maatstaf geldt dat een staatsraad uit hoofde van zijn aanstelling wordt verondersteld onpartijdig te zijn en dat het aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die een uitzondering op deze veronderstelling rechtvaardigen.
Verzoek om wraking
3. [verzoekster] heeft aan haar verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de staatsraad eerder uitspraak heeft gedaan in een andere zaak waarin zij hoger beroep bij de Afdeling had ingesteld. Volgens [verzoekster] gaat het om een met zaak nr. 202404787/1/A3 nauw samenhangend geschil, omdat het hetzelfde geschilcomplex betreft en opnieuw raakt aan het handelen van het college van burgemeester en wethouders van Breda (het college). [verzoekster] wijst erop dat de staatsraad persoonlijk de zitting heeft geleid waarin het handelen van het college ter discussie stond en dat de staatsraad hier in de uitspraak een inhoudelijk oordeel over heeft gegeven. [verzoekster] benadrukt dat haar bezwaar niet is dat zij eerder door de staatsraad in het ongelijk is gesteld. Wel bestaat onder deze omstandigheden bij [verzoekster] de vrees dat de staatsraad in zaak nr. 202404787/1/A3 opnieuw over feiten of bestuurlijke handelwijzen moet oordelen waarover zij zich eerder al een inhoudelijk oordeel heeft gevormd. Vanwege de intensieve betrokkenheid van de staatsraad bij de eerdere zaak en de verwevenheid tussen de procedures, is volgens [verzoekster] de objectieve schijn van vooringenomenheid gewekt.
Reactie van de staatsraad
4. De staatsraad heeft in haar reactie op het wrakingsverzoek toegelicht dat het om twee verschillende kwesties gaat. Zij heeft als lid van de enkelvoudige kamer van de Omgevingskamer uitspraak gedaan in een geschil tussen [verzoekster] en het college over de afwijzing van haar handhavingsverzoek op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In een eerdere fase van de procedure over dat handhavingsverzoek heeft bij de gemeente een datalek plaatsgevonden. Naar aanleiding van dat datalek heeft [verzoekster] een aantal verzoeken op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) ingediend. In zaak nr. 202404787/1/A3 ligt de vraag voor of het college volledig op de AVG-verzoeken van [verzoekster] heeft beslist. Volgens de staatsraad hangt de aanleiding voor deze zaak weliswaar samen met de eerder door haar behandelde zaak, omdat het datalek plaatsvond in de handhavingsprocedure, maar is er inhoudelijk geen samenhang. Volgens de staatsraad blijkt hieruit niet de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid.
Beoordeling van het verzoek
5. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de schijn van vooringenomenheid is gewekt. Daarvoor is onvoldoende dat de staatsraad eerder als lid van de enkelvoudige kamer betrokken is geweest bij een geschil tussen [verzoekster] en het college. De Afdeling constateert dat er inhoudelijk geen samenhang bestaat tussen deze zaken, omdat het eerder een handhavingsverzoek op grond van de Wabo betrof en nu een AVG-verzoek. Weliswaar komt het AVG-verzoek voort uit het datalek dat heeft plaatsgevonden in de handhavingsprocedure, maar inhoudelijk zijn er geen juridische overeenkomsten. Er bestaat alleen daarom al geen aanleiding om te veronderstellen dat de staatsraad zich al een inhoudelijk oordeel heeft gevormd over de behandeling van zaak nr. 202404787/1/A3. Er is dan ook geen sprake van een bijzondere omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de objectieve schijn van vooringenomenheid is gewekt.
Conclusie
6. Gelet op het voorgaande, oordeelt de Afdeling dat [verzoekster] geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De Afdeling wijst het verzoek om wraking daarom af.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzitter, en mr. H.J.M. Besselink en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.
w.g. Meijer
voorzitter
w.g. Huizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026
987