Uitspraak 202601477/2/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5846
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 24 maart 2026 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag het Definitief plaatsingsplan ondergrondse restafvalcontainers Bezuidenhout-Oost (buurt 66) Haagse Hout, Den Haag vastgesteld. Daarbij is onder meer de locatie 66-59, ter hoogte van de [locatie] aangewezen voor de plaatsing van een ondergrondse restafvalcontainer (ORAC). [verzoeker] woont tegenover de locatie die is aangewezen voor de ORAC. Hij vreest met name aantasting van zijn uitzicht en geuroverlast van de ORAC.
- Voorlopige voorziening
- Afval
Toon inhoud
202601477/2/R1.
Datum uitspraak: 2 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend in Den Haag,
verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 24 maart 2026 heeft het college het Definitief plaatsingsplan ondergrondse restafvalcontainers Bezuidenhout-Oost (buurt 66) Haagse Hout, Den Haag vastgesteld. Daarbij is onder meer de locatie 66-59, ter hoogte van de [locatie] aangewezen voor de plaatsing van een ondergrondse restafvalcontainer (ORAC).
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld, voor zover daarbij locatie 66-59 is aangewezen.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op een zitting op 17 september 2026, waar [verzoeker] en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M. Buijs en M.E. Wassenaar, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en niet bindend in de bodemprocedure.
2. [verzoeker] woont tegenover de locatie die is aangewezen voor de ORAC. Hij vreest met name aantasting van zijn uitzicht en geuroverlast van de ORAC.
3. Bij de keuze van een locatie voor een ORAC moet het college een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. Ter invulling van die beleidsruimte kan het college uitgangspunten vaststellen waaraan locaties voor een ORAC moeten voldoen.
De Afdeling beoordeelt in de bodemprocedure, aan de hand van de beroepsgronden, of het college de locatie in overeenstemming met het eigen beleid heeft aangewezen. Ook beoordeelt de Afdeling in de bodemprocedure of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Die beoordeling van de Afdeling kan ook betrekking hebben op nadelen die inherent zijn aan het gekozen inzamelsysteem, zoals geluid- en geurhinder van het gebruik van een ORAC, toeneming van verkeer van en naar een ORAC en (verkeers)hinder die gepaard gaat met het legen van een ORAC. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt echter dat die gevolgen onder normale omstandigheden niet aan aanwijzing van een locatie in de weg hoeven staan. Daarbij is van belang dat geluid- en geurhinder door de constructie van ORAC’s en door het regelmatig legen en schoonmaken zoveel mogelijk worden voorkomen. Ook is van belang dat de verkeersaantrekkende werking in het algemeen beperkt is en dat het legen van ORAC’s maar van korte duur is. Alleen locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden kunnen maken dat het college in de gevolgen daarvan reden had moeten zien om de desbetreffende locatie niet aan te wijzen.
4. Het college heeft een belang bij de uitvoering van het aanwijzingsbesluit. Het college heeft toegelicht dat zij in de week van 5 oktober 2026 gaat beginnen met de uitvoering. Gelet hierop en omdat niet gebleken is van de aanwezigheid van locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden die in dit geval aan de aanwijzing van de desbetreffende locatie in de weg zouden staan, ziet de voorzieningenrechter geen rechtvaardiging om in afwachting van de behandeling van de zaak in de bodemprocedure een voorlopige voorziening te treffen.
5. Gelet hierop wordt het verzoek afgewezen.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Van Helvoort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026
361