Uitspraak BRS.26.004787
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5839
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 15 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.004787
ECLI:NL:RVS:2026:5839
Datum uitspraak: 2 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 3 september 2026 in zaak nr. NL25.51271 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 15 oktober 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.
Bij uitspraak van 3 september 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat betrokkene internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus geniet en dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit en de minister opgedragen om binnen een periode van 90 dagen na de uitspraak aan betrokkene een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig de vluchtelingenstatus te verstrekken.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2. Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
schorst bij wijze van voorlopige voorziening de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 3 september 2026 in zaak
nr. NL25.51271, totdat de Afdeling op het door de minister van Asiel en Migratie ingestelde hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Den Heyer
voorzieningenrechter
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026
392