Uitspraak 202600392/2/A3, 202600393/2/A3, 202600394/2/A3, 202600395/2/A3, 202600396/2/A3, 202600397/2/A3, 202600399/2/A3 en 202600401/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5767
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- De minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de vertrouwelijke versie van de presentatie en de e-mail kennis zal nemen. De gewichtige reden voor het gedeeltelijk niet verstrekken van de presentatie is volgens de minister dat de betrekkingen van Nederland met andere landen en internationale organisaties kunnen worden geschaad als de weggelakte informatie wordt verstrekt. Uit het e-mailbericht bericht volgt dat EASA erop rekent dat de minister deze informatie vertrouwelijk behandelt. Van dit e-mailbericht heeft de minister de namen en telefoonnummers weggelakt om de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen te beschermen.
- Geheimhoudingsbeslissing
- Openbaarheid
Toon inhoud
202600392/2/A3, 202600393/2/A3, 202600394/2/A3, 202600395/2/A3, 202600396/2/A3, 202600397/2/A3, 202600399/2/A3 en 202600401/2/A3.
Datum beslissing: 1 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de hoger beroepen van:
1. 202600392/2/A3
[appellant sub 1], wonend in [woonplaats] (Bahrein),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 december 2025 in zaak nr. 24/4795 in het geding tussen:
[appellant sub 1]
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
2. 202600393/2/A3
[appellant sub 2], wonend in [woonplaats] (Oman),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 december 2025 in zaak nr. 24/4613 in het geding tussen:
[appellant sub 2]
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
3. 202600394/2/A3
[appellant sub 3], wonend in [woonplaats] (Verenigde Arabische Emiraten),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 december 2025 in zaak nr. 24/4683 in het geding tussen:
[appellant sub 3]
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
4. 202600395/2/A3
[appellant sub 4], wonend in [woonplaats] (verenigde Arabische Emiraten),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 december 2025 in zaak nr. 24/4690 in het geding tussen:
[appellant sub 4]
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
5. 202600396/2/A3
[appellant sub 5], wonend in [woonplaats] (Verenigde Arabische Emiraten),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 december 2025 in zaak nr. 24/4879 in het geding tussen:
[appellant sub 5]
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
6. 202600397/2/A3
[appellant sub 6], wonend in [woonplaats] (Verenigde Arabische Emiraten),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 december 2025 in zaak nr. 24/4809 in het geding tussen:
[appellant sub 6]
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
7. 202600399/2/A3
[appellant sub 7], wonend in [woonplaats] (Bahrein),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 december 2025 in zaak nr. 24/4564 in het geding tussen:
[appellant sub 7]
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
8. 202600401/2/A3
[appellant sub 8], wonend in [woonplaats] (Oman),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 december 2025 in zaak nr. 24/4674 in het geding tussen:
[appellant sub 8]
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Procesverloop
[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7] en [appellant sub 8] (hierna: de monteurs) hebben ieder hoger beroep ingesteld tegen de onderscheidenlijke uitspraken van de rechtbank Den Haag op hun eigen beroepen van 23 december 2025 in zaak nrs. 24/4795, 24/4613, 24/4683, 24/4690, 24/4879, 24/4809, 24/4564 en 24.4674.
De minister heeft de vertrouwelijke versie van één gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk.
Het gaat om de vertrouwelijke versie van een presentatie van de European Union Aviation Safety Agency (EASA) aan de lidstaten en een e-mail van 27 juni 2025 van EASA.
De monteurs hebben een reactie gegeven.
Overwegingen
1. In deze zaken heeft de minister de toestemmingen voor het onderhouden van vliegtuigen door de monteurs geschorst.
2. De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de vertrouwelijke versie van de presentatie en de e-mail kennis zal nemen. De gewichtige reden voor het gedeeltelijk niet verstrekken van de presentatie is volgens de minister dat de betrekkingen van Nederland met andere landen en internationale organisaties kunnen worden geschaad als de weggelakte informatie wordt verstrekt. Uit het e-mailbericht bericht volgt dat EASA erop rekent dat de minister deze informatie vertrouwelijk behandelt. Van dit e-mailbericht heeft de minister de namen en telefoonnummers weggelakt om de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen te beschermen.
3. De reactie van de monteurs is dat zij de Afdeling geen toestemming geven om de vertrouwelijke versie van de presentatie en het e-mailbericht te betrekken bij haar oordeel over de hoger beroepen.
4. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
5. De Afdeling heeft kennisgenomen van de vertrouwelijke versie van de presentatie en het e-mailbericht.
De niet-verstrekte pagina’s van de presentatie bevatten informatie over een onderzoek dat de EASA heeft gedaan onder de lidstaten van de Europese Unie naar misstanden bij het onderhoud van vliegtuigen en hoe daartegen kan worden opgetreden. Als deze informatie tegen de wens van de EASA zou worden gegeven aan de monteurs, zou dat de verhouding met de EASA en de andere lidstaten (kunnen) verslechteren. De Afdeling oordeelt dat het belang van een goede verstandhouding in dit geval zwaarder weegt dan het belang van de monteurs om kennis te nemen van de niet-verstrekte pagina’s. Daarbij speelt mee dat het voor de lidstaten en de EASA mogelijk moet zijn om vertrouwelijk informatie uit te wisselen. De monteurs worden niet onaanvaardbaar gehinderd in hun procespositie omdat de resultaten van het onderzoek zelf voor hun geschil niet van belang zijn. Voor zover uit de pagina’s een inhoudelijk standpunt kan worden gehaald, kennen zij dat bovendien omdat dit overeenkomt met het standpunt van de minister in zijn besluiten.
In het e-mailbericht heeft de minister de persoonsgegevens van medewerkers van de EASA en de Inspectie Leefomgeving en Transport weggelakt. Verstrekking van deze gegevens zou de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen (kunnen) aantasten. De Afdeling oordeelt dat het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het belang van de monteurs om deze persoonsgegevens te kennen. Daarbij weegt mee dat de monteurs deze persoonsgegevens in dit geval niet nodig hebben om hun standpunten naar voren te brengen in hun zaken.
6. De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door C.J. Borman, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer
w.g. Van Tuyll van Serooskerken
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026
290