Uitspraak BRS.25.000697
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5603
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.000697
ECLI:NL:RVS:2026:5603
Datum uitspraak: 29 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de hoger beroepen van:
1. de minister van Asiel en Migratie
2. [appellant],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 14 mei 2025 in zaak nr. NL24.28982 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij besluit van 24 december 2024 heeft de minister de aanvraag van betrokkene ingewilligd.
Bij uitspraak van 14 mei 2025 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard en de minister veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van € 907,00.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. N.M. Weteling, advocaat in Oss, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene heeft op 20 maart 2023 een asielaanvraag ingediend. Zij heeft de minister op 25 juni 2024 in gebreke gesteld via het Portaal voor Advocaten (Advocatenportaal). De minister heeft de ontvangst van de ingebrekestelling op 26 juni 2024 bevestigd. In de ontvangstbevestiging staat dat de ingebrekestelling niet geldig is en niet in behandeling wordt genomen als deze per e-mail of een ander digitaal kanaal is ingediend. De minister heeft gewezen op de mogelijkheid om de ingebrekestelling per post op te sturen met vermelding van zijn postadres. Vervolgens heeft betrokkene op 19 juli 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar asielaanvraag. Nadien heeft zij op 30 juli 2024 nog een ingebrekestelling per post ingediend. De minister heeft de ontvangst daarvan op 31 juli 2024 bevestigd. De minister heeft vervolgens de asielaanvraag ingewilligd op 24 december 2024.
1.1. Deze uitspraak gaat over de vraag of betrokkene de minister op 25 juni 2024 op een geldige wijze in gebreke heeft gesteld via het Advocatenportaal. Tussen juni 2022 en mei 2024 was het voor advocaten in asielzaken mogelijk om de minister per post of digitaal via e-mail, het Advocatenportaal, MijnOverheid en per fax in gebreke te stellen. Met uitzondering van verzending van ingebrekestellingen per post en fax heeft de minister vanaf mei 2024 alle andere wijzen van indiening gesloten. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de via het Advocatenportaal ingediende ingebrekestelling van betrokkene niet op de juiste wijze is ingediend en daarom ongeldig is.
1.2. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold voor de inwerkingtreding van de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer op 1 januari 2026.
Oordeel van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is, omdat de minister inmiddels een besluit heeft genomen. Zij heeft de minister veroordeeld in de proceskosten, omdat de omstandigheid dat betrokkene hem via het Advocatenportaal in gebreke heeft gesteld niet maakt dat de ingebrekestelling ongeldig is. De minister had deze ingebrekestelling dan ook niet kunnen weigeren.
2.1. De rechtbank heeft daarover overwogen dat uit de facultatieve aard van artikel 2:15, eerste lid, van de Awb volgt dat een bestuursorgaan een eenmaal geopende weg voor digitaal verkeer ook weer kan sluiten. Dat ligt gelet op de strekking van dit artikel echter niet voor de hand. Uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat het openen van een elektronische weg een bijdrage levert aan een toegankelijke en beter presterende overheid. Met het sluiten doet een bestuursorgaan een stap terug. Daarom moet een bestuursorgaan het sluiten deugdelijk motiveren. Dat heeft de minister volgens de rechtbank niet gedaan. De minister heeft toegelicht dat hij door de veelheid aan kanalen ingebrekestellingen soms pas laat ontdekte. Dat probleem deed zich volgens de minister in het bijzonder voor bij het Advocatenportaal waar ingebrekestellingen tegelijk met andere stukken werden ingediend. Echter, ook met fax- of postverkeer kan zich de situatie voordoen dat ingebrekestellingen samen met andere stukken worden verzonden. Daarbij heeft de minister niet onderzocht of hij met minder verstrekkende maatregelen kon volstaan, aldus de rechtbank.
Hoger beroep van de minister
3. De minister klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank hem ten onrechte heeft veroordeeld in de proceskosten. Hij voert aan dat hij het sluiten van de digitale kanalen wel deugdelijk heeft gemotiveerd. De vergelijking met de post en fax gaat niet op. Verder betoogt de minister dat hij in feite, in lijn met de tweede volzin van artikel 2:15, eerste lid, van de Awb, nadere eisen heeft gesteld aan correspondentie via de elektronische weg met het oog op een ordelijke en efficiënte behandeling van berichten. Zo heeft de minister daaraan de voorwaarde willen verbinden dat elektronisch verkeer beveiligd en via één kanaal moet plaatsvinden door middel van Zivver. Dat is inmiddels gerealiseerd.
Oordeel van de Afdeling
Het sluiten van het Advocatenportaal
4. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2:15 van de Awb dat het openstellen van de elektronische weg van facultatieve aard is. Elektronisch verkeer met een bestuursorgaan is alleen mogelijk als het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg openstaat. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat uit de facultatieve aard van artikel 2:15 van de Awb logischerwijs ook voortvloeit dat een bestuursorgaan een geopende elektronische weg weer kan sluiten. Zij heeft echter ten onrechte getoetst of de minister het sluiten van het Advocatenportaal van een deugdelijke motivering heeft voorzien.
4.1. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2:15 van de Awb volgt dat het uitgangspunt is dat betrokkenen niet kunnen worden gedwongen om gebruik te maken van de elektronische weg. Elektronisch verkeer wordt in de Awb niet verplicht voorgeschreven. De facultatieve aard van artikel 2:15 van de Awb biedt bestuursorganen en burgers de ruimte om te beoordelen of en onder welke nadere condities op hun terrein elektronische communicatie wenselijk en mogelijk is. De wetgever heeft benadrukt dat artikel 2:15 van de Awb een kader biedt dat geen verplichting inhoudt - noch voor het bestuur noch voor de burger - om van de elektronische weg gebruik te maken (Kamerstukken II, 2001/02, 28 483, nr. 3, p. 9).
4.2. De Afdeling leidt uit het voorgaande af dat het een bestuursorgaan vrijstaat om digitale kanalen open te stellen en te sluiten, omdat het aan het bestuursorgaan is om te bepalen hoe het de communicatie met burgers wil inrichten. Het bestuursorgaan is niet gehouden om een eenmaal geopend digitaal kanaal te blijven gebruiken. De beweegredenen van de minister om zijn uitvoeringspraktijk op dit punt te wijzigen lenen zich niet voor toetsing door de bestuursrechter. Gelet op het voorgaande mocht de minister het Advocatenportaal sluiten voor het indienen van ingebrekestellingen. De rechtbank heeft ten onrechte getoetst of de minister dat van een deugdelijke motivering heeft voorzien. De betogen van de minister dat hij het sluiten wel deugdelijk heeft gemotiveerd en dat hij in feite nadere eisen heeft gesteld aan het gebruik van de elektronische weg, behoeven daarom geen bespreking meer.
4.3. Het voorgaande neemt echter niet weg dat de minister gehouden is om tijdig en duidelijk kenbaar te maken dat hij ingebrekestellingen niet langer via het Advocatenportaal accepteert, als hij een ingebrekestelling om die reden wil kunnen weigeren. Advocaten moeten immers wel van de wijziging op de hoogte kunnen zijn teneinde geldig in gebreke te kunnen stellen. De Afdeling gaat daarom hierna in op de vraag of de minister het sluiten van het Advocatenportaal voldoende heeft gecommuniceerd.
Communicatie over het sluiten van het Advocatenportaal
5. In de schriftelijke uiteenzetting heeft betrokkene zich op het standpunt gesteld dat de minister het sluiten van het Advocatenportaal voor ingebrekestellingen onvoldoende heeft gecommuniceerd en dat hij de ingebrekestelling van 25 juni 2024 daarom niet mocht weigeren. De Afdeling volgt betrokkene daarin niet.
5.1. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2:15 van de Awb volgt dat het bestuursorgaan op grond van het vertrouwensbeginsel de beëindiging of wijziging van een bepaalde wijze van elektronische bereikbaarheid tijdig kenbaar moet maken, zodat betrokkenen daar rekening mee kunnen houden. Daaruit volgt ook dat het kenbaar maken van het openstellen van de elektronische weg zowel plaats kan vinden in een algemene regeling als in een bericht aan een of meer geadresseerden (Kamerstukken II, 2001/02, 28 483, nr. 3, p. 13-14).
5.2. De minister heeft het sluiten van het Advocatenportaal voor ingebrekestellingen tijdig gecommuniceerd via de Handleiding voor het Advocatenportaal, de website van de IND en de ontvangstbevestiging van de ingebrekestelling van betrokkene. Daarmee heeft de minister betrokkene voldoende geïnformeerd over het sluiten van het Advocatenportaal voor ingebrekestellingen in asielzaken.
De weigering van de ingebrekestelling van 25 juni 2024
5.3. Betrokkene heeft zich in de schriftelijke uiteenzetting verder op het standpunt gesteld dat de minister de ingebrekestelling van 25 juni 2024 niet op de juiste manier heeft geweigerd, omdat hij de ontvangst daarvan juist heeft bevestigd met de ontvangstbevestiging van 26 juni 2024. De Afdeling volgt betrokkene daarin niet.
5.4. Uit artikel 2:15 van de Awb en de totstandkomingsgeschiedenis daarvan volgt dat een bestuursorgaan een via een gesloten digitaal kanaal ingediend bericht, zoals de ingebrekestelling van 25 juni 2024 in deze zaak, kan weigeren (Kamerstukken II, 2001/02, 28 483, nr. 3, p. 39). Uit het vierde lid van dit artikel volgt dat een bestuursorgaan een weigering zo spoedig mogelijk aan de afzender van het bericht moet mededelen.
5.5. In dit geval heeft de minister op 26 juni 2024 de ontvangst van de ingebrekestelling bevestigd. Hij heeft er in de ontvangstbevestiging in algemene zin op gewezen dat per e-mail of een ander digitaal kanaal ingediende ingebrekestellingen niet geldig zijn en niet in behandeling worden genomen. Verder heeft de minister gewezen op de mogelijkheid om de ingebrekestelling per post in te dienen met vermelding van zijn postadres. Op basis van de informatie in de ontvangstbevestiging moet het voor betrokkene voldoende duidelijk zijn geweest dat zij de ingebrekestelling via een gesloten kanaal heeft ingediend en dat die daarom door de minister niet zou worden behandeld. De minister heeft vervolgens gelegenheid geboden om alsnog een ingebrekestelling in te dienen door op de juiste route voor het indienen van ingebrekestellingen te wijzen. Dat betrokkene hiervan pas op 30 juli 2024 gebruik heeft gemaakt, komt voor rekening van betrokkene.
Tussenconclusie
5.6. Gelet op het voorgaande heeft de minister het sluiten van het Advocatenportaal voor het indienen van ingebrekestellingen voldoende kenbaar gemaakt en in dit geval ook deugdelijk aan betrokkene laten weten dat hij de ingebrekestelling van 25 juni 2024 niet in behandeling neemt. Dat betekent dat er in beginsel geen aanleiding bestaat om de minister te veroordelen in de proceskosten, omdat er geen geldige ingebrekestelling aan het beroep van 19 juli 2024 tegen het niet tijdig nemen van een besluit ten grondslag ligt.
Het weigeren van ingebrekestellingen tijdens de overgangsperiode
5.7. Betrokkene heeft zich in de schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat de minister willekeurig heeft gehandeld doordat hij tijdens de overgangsperiode in mei en juni 2024 sommige ingebrekestellingen die vreemdelingen via het Advocatenportaal hebben ingediend wel en andere niet in behandeling heeft genomen. Daarom moet volgens betrokkene de ingebrekestelling van 25 juni 2024 alsnog als geldig worden beschouwd. De Afdeling volgt betrokkene daarin niet.
5.8. De minister heeft op de zitting bij de rechtbank toegelicht dat hij tijdens de overgangsperiode ingebrekestellingen die via het Advocatenportaal werden ingediend, alleen in behandeling nam, als hij die niet binnen drie dagen na ontvangst weigerde. De minister heeft deze werkwijze toegepast, omdat hij ingebrekestellingen via het Advocatenportaal soms pas laat ontdekte en omdat hij een weigering volgens de wet zo spoedig mogelijk moet mededelen. De Afdeling is van oordeel dat de minister hiermee een redelijke verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij tijdens de overgangsperiode sommige ingebrekestellingen via het Advocatenportaal wel en andere niet in behandeling heeft genomen. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat de minister deze werkwijze niet consequent heeft toegepast. Van willekeur is dus niet gebleken.
De ingebrekestelling per post van 30 juli 2024
5.9. Tot slot heeft betrokkene zich in de schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat er aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling, omdat zij na het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op 19 juli 2024 alsnog de minister per post in gebreke heeft gesteld op 30 juli 2024. De Afdeling volgt betrokkene daarin niet.
5.10. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. Dat betekent dat er een geldige ingebrekestelling aan het beroep tegen het niet tijdig beslissen vooraf moet gaan. Dat is in dit geval niet zo. De minister heeft de ingebrekestelling van 25 juni 2024 namelijk terecht geweigerd. De ingebrekestelling van 30 juli 2024 dateert van na het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
5.11. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank de minister ten onrechte heeft veroordeeld in de proceskosten. De grief van de minister slaagt.
Incidenteel hoger beroep van betrokkene
6. Betrokkene voert aan dat de rechtbank een onjuiste wegingsfactor heeft toegepast bij de proceskostenveroordeling. Gelet op de bespreking van het hoger beroep van de minister heeft de rechtbank de minister ten onrechte veroordeeld in de proceskosten. Alleen al hierom faalt de grief.
Conclusie
7. Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene is ongegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij de minister heeft veroordeeld in de proceskosten. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 14 mei 2025 in zaak nr. NL24.28982, voor zover de rechtbank de minister heeft veroordeeld in de proceskosten.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Van Driesten
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026
1048