Uitspraak 202407542/1/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5588
- Datum uitspraak
- 21 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 31 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202407542/1/V2.
Datum uitspraak: 21 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 20 november 2024 in zaak nr. NL24.25677 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 31 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Bij uitspraak van 20 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. B.J. Riesebos, advocaat in Eindhoven, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant heeft de Eritrese nationaliteit. Hij heeft bij zijn asielaanvraag verklaard dat hij op [geboortedatum] 2008 is geboren. De minister heeft de asielaanvraag ingewilligd, maar heeft de gestelde geboortedatum, en dus de minderjarigheid van appellant ten tijde van de aanvraag, niet geloofwaardig geacht. De Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) en de IND hebben afzonderlijk van elkaar een leeftijdsschouw uitgevoerd. De AVIM heeft geconcludeerd dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd en de IND heeft geconcludeerd dat appellant evident minderjarig is. De minister heeft daarom navraag gedaan bij de Italiaanse autoriteiten. Daaruit bleek dat appellant in Italië geregistreerd staat met de geboortedatum [geboortedatum] 2004.
1.1. Deze uitspraak gaat over de leeftijdsschouw die door de AVIM is verricht en de vraag of de minister terecht is uitgegaan van de geboortedatum [geboortedatum] 2004.
1.2. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Grief 1 - de doopakte
2. De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat appellant geen originele identificerende documenten heeft overgelegd waaruit zijn geboortedatum blijkt en dat hij ook geen leeftijdsonderzoek heeft laten verrichten. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij in beroep een originele doopakte heeft overgelegd en wijst op een brief van de minister waarin hij de ontvangst van het document bevestigt.
2.1. Daargelaten of de door appellant overgelegde doopakte een origineel is, gaat hij er met zijn betoog aan voorbij dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de doopakte geen identificerend document is. De minister heeft er namelijk op gewezen dat de doopakte niet officieel is uitgegeven, niet is voorzien van een foto en geen officieel identiteitsdocument is dat in het maatschappelijke verkeer en de contacten met (buitenlandse) autoriteiten kan worden gebruikt. Appellant heeft dit niet weersproken. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat appellant geen officiële identificerende documenten heeft overgelegd.
2.2. De grief slaagt niet.
Grief 2 - de leeftijdsschouw
3. De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de AVIM de twijfel over de door appellant opgegeven leeftijd inzichtelijk heeft gemotiveerd. Appellant betoogt dat er weinig fysieke kenmerken zijn die mogelijk zouden kunnen duiden op meerderjarigheid en dat de AVIM-medewerkers niet hebben uitgelegd welk gedrag zij hebben waargenomen, waardoor er bij hen twijfel over de opgegeven leeftijd bestond.
3.1. In de uitspraak van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3801, heeft de Afdeling onder 10 overwogen dat in het algemeen de leeftijdsschouw zorgvuldig is en het beleid daarover redelijk. Om in een individuele zaak tot een zorgvuldige schouw te komen, is het vervolgens van belang dat de verslaglegging zorgvuldig gebeurt en alle observaties tijdens het gehoor, bestaande uit uiterlijke kenmerken, verklaringen en gedragingen, in het verslag worden beschreven. De conclusies van de schouw moeten worden verbonden aan deze observaties. Alleen dan is een schouw voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent. De Afdeling heeft in die uitspraak, onder 12.2, ook overwogen dat, als een van de leeftijdsschouwen niet inzichtelijk en concludent is, de leeftijdsschouw in die zaak geen bruikbaar middel is om uitspraken te doen over de vraag of al dan niet twijfel bestaat over de verklaring van een vreemdeling dat hij minderjarig is. De Afdeling heeft verder onder 12.2 overwogen dat de minister in dat geval moet uitgaan van de presumptie van minderjarigheid en dat het aan hem is om die te ontzenuwen.
3.2. Twee medewerkers van de AVIM hebben appellant geschouwd. In het proces-verbaal van verhoor hebben de medewerkers over het uiterlijk van appellant genoteerd dat hij geen opvallende rimpels om de ogen heeft, geen terugwijkende haargrens, geen duidelijk zichtbare groeven rond de mondhoeken en geen grijze haren. De medewerkers hebben bij appellant wel een duidelijk zichtbare adamsappel, stoppels, een baardje, een snor en fronsen op zijn voorhoofd waargenomen. Voorts hebben de medewerkers opgemerkt dat het gedrag en de houding van appellant niet overeenkomen met de opgegeven leeftijd. Uit het voorgaande hebben de medewerkers unaniem geconcludeerd dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd.
3.3. Naar het oordeel van de Afdeling is de schouw van de AVIM in deze zaak onvoldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent. In het proces-verbaal ontbreekt een verbinding tussen de observaties en de bevindingen en de conclusies die de AVIM daaruit trekt. De medewerkers hebben het gedrag en de houding van appellant namelijk niet beschreven en niet uitgelegd waarom het gedrag en de houding typerend zijn voor een meerderjarige en waarom juist niet voor een minderjarige. Alleen al hierdoor mocht de minister de leeftijdsschouw van de AVIM niet betrekken bij zijn standpunt dat twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd.
3.4. De grief slaagt.
Grieven 3 tot en met 6 - de beoordeling van de leeftijd
4. De grieven 3 tot en met 6 zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister doorslaggevend gewicht heeft mogen toekennen aan de in Italië geregistreerde geboortedatum van [geboortedatum] 2004. Appellant betoogt dat de rechtbank het toetsingskader uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, onjuist heeft toegepast. De rechtbank heeft namelijk onvoldoende rekening gehouden met de presumptie van minderjarigheid en niet onderkend dat de minister niet alle feiten en omstandigheden heeft meegewogen bij de beoordeling. Appellant betoogt in dit verband specifiek dat het standpunt dat hij een onjuiste geboortedatum in Italië heeft opgegeven op een misverstand berust, dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard over zijn leeftijd en schoolgang en dat de minister onvoldoende waarde heeft gehecht aan zijn doopakte.
4.1. In de eerdergenoemde uitspraak van 9 oktober 2024, onder 6.9, heeft de Afdeling overwogen dat de minister niet op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat. Dit betekent niet, zo staat in die uitspraak, dat geen gewicht toekomt aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling. De minister moet de leeftijd van een vreemdeling en de bewijswaarde van een leeftijdsregistratie beoordelen met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht, met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald. Het is daarbij aan de betrokken vreemdeling om zijn identiteit, waaronder zijn geboortedatum, aannemelijk te maken. Als de minister twijfels heeft over de minderjarigheid van de betrokken vreemdeling, dan geldt als vertrekpunt de presumptie van minderjarigheid. De minister moet dan uitgaan van het vermoeden dat de betrokken vreemdeling minderjarig is. Het is dan aan de minister om dat vermoeden te ontzenuwen. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. Daarbij moet de minister ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen betrekken.
4.2. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij doorslaggevend gewicht toekent aan de registratie van de geboortedatum door Italië. Appellant betoogt terecht dat hij in de correcties en aanvullingen van het aanmeldgehoor heeft vermeld dat hij in Italië de geboortedatum [geboortedatum] 2008 heeft opgegeven, maar dat hij niet heeft kunnen lezen wat de Italiaanse autoriteiten hebben opgeschreven. De minister heeft zowel in het besluit als in het verweerschrift niet toegelicht wat dit betekent voor zijn standpunt over de leeftijd van appellant. Daarnaast wijst appellant er terecht op dat hij op de zitting niet heeft bevestigd dat hij op enig moment de leeftijd [geboortedatum] 2004 heeft opgegeven. In de zittingsaantekeningen staat immers alleen hierover dat appellant heeft verklaard dat "hem wordt tegengeworpen dat hij zijn leeftijd heeft opgegeven in Italië". Ondanks dat appellant bij de zitting ook heeft opgemerkt dat hij in Lampedusa nog niet wist dat hij in Italië was, kan hieruit niet concreet worden afgeleid dat hij in Lampedusa een andere geboortedatum dan [geboortedatum] 2008 zou hebben opgegeven. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.
4.3. Appellant betoogt verder terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zijn verklaringen twijfel oproepen over de opgegeven geboortedatum. De minister heeft aan appellant tegengeworpen dat de verklaringen over zijn schoolgang niet overeenkomen met de geboortedatum [geboortedatum] 2008. Appellant wijst er echter terecht op dat hij in de correcties en aanvullingen heeft toegelicht dat hij niet in 2013, maar in 2015 voor het eerst naar school is gegaan op zevenjarige leeftijd. Appellant heeft in de correcties en aanvullingen eveneens gesteld dat hij niet goed kon meekomen op school, nauwelijks kan lezen en schrijven en moeite heeft met het onthouden van data. De minister heeft ook ten aanzien hiervan niet deugdelijk gemotiveerd wat dit betekent voor zijn standpunt over de leeftijd van appellant. Uit de zittingsaantekeningen valt namelijk op te maken dat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat het rapport van de leeftijdsschouw al voldoende inzichtelijk is. Dit ontslaat de minister echter niet van zijn verplichting om de correcties en aanvullingen bij de besluitvorming te betrekken. Bovendien, zoals de Afdeling onder 3.3 heeft geoordeeld, mocht de minister de leeftijdsschouw in dit geval niet betrekken bij zijn standpunt dat twijfel bestaat over de leeftijd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
4.4. Appellant betoogt tot slot terecht dat de minister zijn standpunt dat er slechts beperkte waarde aan de doopakte toekomt ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Dat de doopakte geen officieel identificerend document is, betekent niet dat geen enkele waarde toekomt aan een dergelijk document. De minister heeft in dit geval niet uitgelegd hoe de informatie uit de doopakte zich verhoudt tot de tegenwerpingen over de leeftijdsregistratie in Italië en de verklaringen van appellant. Dit heeft de rechtbank ook niet onderkend.
4.5. De Afdeling is van oordeel dat de beoordeling van de leeftijd in dit geval gelet op het voorgaande niet is verricht in overeenstemming met het beoordelingskader uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024. De minister heeft de gestelde minderjarigheid niet ontzenuwd. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.
4.6. De grieven slagen.
Conclusie
5. Het hoger beroep roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
6. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank in zijn geheel, omdat de verlening van de vergunning ook ongedaan zou worden gemaakt als de Afdeling alleen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 31 mei 2024 zou vernietigen. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 31 mei 2024, voor zover de minister de geboortedatum heeft vastgesteld op [geboortedatum] 2004. De minister moet in zoverre een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dat betekent dat de minister de leeftijd van appellant nader moet beoordelen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 20 november 2024 in zaak nr. NL24.25677;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 31 mei 2024, V-[…], voor zover de minister van Asiel en Migratie de leeftijd van appellant heeft vastgesteld op [geboortedatum] 2004;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Veen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2026
986