Uitspraak 202501070/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5665
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij ongedateerde brief heeft de minister het verzoek van de vereniging om een instructie te geven aan het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden om het waterpeil in en om het Natura 2000-gebied "Kolland en Overlangbroek" (het gebied) te verhogen, doorgezonden aan het college van gedeputeerde staten van Utrecht. De vereniging komt op voor het landschap, de natuur en het leefmilieu in de omgeving van Wijk bij Duurstede. Volgens de vereniging is een verhoging van het waterpeil in het gebied nodig om (verdere) verslechtering van de staat van de natuur te voorkomen. Daarom heeft zij de minister verzocht om een instructie als bedoeld in artikel 2.34, derde lid, van de Omgevingswet te geven aan het college van dijkgraaf en hoogheemraden om het waterpeil in en om het gebied te verhogen. Bij ongedateerde brief heeft de minister dit verzoek doorgezonden aan het college van gedeputeerde staten.
- Eerste aanleg - meervoudig
- RO - Utrecht
- Waterschapszaken
Toon inhoud
202501070/1/R2.
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
Vereniging Natuur en Milieu (de vereniging), gevestigd in Wijk bij Duurstede,
appellante,
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat,
verweerder.
Procesverloop
Bij ongedateerde brief heeft de minister het verzoek van de vereniging om een instructie te geven aan het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden om het waterpeil in en om het Natura 2000-gebied "Kolland en Overlangbroek" (het gebied) te verhogen, doorgezonden aan het college van gedeputeerde staten van Utrecht.
Tegen deze brief heeft de vereniging beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het college van dijkgraaf en hoogheemraden heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De vereniging en het college van dijkgraaf en hoogheemraden hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 april 2026, waar de volgende partijen zijn verschenen:
- de vereniging, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, rechtsbijstandsverlener in Wageningen, en dr. R.P. Baayen, deskundige;
- de minister, vertegenwoordigd door mr. D.B.G. van Duren, mr. P.E.M. de Boer-Mos en I. de Groot-Wallast;
- het college van dijkgraaf en hoogheemraden, vertegenwoordigd door mr. R Janssen, advocaat in Amsterdam, ing. C. Wijnen, M.B. Jonkman en mr. W. Zorg;
Overwegingen
Inleiding
1. De vereniging komt op voor het landschap, de natuur en het leefmilieu in de omgeving van Wijk bij Duurstede. Volgens de vereniging is een verhoging van het waterpeil in het gebied nodig om (verdere) verslechtering van de staat van de natuur te voorkomen. Daarom heeft zij de minister verzocht om een instructie als bedoeld in artikel 2.34, derde lid, van de Omgevingswet te geven aan het college van dijkgraaf en hoogheemraden om het waterpeil in en om het gebied te verhogen. Bij ongedateerde brief heeft de minister dit verzoek doorgezonden aan het college van gedeputeerde staten.
Is de ongedateerde brief een besluit?
2. De vereniging betoogt dat in de ongedateerde brief ten onrechte is bepaald dat tegen de brief geen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Volgens de vereniging is de brief een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de brief een afwijzend karakter heeft. Daarom kunnen er wel rechtsmiddelen tegen de brief worden aangewend bij de bestuursrechter. Daarnaast mocht de minister volgens de vereniging het verzoek niet tegelijkertijd afwijzen en doorzenden aan het college van gedeputeerde staten.
2.1. De minister stelt zich op het standpunt dat de brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Met de brief is namelijk alleen uitvoering gegeven aan de doorzendverplichting van artikel 2:3, eerste lid, van de Awb. De doorzending van de brief en de mededeling daarvan aan de vereniging zijn feitelijke handelingen waartegen geen beroep kan worden ingesteld.
2.2. De Afdeling is van oordeel dat de ongedateerde brief alleen een mededeling is van de doorzending van het verzoek aan het college van gedeputeerde staten en niet ook een afwijzing van dat verzoek. Uit de brief blijkt namelijk dat de minister het verzoek niet op inhoudelijke gronden heeft beoordeeld, maar alleen is ingegaan op de vraag welk bestuursorgaan bevoegd is om op het verzoek te beslissen. De minister heeft op de zitting toegelicht dat de brief weliswaar langer is dan gebruikelijk, maar dat dit komt omdat in de brief ook een reactie is gegeven op de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:145. In deze uitspraak is de rechtbank ingegaan op de bevoegdheid van de minister tot het geven van een instructie aan het college van dijkgraaf en hoogheemraden over het verhogen van het waterpeil.
2.3. Gelet op het voorgaande is de ongedateerde brief een mededeling van een feitelijke handeling en daarmee niet op rechtsgevolg gericht. De brief is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb. Omdat de ongedateerde brief geen besluit is, kan tegen de brief geen beroep worden ingesteld. Het beroep van de vereniging is daarom niet-ontvankelijk.
Conclusie
3. Het beroep is niet-ontvankelijk.
4. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzitter, en mr. N.H. van den Biggelaar en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Hoekstra, griffier.
w.g. De Groot
voorzitter
w.g. Hoekstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
932-1092