Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202400297/1/R2

Uitspraak 202400297/1/R2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5648
Datum uitspraak
23 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 9 november 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Cartierheide" vastgesteld.Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 31 maart 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Brabant

Toon inhoud

  • Volledige tekst
  • Persaankondiging
Volledige tekst

202400297/1/R2.
Datum uitspraak: 23 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Stichting Milieu-Werkgroep Kempenland en Stichting Brabantse Milieufederatie, gevestigd in Bergeijk en Tilburg, (hierna samen en in enkelvoud: de stichting)
appellante,

en

de raad van de gemeente Bladel,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Cartierheide" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de stichting beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De stichting en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De stichting heeft een verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn ingediend.

De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (hierna: de Staat) aangemerkt als partij in deze procedure.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 1 juli 2026, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.E. Dijk, advocaat in Haarlem, en [persoon] , en de raad, vertegenwoordigd door mr. T.M.J. van der Putten, bijgestaan door mr. J.L. Stoop, advocaat in Maastricht, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 31 maart 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Relevante wet- en regelgeving

3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.

Inleiding

4. De Cartierheide is een natuurgebied en ligt ten zuiden van de A67. De Cartierheide grenst aan de oostzijde aan de gemeente Eersel en aan de zuidzijde aan de gemeente Bergeijk. De Cartierheide is 172 ha groot. Het bestemmingsplan heeft betrekking op fietspaden in het deel van de Cartierheide dat is gelegen binnen het grondgebied van de gemeente Bladel. Het plan voorziet in de aanleg van nieuwe en de verbreding van bestaande (fiets-)paden. Beoogd is om de recreatieve aantrekkelijkheid en de algemene verkeersveiligheid te verbeteren en om ruimte terug te geven aan de natuur, rekening houdend met de aanwezigheid van bomen en de aanwezigheid van verschillende diersoorten, waaronder de gladde slang.

Het plan voorziet, meer in het bijzonder, in het gedeeltelijk opbreken van het bestaande, verharde fietspad, bestaande uit betonverharding; de vrijgekomen ruimte wordt teruggegeven aan de natuur. Op een gewijzigde ligging wordt een nieuw verhard fietspad aangelegd. Met het plan wordt, als gevolg van de verwijdering van het deel van het verharde fietspad, voorzien in een afname van verhard oppervlak van ongeveer 0,4hectare . Ook voorziet het plan in de aanleg van een halfverhard fietspad. Het plan voorziet in een toename van halfverhard oppervlak van ongeveer 1,7 ha. Per saldo is met het plan sprake van een toename van 1,3 ha aan halfverhard fietspad. Het nieuwe halfverharde fietspad is grotendeels voorzien over een al bestaand zandpad.

5. De stichting is het niet eens met het plan, omdat het de aanleg van fietspaden mogelijk maakt in het Natuur Netwerk Brabant (NNB). De aanleg tast volgens de stichting de natuurwaarden in het plangebied aan. De stichting vindt dat het plan daarom in strijd met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) is vastgesteld.

De raad heeft toegelicht dat het plan voorziet in een nieuwe ontwikkeling in het NNB. Het plan is vastgesteld met toepassing van artikel 3.21 van de IOV.

Ingetrokken beroepsgronden

6. Op de zitting heeft de stichting haar beroepsgrond tegen de voorwaardelijke verplichting, opgenomen in artikel 16.9.2 van de planregels, ingetrokken.

Beroep

-Artikel 3.21 van de IOV

Kleinschaligheid

7. De stichting betoogt dat met het plan geen sprake is van een kleinschalige ingreep, als bedoeld in artikel 3.21, aanhef en onder a, van de IOV, omdat het plan leidt tot een areaalverlies aan natuur van ongeveer 2,7 ha dan wel 1,7 ha na verwijdering van verhardingen.

7.1. Op de zitting is met partijen vastgesteld dat met het plan per saldo wordt voorzien in een toename van 1,3 ha aan halfverhard fietspad.

7.2. In de IOV en in de toelichting daarop is niet aangegeven welk areaaloppervlak als kleinschalig wordt beschouwd. In de toelichting op de IOV staat dat wat kleinschalig is per geval kan verschillen en maatwerk betreft. Zoals onder 4 van deze uitspraak is beschreven, voorziet het plan per saldo in een toename van 1,3 ha aan halfverhard fietspad in het natuurgebied De Cartierheide. De Cartierheide beslaat 172 ha. De Afdeling stelt vast dat het plan betrekking heeft op minder dan 1% van het areaal van De Cartierheide. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat met het plan een ontwikkeling in het natuurgebied mogelijk kan worden gemaakt, omdat in dit geval de aantasting van het areaal van het NNB kleinschalig is.

Het betoog slaagt niet.

Ecologische waarden en kenmerken

7.3. De stichting betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.21, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV. Volgens de stichting is met het plan namelijk geen sprake van een beperkte aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB. Zij voert in dit verband aan dat als gevolg van het plan het leefgebied van de gladde slang wordt aangetast. Hiertoe verwijst de stichting naar de notitie "Aanbevelingen ten aanzien van mitigatie fietspad Cartierheide" van de kennisorganisatie Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland (RAVON), waarin wordt ingegaan op de status en de kwetsbaarheid van de gladde slang.

7.4. Bij de voorbereiding van het plan heeft de raad ecologisch onderzoek laten uitvoeren naar de gevolgen van het plan voor het NNB. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het rapport "NNB effectbeoordeling fietspadennetwerk Cartierheide" van 21 oktober 2022 (hierna: het ecologisch rapport), dat als bijlage 3 bij de plantoelichting is opgenomen.

In het ecologisch rapport staat dat in het plangebied de volgende vier natuurbeheertypen gelden: N06.04 Vochtige heide, N07.01 Droge heide, N15.02 Dennen-, eiken-, en beukenbos en N16.03 Droog bos met productie.

Het ecologisch rapport vermeldt inzake de effectbeoordeling over N15.02 en N16.03 dat de nieuwe fietspaden grotendeels halfverhard worden en grotendeels worden aangelegd over al bestaande wandelpaden. Daardoor hoeven zo min mogelijk bomen te worden gekapt. Maar daar waar niet voor een bestaand pad of alternatieve routing kan worden gekozen, moet toch een klein aantal bomen en struiken worden gerooid. Het rapport vermeldt dat het verwijderen van enkele bomen uit de bossen geen effect heeft op de kwaliteit van de natuurbeheertypen. Omdat het gaat om slechts een klein aantal bomen die moeten worden verwijderd, ontstaan er geen openingen in het bos. Het bos blijft dus als vegetatie dezelfde waarden en kenmerken houden. Verder staat in het ecologisch rapport dat het gebruik van het fietspad recreatief zal zijn en dat het nieuwe fietspad niet zal uitnodigen om hard te rijden, omdat het kronkelend en halfverhard (met een onregelmatige ondergrond) wordt aangelegd. Dit heeft een positief effect op de veiligheid van mens en dier, zo vermeldt het rapport.

Inzake de effectbeoordeling over de natuurbeheertypen N06.04 en N07.01 staat in het ecologisch rapport dat de met het plan beoogde ontwikkeling ertoe leidt dat het oppervlak aan fietspaden langs de randen van de heide minder wordt. Daarnaast voorziet het plan erin dat het fietspad in dit heidegebied zo zal worden aangelegd dat het minder gevaarlijk is voor de gladde slang en ook voor andere diersoorten. Het fietspad wordt namelijk halfverhard en kronkelend, waardoor de fietssnelheid wordt teruggedrongen. Het plan heeft daarmee volgens het ecologisch rapport juist een positief effect op de kwaliteit van de natuurbeheertypen.

In het ecologisch rapport wordt geconcludeerd dat het plan niet zal leiden tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB-gebied Boswachterij De Kempen. Het plan leidt volgens het rapport alleen tot een kleine verandering in de dominant aanwezige bossen en heeft netto juist positieve effecten op de kwaliteit van de leefgebieden van de gladde slang.

7.5. De Afdeling overweegt dat de raad met het ecologisch rapport heeft onderbouwd dat het plan niet zal leiden tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB-gebied, als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV. Het betreft, zoals ook volgt uit artikel 3.15, tweede lid, van de IOV, de natuurbeheertypen zoals deze zijn vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan. De stichting heeft geen tegenrapport overgelegd of anderszins aannemelijk gemaakt dat het verrichte onderzoek zodanig onjuist is dat de raad zijn besluitvorming daarop niet heeft kunnen baseren. De notitie van RAVON, waarnaar de stichting verwijst, gaat over de status en de kwetsbaarheid van de gladde slang. De notitie ziet niet op gevolgen van het plan voor de - in artikel 3.21, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV bedoelde - ecologische waarden en kenmerken van de natuurbeheertypen die in het plangebied gelden. De Afdeling ziet in wat de stichting heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.21, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV.

Het betoog slaagt niet.

Compensatie

7.6. De stichting betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.21, eerste lid, aanhef en onder f, van de IOV. De stichting voert hiertoe aan dat er met het plan ten onrechte geen deugdelijke compensatie voor de aantasting van het NNB heeft plaatsgevonden.

7.7. De raad stelt dat artikel 3.21, eerste lid, aanhef en onder f, van de IOV in dit geval niet van toepassing is en dus artikel 3.22 van de IOV ook niet. De raad heeft in dit verband verwezen naar het ecologisch rapport, waarin is geconcludeerd dat er als gevolg van het plan geen sprake is van aantasting van ecologische waarden en kenmerken in het NNB-gebied "Boswachterij De Kempen. Daarom wordt volgens de raad ook niet toegekomen aan compensatie, als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, aanhef en onder f, van de IOV, voor verlies van ecologische waarden en kenmerken in het NNB-gebied "Boswachterij De Kempen.

7.8. Zoals onder 7.4 en 7.5 van deze uitspraak is overwogen zal het plan niet leiden tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB-gebied. De conclusie in het ecologisch rapport is dat het plan juist een positief effect heeft op de kwaliteit van de natuurbeheertypen en daarmee een verbetering is van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB-gebied. De raad heeft daarom naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding hoeven zien voor compensatie, als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, aanhef en onder f, van de IOV. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.21, eerste lid, aanhef en onder f, van de IOV.

Het betoog slaagt niet.

Toepassing artikel 3.21, tweede lid, van de IOV

7.9. De stichting betoogt dat de raad ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 3.21, tweede lid, van de IOV. De stichting stelt dat dit artikel van toepassing is, als een plan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB-gebied, als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV, en er compensatie moet plaatsvinden, als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, aanhef en onder f, van de IOV. De stichting heeft op de zitting aangevoerd dat, omdat in dit geval het plan volgens haar leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB-gebied, de aantasting moet worden gecompenseerd, zodat daarom toepassing moet worden gegeven aan artikel 3.21, tweede lid, van de IOV. Dat is volgens de stichting ten onrechte niet gebeurd.

7.10. Zoals onder 7.4, 7.5 en 7.8 van deze uitspraak is overwogen zal het plan niet leiden tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB-gebied, als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV, en heeft de raad daarom geen aanleiding hoeven zien voor compensatie, als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, aanhef en onder f, van de IOV. In wat de stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 3.21, tweede lid, van de IOV.

Het betoogt slaagt niet.

Natuurwaarden

8. De stichting betoogt dat de raad er bij de planvaststelling onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat het plan, zeer negatieve effecten op beschermde diersoorten, zoals de gladde slang, heeft. De stichting voert hiertoe aan dat de raad het plan niet had mogen vaststellen, omdat het soortenbeschermingsregime, als bedoeld in de Wet natuurbescherming (Wnb), aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De stichting stelt verder dat de raad ten onrechte niet heeft gekozen voor fietspaden in de vorm van zandpaden. Ook voorziet het plan ten onrechte in een verbreding van de fietspaden, aldus de stichting.

8.1. De raad mag het plan niet vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

De raad stelt dat er ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan zicht was op het verkrijgen van de ontheffing. De ontheffing is aangevraagd in september 2022. Het bestemmingsplan is vastgesteld in november 2023. Het college van GS heeft bij besluit van 3 januari 2024 een ontheffing van de Wnb verleend voor de gladde slang en de levendbarende hagedis. In het kader van deze ontheffing heeft de stichting beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft met de uitspraak van 5 juni 2026, ECLI:NL:RBOBR:3885, het door de stichting tegen het ontheffingsbesluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog slaagt niet.

8.2. De verharde fietspaden zijn voorzien op de gronden met de bestemming "Verkeer-Fietspad". De bestemmingsomschrijving is opgenomen in artikel 5 van de planregels. De raad stelt dat het verharde fietspad alleen in het noordoostelijke deel van het plangebied zal worden uitgevoerd. Dit is vastgelegd in de verbeelding. Een deel van het bestaande verharde fietspad zal ongeveer 50 m worden verplaatst ten oosten van het bestaande fietspad. Hiermee komt het verharde fietspad op grotere afstand van het heidegebied te liggen. De plantoelichting vermeldt dat de kans op aanrijdingen met amfibieën daardoor wordt verminderd. In de plantoelichting staat verder dat ervoor is gekozen om dit deel van het fietspad verhard uit te voeren, zodat het fietspad ook toegankelijk is voor mindervaliden. Er is gekozen voor een fietspad van 3,50 meter breed, zodat fietsers elkaar goed en veilig kunnen passeren. De raad wijst erop dat het te verwijderen deel van het verharde fietspad terug wordt gegeven aan de natuur. In de verbeelding, bezien in samenhang met artikel 16.9 van de planregels, is te zien dat ter plaatse van het nieuwe deel van het verharde fietspad ter hoogte van de - nog te realiseren - uitkijktoren faunatunnels worden aangelegd. Deze faunatunnels fungeren als mitigerende maatregel ter bescherming van diersoorten, zoals de gladde slang.

De halfverharde fietspaden zijn voorzien op de gronden met de bestemming "Verkeer-Halfverharding". De bestemmingsomschrijving is opgenomen in artikel 6 van de planregels. De raad stelt over de halfverharde fietspaden dat het nieuwe tracé van de halfverharde fietspaden voor een groot deel is voorzien over een al bestaand (smal) zandpad. Hierdoor hoeft er weinig groen te wijken. De keuze van de materiaalsoort voor de halfverharde paden maakt onderdeel uit van de civieltechnische uitvoering van het plan. Hierbij is er bewust voor gekozen om verharding uit te sluiten en in plaats daarvan te kiezen voor halfverharding. Enerzijds is gekozen voor halfverharde fietspaden om de snelheid van fietsers te temperen. En anderzijds om het oversteken door de gladde slang te vergemakkelijken. De raad wijst erop dat er ook voor de halfverharde fietspaden mitigerende maatregelen (in de vorm van faunatunnels) in het plan zijn opgenomen.

Verder wijst de raad op de positieve gevolgen van het plan voor het grotere geheel. De raad benadrukt dat met de fietsinfrastructuur in de bestaande situatie juist sprake is van een grotere kans op dierlijke slachtoffers (zoals de gladde slang en de levendbarende hagedis), omdat het bestaande verharde fietspad dichtbij of in het primaire leefgebied van deze dieren ligt. De raad heeft toegelicht dat met het vervallen van een groot deel van de bestaande tracés binnen de primaire leefgebieden en met de in het plan opgenomen beschermingsmaatregelen (het realiseren van faunatunnels, als bedoeld in artikel 16.9 van de planregels, op de meest kwetsbare punten) met het plan per saldo een verbeterd leefklimaat voor verschillende diersoorten, waaronder de gladde slang, wordt gecreëerd.

8.3. Gelet op deze toelichting van de raad ziet de Afdeling in wat de stichting heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de planvaststelling onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van het plan voor beschermde diersoorten, zoals de gladde slang.

Het betoog slaagt niet.

Cultuurhistorie

9. De stichting betoogt dat het plan leidt tot een aantasting van de cultuurhistorische waarden in het plangebied. De stichting voert hiertoe aan dat de fietspaden in het plan ten onrechte niet zijn aangeduid als "Overige zone - cultuurhistorisch vlak". Dit is volgens de stichting in strijd met artikel 3.29 van de IOV.

9.1. In de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie

Noord-Brabant is de Cartierheide aangeduid als cultuurhistorisch waardevol gebied.

9.2. In de verbeelding van het plan zijn geen gronden met de aanduiding "Overige zone - cultuurhistorisch vlak" weergegeven.

In artikel 16.2.1 en 16.2.2 van de planregels zijn wel bepalingen opgenomen over de aanduiding "Overige zone - cultuurhistorisch vlak".

9.3. Op de zitting heeft de raad erkend dat, gelet op artikel 3.29 van de IOV, bij de planvaststelling in de verbeelding de aanduiding "Overige zone - cultuurhistorisch vlak" aan het plangebied moest worden toegekend, in overeenstemming met de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. De raad heeft toegelicht dat hij er geen bezwaar tegen heeft dat in de verbeelding van het plan alsnog de aanduiding "Overige zone - cultuurhistorisch vlak" wordt opgenomen, voor zover het plangebied in de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is aangeduid als cultuurhistorisch waardevol gebied. De raad heeft er hierbij terecht op gewezen dat in artikel 16.2.1 en 16.2.2 van de planregels wel bepalingen zijn opgenomen ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog slaagt.

-Artikel 3.18 van de IOV

10. De stichting betoogt dat de raad in de plantoelichting ten onrechte suggereert dat de fietspaden ook met toepassing van artikel 3.18, eerste lid, van de IOV kunnen worden gerealiseerd. De stichting voert aan dat het plan betrekking heeft op de aanleg van fietspaden en niet op het oprichten van bebouwing of bouwwerken waarop artikel 3.18 IOV ziet.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bij de voorbereiding van het plan ten overvloede is ingegaan op artikel 3.18, eerste lid, van de IOV, maar dat dat artikel hier niet van toepassing is, omdat het plan de aanleg van fietspaden mogelijk maakt.

10.2. De Afdeling stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat artikel 3.18, eerste lid, van de IOV niet op het plan van toepassing is.

Dat de raad bij de voorbereiding van het plan, uit het oogpunt van een extra toelichting, ten overvloede is ingegaan op artikel 3.18 van de IOV, maakt niet dat het plan om die reden moet worden vernietigd.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie over het beroep tegen het bestemmingsplan

11. Het beroep van de stichting is, gelet op wat is overwogen onder 9.3 van deze uitspraak, gegrond.

Het bestreden besluit moet wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb worden vernietigd, voor zover in de verbeelding niet de aanduiding "Overige zone - cultuurhistorisch vlak" in overeenstemming met de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant aan het plangebied is toegekend.

12. Nu niet aannemelijk is dat derden in hun belangen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door in de verbeelding de aanduiding "Overige zone - cultuurhistorisch vlak" aan het plangebied toe te kennen, voor zover het plangebied in de "Cultuurhistorische waardenkaart herziening 2025" van de provincie Noord-Brabant de Cartierheide is aangeduid als cultuurhistorisch waardevol gebied.

13. Ook ziet de Afdeling aanleiding om de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.

14. De raad moet proceskosten vergoeden die de stichting heeft gemaakt in verband met de behandeling van het beroep tegen het bestemmingsplan.

Verzoek om schadevergoeding overschrijding redelijke termijn

15. De stichting verzoekt om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

15.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling.

15.2. De Afdeling heeft het beroepschrift van de stichting ontvangen op 8 januari 2024. De redelijke termijn is in deze procedure dus met 9 maanden overschreden.

15.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding voor de stichting Milieu-Werkgroep Kempenland en de stichting Brabantse Milieufederatie vastgesteld op € 1.000,00.

Daarbij wordt opgemerkt dat de stichting Milieu-Werkgroep Kempenland en de stichting Brabantse Milieufederatie samen procederen, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen in de zin dat zij elk € 500,00 krijgen toegekend. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het instellen van een gezamenlijk beroep in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden vanwege de te lange procedure. Door gezamenlijk beroep in te stellen hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen.

15.4. De Afdeling zal de Staat (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) daarom veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 500,00 aan de stichting Milieu-Werkgroep Kempenland en € 500,00 aan de stichting Brabantse Milieufederatie.

15.5. De Staat moet proceskosten vergoeden voor het verzoek van de stichting om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

15.6.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de stichting Milieu-Werkgroep Kempenland en de stichting Brabantse Milieufederatie gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bladel van 9 november 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Cartierheide", voor zover in de verbeelding niet de aanduiding "Overige zone - cultuurhistorisch vlak" is opgenomen, in overeenstemming met de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant;

III. bepaalt dat in de verbeelding de aanduiding "Overige zone - cultuurhistorisch vlak" wordt opgenomen, in overeenstemming met de "Cultuurhistorische waardenkaart herziening 2025" van de provincie Noord-Brabant;

IV. bepaalt dat deze uitspraak, wat onderdeel III. betreft, in de plaats treedt van het onder II. genoemde besluit, voor zover vernietigd;

V. draagt de raad van de gemeente Bladel op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III. en IV. worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan, dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Bladel tot vergoeding van bij de stichting Milieu-Werkgroep Kempenland en de stichting Brabantse Milieufederatie in verband met de behandeling van hun beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Bladel aan de stichting Milieu-Werkgroep Kempenland en de stichting Brabantse Milieufederatie het voor de behandeling van hun beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 371,00, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VIII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) tot betaling van een schadevergoeding van:

a. € 500,00 aan de stichting Milieu-Werkgroep Kempenland;

b. € 500,00 aan de stichting Brabantse Milieufederatie;

IX. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) tot betaling van een vergoeding van bij de stichting Milieu-Werkgroep Kempenland en de stichting Brabantse Milieufederatie in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, griffier.

w.g. Kaajan
voorzitter

w.g. Ramrattansing
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026

408

BIJLAGE

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (versie geldend van 1 augustus 2023 t/m 31 december 2023)

Artikel 1.1 Begripsbepaling

(…)

bebouwing

gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

(…)

Artikel 3.15 Bescherming Natuur Netwerk Brabant

Lid 1

Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant:

a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken;

b. bevat regels gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken;

c. staat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toe.

Lid 2

Als ecologische waarden en kenmerken gelden de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan.

Lid 3

Als de inrichting en beheer van het Natuur Netwerk Brabant binnen een gebied is verzekerd, stelt de gemeente binnen negen maanden een bestemmingsplan vast overeenkomstig het eerste lid.

Artikel 3.17 Afwijkende regels ontwikkelingen in Natuur Netwerk Brabant

Lid 1

Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant kan een ontwikkeling toelaten als is voldaan aan de voorwaarden gesteld voor:

a. nieuwe ontwikkelingen in het Natuur Netwerk Brabant, overeenkomstig artikel 3.18;

b. het nee, tenzij-principe, overeenkomstig artikel 3.19;

c. de saldo-benadering, overeenkomstig artikel 3.20;

d. een kleinschalige uitbreiding, overeenkomstig artikel 3.21.

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing op Natura 2000 - gebied.

Artikel 3.18 Nieuwe ontwikkeling in het Natuur Netwerk Brabant

Lid 1

Een bestemmingsplan kan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurfunctie of het recreatieve medegebruik daarvan zijn toegestaan, als dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant.

Artikel 3.21 Kleinschalige herbegrenzing

Lid 1

Een bestemmingsplan kan een ontwikkeling binnen Natuur Netwerk Brabant mogelijk maken in het geval dat:

a. de aantasting van areaal Natuur Netwerk Brabant kleinschalig is;

b. de ontwikkeling slechts leidt tot een beperkte aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant;

c. de ontwikkeling leidt tot een kwalitatieve of kwantitatieve versterking van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant als geheel;

(…)

f. er bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan artikel 3.22 Compensatie;

(…).

Lid 2

Voor een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid doen burgemeester en wethouders een verzoek als bedoeld in artikel 6.2 Procedure grenswijziging werkingsgebied op verzoek.

Artikel 3.22 Compensatie

Lid 1

De verplichte compensatie vindt, naar keuze, plaats door:

1. fysieke compensatie, overeenkomstig artikel 3.23;

2. financiële compensatie, overeenkomstig artikel 3.24.

Lid 2

De omvang van de compensatie wordt bepaald door de omvang van het vernietigde of verstoorde areaal en de ontwikkeltijd van de aangetaste natuur, conform de volgende indeling:

a. natuur met een ontwikkeltijd van 5 jaar of minder: geen toeslag;

b. tussen 5 en 25 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 1/3 in oppervlak;

c. tussen 25 en 100 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 2/3 in oppervlak;

d. bij een ontwikkelingsduur van meer dan 100 jaar: de toeslag in oppervlak en de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer is maatwerk;

e. bij verstoring van natuur: maatwerk.

Artikel 3.23 Fysieke compensatie

Lid 1

De fysieke compensatie vindt plaats in:

a. de niet gerealiseerde delen van het Natuur Netwerk Brabant;

b. de niet gerealiseerde ecologische verbindingszones.

Lid 2

Fysieke compensatie kan ook plaatsvinden in, aansluitend op of nabij het aangetaste gebied als dit deel uitmaakt van de saldobenadering bedoeld in artikel 3.20 Toepassing van de saldobenadering.

Lid 3

Een bestemmingsplan waarvoor een compensatieplicht geldt, borgt de uitvoering van de compensatie.

Lid 4

De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het derde lid bevat een verantwoording over:

a. de omvang van het netto verlies aan ecologische waarden en kenmerken en op welke locatie dat optreedt;

b. de locatie waar en de wijze waarop het netto verlies, genoemd onder a, wordt gecompenseerd;

c. de kwaliteit en kwantiteit van de compensatie;

d. de termijn van uitvoering;

e. de inhoud en realisatie van de voorgenomen mitigerende en compenserende maatregelen;

f. het reguliere- en ontwikkelingsbeheer.

Artikel 3.29 Cultuurhistorische waarden

Een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied:

a. is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart;

b. stelt regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

Planregels bestemmingsplan "Cartierheide"

Artikel 5 Verkeer - Fietspad

5.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor "Verkeer - Fietspad" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. voet- en rijwielpaden;

b. groenvoorzieningen, waaronder bermen en beplanting;

c. straatmeubilair;

d. voorzieningen van algemeen nut;

e. kunstwerken;

f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

g. extensief recreatief medegebruik;

h. ter plaatse van de aanduiding "overige zone - faunatunnel", een faunatunnel.

Artikel 6 Verkeer - Halfverharding

6.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor "Verkeer - Halfverharding" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. halfverharde wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie;

b. voet- en rijwielpaden;

c. groenvoorzieningen, waaronder bermen en beplanting;

d. straatmeubilair;

e. voorzieningen van algemeen nut;

f. kunstwerken;

g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

h. extensief recreatief medegebruik

i. ter plaatse van de aanduiding "overige zone - faunatunnel", een faunatunnel.

16.9 Overige zone - faunatunnel

16.9.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden met de aanduiding "oz - faunatunnel" zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede voor mitigerende maatregelen zoals een faunatunnel.

16.9.2 Voorwaardelijke verplichting

Ter plaatse van de aanduiding "oz - faunatunnel" dient tijdens de aanleg van de bij de hoofdbestemming horende halfverharding/ fietspad, de faunatunnels en voorzieningen horende bij de faunatunnels te worden aangelegd. Informatie over de aanlegvoorwaarden de faunatunnels is opgenomen in Bijlage 2 Uitwerking faunatunnel.

16.2.1

De gronden ter plaatse van de aanduiding "overige zone - cultuurhistorisch vlak" zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken.

16.2.2 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden

a. Verbod

Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:

a. slopen, gedeeltelijk slopen van of doorvoeren van ingrijpende aanpassingen aan historische bebouwing;

b. graven, verbreden, verdiepen, dempen of verleggen van waterpartijen of waterlopen;

c. verwijderen of kappen van (opgaande) begroeiing;

d. ophogen, afgraven of egaliseren van gronden; het aanleggen, verharden, verbreden, verwijderen en wijzigen van paden- en wegentracés;

e. aanplanten van opgaande begroeiing of toevoegen van nieuwe bebouwing.

Voor een nadere beschrijving van de hierboven genoemde werken en/of werkzaamheden zie Bijlage 1 bij deze regels.

b Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in sub a is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;

b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

c. Toelaatbaarheid

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 16.2.2 sub a zijn slechts toelaatbaar, mits is aangetoond dat uitoefening van de werken en/of werkzaamheden niet strijdig is met de belangen van de in 16.2.1 bedoelde cultuurhistorische waarden, waarbij mede wordt getoetst aan de in Bijlage 1 genoemde LNC-belangen.

Persaankondiging

Aanleg en verbreden van fietspaden in de Cartierheide in Bladel

Uitspraak over het bestemmingsplan ‘Cartierheide’ dat de gemeenteraad van Bladel heeft vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om bestaande (fiets)paden in de Cartierheide te verbreden en nieuwe aan te leggen. Hiermee wil de gemeente de verkeersveiligheid verbeteren. De Cartierheide is een natuurgebied en ligt ten zuiden van de A67. Stichting Milieu-Werkgroep Kempenland en Stichting Brabantse Milieufederatie zijn het niet eens met het bestemmingsplan en zijn daartegen in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Volgens hen worden met de aanleg en de verbreding van de fietspaden de natuurwaarden in het gebied aangetast. Daarom is het plan volgens de stichtingen in strijd met de zogeheten Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 1 juli 2026 op zitting behandeld.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon