Uitspraak 202502828/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5640
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 21 mei 2024 heeft het college een aanvraag van [appellant] om nadeelcompensatie afgewezen. [appellant] heeft een eenmanszaak met een bedrijfslocatie aan de [locatie] in Rotterdam. Zijn werkzaamheden bestaan voornamelijk uit het laden en lossen van vrachtauto’s en uit de op- en overslag van goederen in de bedrijfslocatie. De bedrijfslocatie is bereikbaar via de Jonker Fransstraat. In de periode van mei 2023 tot en met oktober 2023 hebben werkzaamheden aan de Jonker Fransstraat plaatsgevonden, waardoor de bedrijfslocatie niet bereikbaar was en [appellant] elders, vaak op de openbare weg of op de stoep, moest laden en lossen. Hierdoor is de goede en efficiënte bedrijfsvoering van zijn bedrijf belemmerd, met de nodige vertragingen, problemen en obstakels, in de vorm van overlast voor de overige weggebruikers en de daaruit voortvloeiende ruzies en strubbelingen, als gevolg.
- Hoger beroep
- Schadevergoeding
Toon inhoud
202502828/1/A2.
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appelant], wonend in Rotterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 april 2025 in zaak nr. 24/9331 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 21 mei 2024 heeft het college een aanvraag van [appellant] om nadeelcompensatie afgewezen.
Bij besluit van 9 september 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 juli 2026, waar [appellant] is verschenen.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling bij brief van 3 juli 2026 het onderzoek heropend en het college verzocht nadere stukken over te leggen. Het college heeft dit op 8 juli 2026 gedaan.
Omdat geen van de partijen desgevraagd heeft laten weten gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. [appellant] heeft een eenmanszaak met een bedrijfslocatie aan de [locatie] in Rotterdam. Zijn werkzaamheden bestaan voornamelijk uit het laden en lossen van vrachtauto’s en uit de op- en overslag van goederen in de bedrijfslocatie. De bedrijfslocatie is bereikbaar via de Jonker Fransstraat.
2. In de periode van mei 2023 tot en met oktober 2023 hebben werkzaamheden aan de Jonker Fransstraat plaatsgevonden, waardoor de bedrijfslocatie niet bereikbaar was en [appellant] elders, vaak op de openbare weg of op de stoep, moest laden en lossen. Hierdoor is de goede en efficiënte bedrijfsvoering van zijn bedrijf belemmerd, met de nodige vertragingen, problemen en obstakels, in de vorm van overlast voor de overige weggebruikers en de daaruit voortvloeiende ruzies en strubbelingen, als gevolg.
3. In zijn aanvraag om nadeelcompensatie heeft [appellant] gesteld dat hij door de werkzaamheden aan de Jonker Fransstraat per werkdag minstens twee uren extra moest werken, omdat hij een langere afstand moest lopen tussen de bedrijfslocatie en de vrachtauto. Zijn uurloon is € 75,00. In de schadeperiode heeft hij 120 dagen gewerkt. Dit komt neer op een schade van € 18.000,00. Bij e-mail van 25 september 2023 heeft [appellant] te kennen gegeven dat het eerder opgegeven uurloon niet klopt en dat dit € 165,00 moet zijn. Dit komt neer op een schade van € 39.600,00.
4. Het college heeft aan het besluit van 21 mei 2024 het advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) van 16 april 2024 ten grondslag gelegd. In dit advies is de SAOZ tot de conclusie gekomen dat objectiveerbare en aan de werkzaamheden toerekenbare onevenredige schade ontbreekt. Bij de SAOZ zijn vragen gerezen over de juistheid van het opgegeven uurtarief, over het aantal uren dat [appellant] per dag extra zou hebben gewerkt en over het aantal dagen per maand dat hij heeft gewerkt. [appellant] heeft de gestelde extra gewerkte uren niet aangetoond.
5. Bij besluit van 9 september 2024 is het college, in navolging van het advies van de algemene bezwaarschriftencommissie, bij zijn besluit van 21 mei 2024 gebleven. Wel heeft het college aan de motivering daarvan nog het volgende toegevoegd.
[appellant] heeft op de hoorzitting in bezwaar verklaard dat zijn uurloon € 43,30 is. Uitgaande van 110 werkdagen en twee uren extra werk per dag, is het schadebedrag gelijk aan € 9.526,00. Zonder de wegwerkzaamheden zou [appellant] bij een extra inzet van twee uren per dag over 110 dagen theoretisch dat bedrag aan extra omzet hebben kunnen genereren. Schade wordt evenwel niet vergoed als het schadebedrag onder het normale maatschappelijke risico valt. Dat is het geval als de schade niet hoger is dan de drempel die in het kader van het normale maatschappelijke risico wordt gehanteerd. In de Beleidsregel Nadeelcompensatie Rotterdam (de Beleidsregel) is deze drempel vastgesteld op 8% van de gemiddelde jaaromzet of gemiddelde jaarbrutowinst. De omzet over 2022 was € 329.984,00. De drempel van 8% is dan € 26.399,00. Als wordt uitgegaan van een schadebedrag van € 9.526,00, is de schade dus niet hoger dan de drempel. Hetzelfde geldt als [appellant] alle dagen in de schadeperiode zou hebben gewerkt, omdat de schade dan € 11.085,00 is.
6. De rechtbank heeft overwogen dat het college de aanvraag om nadeelcompensatie heeft mogen afwijzen. Het college heeft mogen uitgaan van het advies van de SAOZ. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij in de schadeperiode iedere dag twee uur extra heeft gewerkt. Omdat [appellant] een eenmanszaak heeft, is het weliswaar niet onlogisch dat hij zijn gewerkte uren niet heeft bijgehouden, maar dat neemt niet weg dat hij de gestelde schade aannemelijk moet maken op basis van objectieve gegevens.
De rechtbank heeft verder overwogen dat zij het college volgt in de stelling dat [appellant] geen recht heeft op schadevergoeding als hij, zoals hij heeft aangevoerd, twee uur per dag extra heeft gewerkt voor een uurloon van € 43,30 uur. De schade valt in dat geval onder het normale maatschappelijke risico. Het college mocht bij het vaststellen van de omvang van het normale maatschappelijke risico uitgaan van een drempel van 8% van de gemiddelde jaaromzet of gemiddelde jaarbrutowinst. Dit percentage is vermeld in de Beleidsregel en wordt ook in andere gemeentes gebruikt bij reguliere werkzaamheden. Niet valt in te zien dat het college in het geval van [appellant] een ander percentage had moeten toepassen.
7. [appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Hij betoogt dat in het advies van de SAOZ is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten over zijn inkomsten per uur en het aantal gewerkte dagen in de schadeperiode. Verder betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de Beleidsregel heeft mogen toepassen.
7.1. In de Beleidsregel is, voor zover hier relevant, vermeld dat de betrokkene in beginsel de lasten die voortvloeien uit rechtmatig overheidshandelen zelf moet dragen en dat het college om die reden stelt dat een omzetverlies of een brutowinstderving van minder dan 8% van de gemiddelde jaaromzet of gemiddelde jaarbrutowinst niet voor vergoeding in aanmerking komt vanwege het normale maatschappelijke risico. Op grond van bijzondere omstandigheden, die door de betrokkene objectief moeten worden aangetoond en onderbouwd, kan worden afgeweken van de drempelwaarde van 8%.
7.2. Zonder nadere toelichting, die [appellant] in zijn hogerberoepschrift en op de zitting van de Afdeling niet heeft gegeven, valt niet in te zien dat, zoals hij aanvoert, het college de Beleidsregel en, in het bijzonder, de daarin vastgestelde drempel in zijn geval niet had mogen toepassen. Uit zijn betoog blijkt verder niet van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de Beleidsregel.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank, daargelaten het antwoord op de vraag of [appellant] de door hem gestelde schade aannemelijk heeft gemaakt en of in het advies van de SAOZ is uitgegaan van de juiste uitgangspunten over zijn inkomsten per uur en het aantal gewerkte dagen in de schadeperiode, terecht overwogen dat die schade binnen het normale maatschappelijke risico valt. De Afdeling betrekt in haar oordeel de omzet van het bedrijf van [appellant] in de drie jaren voorafgaand aan 2023, het schadejaar (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4565, onder 47).
Volgens de aangiften inkomstenbelasting, die het college in reactie op de brief van de Afdeling van 3 juli 2026 heeft overgelegd, had het bedrijf van [appellant] in de jaren 2020 tot en met 2022 een omzet van achtereenvolgens € 125.676, € 228.335 en € 329.984. Dat is gemiddeld over deze periode € 227.998,33 per jaar. Dat betekent dat de drempel van het normale maatschappelijke risico gelijk is aan € 18.239,87.
Uit het betoog van [appellant] volgt dat de gestelde schade ten hoogste € 11.084,80 is. De gestelde schade overstijgt de drempelwaarde niet en valt dus binnen het normale maatschappelijke risico.
7.3. Het betoog slaagt niet.
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
452-1175