Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.26.003501

Uitspraak BRS.26.003501

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5455
Datum uitspraak
16 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 22 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.
  • Hoger beroep
  • Bewaring

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.26.003501
ECLI:NL:RVS:2026:5455

Datum uitspraak: 16 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 6 juli 2026 in zaak nr. NL26.34765 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2026 heeft de minister appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 6 juli 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.T.V. Le, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

Inleiding

1.        Appellant is in afwachting van een beslissing op zijn asielaanvraag in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Op 10 juni 2026 is zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard en is tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. De grondslag van de maatregel van vreemdelingenbewaring is daarom op 11 juni 2026 omgezet naar artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Appellant heeft tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank om een voorlopige voorziening verzocht. Het verzoek om een voorlopige voorziening is op 18 juni 2026 toegewezen. Daarbij is bepaald dat het besluit van 10 juni 2026 is geschorst en dat appellant niet mag worden uitgezet totdat op zijn beroep is beslist. Volgens de voorzieningenrechter is daarbij van belang dat appellant heeft meegedeeld in de beroepsfase landeninformatie over te willen leggen, waaruit blijkt dat in eerwraakzaken geen bescherming bij de Algerijnse autoriteiten kan worden gevraagd. Omdat appellant hierdoor vervolgens weer rechtmatig verblijf kreeg, is op 22 juni 2026 de grondslag van de maatregel van vreemdelingenbewaring omgezet naar artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Deze zaak gaat over de vraag of de minister appellant op die grondslag in vreemdelingenbewaring kon stellen.

Uitspraak van de rechtbank

2.        De rechtbank heeft overwogen dat geen sprake is van een onjuiste grondslag voor de inbewaringstelling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende toegelicht dat vreemdelingenbewaring noodzakelijk is voor de beoordeling en verwerking van de door appellant over te leggen bewijsmiddelen, omdat uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank volgt dat een nadere bestudering van de asielaanvraag vereist is. Door de toegewezen voorlopige voorziening verblijft appellant rechtmatig in Nederland. Daarom kan hij volgens de rechtbank in afwachting van zijn beroepsprocedure in vreemdelingenbewaring worden gesteld en gehouden op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Hoger beroep

3.        Appellant klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister op 10 juni 2026 op zijn asielaanvraag heeft beslist en dat hij daarom niet meer op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring kon worden gesteld. Appellant wijst hiervoor onder meer op de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1710, onder 10.3. Daaruit volgt immers dat die grondslag niet kan worden gebruikt wanneer op de asielaanvraag is beslist.

3.1.        Uit de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2019 volgt dat uit de bewoordingen van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn (2013/33/EU), "om gegevens te verkrijgen die ten grondslag liggen aan het verzoek […]", moet worden afgeleid dat deze grondslag uitsluitend is bedoeld voor de duur van de behandeling van het asielverzoek tot aan de beslissing daarop door de minister. Deze uitleg vindt volgens de Afdeling ook steun in de omzetting door de wetgever van deze bepaling in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 (oud). Uit de bewoordingen "[…] gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag […]" blijkt immers nog duidelijker dat artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn niet geschikt is als grondslag voor vrijheidsontneming na afwijzing van het asielverzoek door de minister. De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd in de uitspraak van 4 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:230, onder 3.1 en 3.2.

3.2.        Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact in werking getreden. In de herschikte Opvangrichtlijn (2024/1346) is in artikel 10, vierde lid, aanhef en onder b, bepaald dat een asielzoeker in bewaring mag worden gehouden "om de gegevens vast te stellen die ten grondslag liggen aan het verzoek […]". De Nederlandse wetgever heeft de bewoordingen van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 daarom aangepast en in de memorie van toelichting van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026 (Kamerstukken II 2025-2026, 36 871, nr. 3, p. 66) toegelicht dat met de implementatie van de herschikte Opvangrichtlijn uitdrukkelijk is bedoeld het voortzetten van de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 gedurende de beroepsfase in de asielprocedure mogelijk te maken.

3.3.        Naar het oordeel van de Afdeling verschilt de inhoud van artikel 10, vierde lid, aanhef en onder b, van de herschikte Opvangrichtlijn niet wezenlijk van de tekst van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de oude Opvangrichtlijn. Dit wordt bevestigd door een vergelijking van de Franse, Duitse en Engelse taalversies van deze twee artikelen. Daarin is de relevante terminologie van de herschikte Opvangrichtlijn (‘pour déterminer les éléments’, ‘um Beweismittel zu sichern’, ‘to determine the elements’) ten opzichte van de oude Opvangrichtlijn (‘pour déterminer les éléments’, ‘um Beweise zu sichern’, ‘to determine those elements’) niet veranderd. Daaruit blijkt dat de Uniewetgever geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd. Eerder lijkt met de aanpassing in de Nederlandse taalversie het artikel in de herschikte Opvangrichtlijn met de andere taalversies in lijn te zijn gebracht. De gewijzigde terminologie in de Nederlandse versie van het artikel in de herschikte Opvangrichtlijn wijst dus niet op nieuwe of verruimde mogelijkheden om een persoon op grond van dat artikel in vreemdelingenbewaring te stellen. Deze mogelijkheden zijn net als onder de oude Opvangrichtlijn limitatief opgesomd (zie het arrest van het Hof van Justitie van 16 april 2026, Danané, ECLI:EU:C:2026:301, punt 83). Dat in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 niet langer staat "gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag", maakt dat niet anders. Dit artikel moet immers worden uitgelegd in het licht van artikel 10, vierde lid, aanhef en onder b, van de herschikte Opvangrichtlijn. Zoals gezegd, laat dit artikel niet toe dat iemand in vreemdelingenbewaring wordt geplaatst tijdens de beroepsfase om dergelijke gegevens te verzamelen. De omstandigheid dat de minister zich voldoende geïnformeerd acht om een besluit te nemen, impliceert dat hij zijns inziens alle nodige informatie heeft verkregen.

3.4.        Omdat in deze zaak al een besluit was genomen op de asielaanvraag, betekent het voorgaande dat de minister na de toewijzing van de voorlopige voorziening op 18 juni 2026 de grondslag van de maatregel ten onrechte heeft omgezet naar artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De grief slaagt.

4.        Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

Conclusie

5.        Omdat de maatregel van vreemdelingenbewaring vanaf het begin onrechtmatig is, bestaat voor ambtshalve toetsing door de Afdeling geen aanleiding. Het hoger beroep is gegrond. Wat appellant verder aanvoert, behoeft geen bespreking. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond. De maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgeheven met ingang van vandaag. Ook heeft appellant recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 6 juli 2026 in zaak nr. NL26.34765;

III.        verklaart het beroep gegrond;

IV.        bepaalt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag wordt opgeheven;

V.        kent aan appellant een vergoeding toe van € 10.440,00 , over de periode van 22 juni 2026 tot en met 16 september 2026, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

VI.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

w.g. Sevenster
voorzitter

w.g. Vos
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026

644-1204


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon