Uitspraak BRS.26.004649
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5449
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 16 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.004649
ECLI:NL:RVS:2026:5449
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 augustus 2026 in zaak nr. NL26.40794 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 16 juli 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij mondelinge uitspraak van 18 augustus 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Omdat het proces-verbaal van de uitspraak van de rechtbank aan u is verstuurd op 27 augustus 2026 liep de termijn voor hoger beroep af op 3 september 2026. U heeft op de laatste dag van de hogerberoepstermijn hoger beroep ingesteld en verzocht om een nadere termijn voor het indienen van gronden. Die mogelijkheid biedt de Nederlandse wet (de Vw 2000) niet. U moet binnen de hogerberoepstermijn ook de gronden indienen en dat heeft u niet gedaan. Omdat u daardoor niet heeft uitgelegd waarom de uitspraak van de rechtbank volgens u niet juist is, kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000). Er doen zich in uw geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664, die maken dat uw hoger beroep toch inhoudelijk moet worden behandeld omdat u een onmiskenbaar risico loopt op onmenselijke behandeling.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. de Vries-van Trappen, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vries-van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
985