Uitspraak BRS.26.004487
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5439
- Datum uitspraak
- 15 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 21 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.004487
ECLI:NL:RVS:2026:5439
Datum uitspraak: 15 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 augustus 2026 in zaak nr. NL26.28670 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 21 mei 2026 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 18 augustus 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen om binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak aan betrokkene een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen met als ingangsdatum 1 december 2023, geldig tot 1 december 2028.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2. De beoordeling van de grieven vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom en gelet op de belangen die de minister naar voren heeft gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van C.M.J.B. A Campo LLM, griffier.
w.g. Den Heyer
voorzieningenrechter
w.g. A Campo
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2026
907