Uitspraak 202601008/1/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5503
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 30 december 2025 heeft het college zijn beslissing om op 23 december 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 10. eerste lid, onder b, van de Afvalstoffenverordening Groningen en artikel 11, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Groningen 2025 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 212,10 voor rekening van [appellante] komen. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos, die op 23 december 2025 is aangetroffen naast de ondergrondse papiercontainer ter hoogte van de Savorin Lohmanlaan in Groningen. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de kartonnen doos verkeerd heeft aangeboden, omdat er op de doos een adreslabel staat met haar naam- en adresgegevens.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Afval
Toon inhoud
202601008/1/R4.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[appellante], wonend in Groningen,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Groningen,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 30 december 2025 heeft het college zijn beslissing om op 23 december 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 10. eerste lid, onder b, van de Afvalstoffenverordening Groningen en artikel 11, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Groningen 2025 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 212,10 voor rekening van [appellante] komen.
Bij besluit van 23 februari 2026 heeft het college het door [appellante]daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos, die op 23 december 2025 is aangetroffen naast de ondergrondse papiercontainer ter hoogte van de Savorin Lohmanlaan in Groningen. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de kartonnen doos verkeerd heeft aangeboden, omdat er op de doos een adreslabel staat met haar naam- en adresgegevens.
2. [appellante] stelt dat zij de kartonnen doos niet op 23 december 2025 naast of buiten de container heeft geplaatst. Zij betoogt dat zij de doos op 22 december 2025 in de ondergrondse papiercontainer heeft gedeponeerd. Volgens haar waren alle vier ondergrondse papiercontainers in de omgeving op dat moment vol. Zij heeft de doos daarom met moeite in de opening van de container geschoven. [appellante] stelt dat de doos vervolgens, buiten haar toedoen, buiten de container terecht is gekomen. Volgens haar kan dit het gevolg zijn geweest van de overvolle container of van handelen door derden.
[appellante] wijst er verder op dat tussen het moment waarop zij de doos heeft aangeboden en het moment waarop de toezichthouder deze heeft aangetroffen, ten minste één dag is verstreken. Volgens haar kunnen derden de doos in die periode hebben verplaatst en is niet onderzocht wat in die tussenliggende periode met de doos is gebeurd. Het enkele feit dat op de doos haar naam- en adresgegevens zijn aangetroffen, is volgens haar daarom onvoldoende om aan te nemen dat zij de doos verkeerd ter inzameling heeft aangeboden.
Ter onderbouwing van haar stelling dat de containers vol waren heeft [appellante] sensordata verstrekt, waaruit blijkt dat de ondergrondse papiercontainers vol waren.
[appellante] voert verder aan dat de door het college aangehaalde uitspraken, waaronder ECLI:NL:RVS:2024:122 en ECLI:NL:RVS:2025:5179, niet beslissend zijn, omdat die volgens haar op andere feitelijke situaties zien. Volgens haar stond in die zaken, niet zoals hier, centraal of het afval daadwerkelijk op onjuiste wijze ter inzameling was aangeboden.
[appellante] beroept zich verder op de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2051. Volgens haar volgt daaruit dat een consistente verklaring, in samenhang met objectieve gegevens, voldoende kan zijn om het bewijsvermoeden te weerleggen. Zij stelt dat haar verklaring gedurende de procedure consistent is geweest en door de door haar overlegde stukken wordt ondersteund. Het college heeft volgens [appellante] onvoldoende onderzoek gedaan naar haar verklaring en heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat zij de overtreding heeft begaan. Zij stelt dat zij hiermee het op haar rustende bewijsvermoeden heeft weerlegd.
3. Artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening gemeente Groningen 2025 houdt in dat het verboden is huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door burgemeester en wethouders te stellen regels over het gebruik van inzamelvoorzieningen.
Artikel 11, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Groningen 2025 houdt in dat de inzamelvoorziening na gebruik niet verstopt of beschadigd mag raken.
Artikel 11, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Groningen 2025 houdt in dat geen afvalstoffen buiten de inzamelvoorziening mogen achterblijven.
4. Een toezichthouder heeft op 23 december 2025 een kartonnen doos aangetroffen naast de ondergrondse papiercontainer. Op de kartonnen doos zijn naam- en adresgegevens aangetroffen. Volgens vaste rechtspraak mag in zo’n geval aangenomen dat degene tot wie het afval is te herleiden, dit afval op onjuiste wijze ter inzameling heeft aangeboden en dus de overtreder is, tenzij hij of zij het tegendeel aannemelijk maakt. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.
4.1. [appellante] heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de kartonnen doos zonder haar toedoen buiten de container terecht is gekomen. Daarbij is van belang dat zij zelf heeft verklaard dat alle vier de ondergrondse papiercontainers in de omgeving op het moment van aanbieding vol waren en dat zij de doos met moeite in de opening van één van de containers heeft geschoven. Uit artikel 11, vierde en vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit volgt dat een inzamelvoorziening na gebruik niet verstopt mag raken en dat geen afvalstoffen buiten de inzamelvoorziening mogen achterblijven. Indien [appellante] constateerde dat de papiercontainers zodanig vol waren dat zij de doos slechts met moeite in de opening kon schuiven, lag het op haar weg de doos weer mee naar huis te nemen en deze op een later moment aan te bieden, dan wel gebruik te maken van een andere, niet volle inzamelvoorziening.
Door de doos desondanks in de volle container te schuiven, heeft [appellante] het risico vergroot dat de doos niet volledig in de container terecht zou komen, daaruit weer naar buiten zou raken of door een volgende gebruiker zou worden verplaatst. Dat tussen het moment waarop zij de doos heeft aangeboden en het moment waarop de toezichthouder deze naast de container heeft aangetroffen ten minste één dag is verstreken, maakt dit niet anders. De door [appellante] overgelegde sensordata, waaruit blijkt dat de containers op het moment van aanbieden vol waren, ondersteunen weliswaar haar verklaring over de staat van de containers, maar niet de conclusie dat zij de doos volledig en op juiste wijze in de container heeft gedeponeerd.
Het betoog van [appellante] dat de door het college aangehaalde jurisprudentie niet beslissend is voor deze zaak, leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraken stond, anders dan in deze zaak, vast dat de betrokkenen hun afval naast een volle container hadden geplaatst. Echter, daaruit volgt ook dat de omstandigheid dat een inzamelvoorziening vol is, iemand niet ontslaat van de verplichting het afval overeenkomstig de daarvoor geldende regels aan te bieden. Van degene die constateert dat een inzamelvoorziening vol is, mag worden verwacht dat het afval op een ander moment of bij een andere inzamelvoorziening wordt aangeboden.
De verwijzing van [appellante] naar de uitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2051, leidt ook dit niet tot een ander oordeel. In de zaak die tot die uitspraak heeft geleid, waren door de appellante namelijk meer en andere omstandigheden naar voren gebracht dan [appellante] doet.
Het betoog slaagt niet.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
195