Uitspraak 202601288/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5395
- Datum uitspraak
- 4 september 2026
- Inhoudsindicatie
- [appellant] is voor het ingestelde hoger beroep griffierecht verschuldigd. Bij brief van 29 april 2026 is een termijn gesteld tot 27 mei 2026 om het griffierecht te betalen.
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
202601288/1/A2.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Deventer,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 23 april 2026 in zaken nrs. 25/3402 en 25/3510 in het geding tussen:
[appellant]
en
de deken van de Orde van Advocaten Noord-Holland.
Openbare zitting gehouden op 4 september 2026 om 13:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.C.W. Lange, voorzitter
Griffier: mr. S. Yildiz
Jurist: mr. F.L. de Boer
Verschenen:
De deken van de Orde van Advocaten Noord-Holland, vertegenwoordigd door mr. M. de Rek en mr. E.M.J. Sengers;
====================================
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 23 april 2026 van de rechtbank Overijssel.
De Afdeling verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Gronden:
[appellant] is voor het ingestelde hoger beroep griffierecht verschuldigd. Bij brief van 29 april 2026 is een termijn gesteld tot 27 mei 2026 om het griffierecht te betalen. [appellant] heeft een beroep op betalingsonmacht ingediend. [appellant] is bij brief van 11 juni 2026 in de gelegenheid gesteld om stukken over te leggen waaruit zijn inkomen en vermogen blijkt. [appellant] heeft daar niet op gereageerd. Bij brief van 29 juni 2026 is zijn verzoek daarom afgewezen en bij brief van 30 juni 2026 is aan [appellant] een termijn gesteld tot 28 juli 2026 om het verschuldigde griffierecht te betalen. Ook is nogmaals vermeld dat, als het te betalen griffierecht niet op de vermelde datum is ontvangen, [appellant] ervan moet uitgaan dat alleen al daarom niet-ontvankelijkverklaring zal volgen en zijn zaak dan niet inhoudelijk wordt behandeld. De aangetekend verzonden brief van 30 juni 2026 is door het desbetreffende postbedrijf teruggezonden naar de Afdeling bestuursrechtspraak. Bij brief van 20 juli 2026 is de brief van 30 juni 2026 per gewone post nogmaals aan [appellant] toegezonden. [appellant] is erop gewezen dat de gestelde termijn onveranderd is gebleven. Bij brief van 5 augustus 2026 is [appellant] in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat hij het verschuldigde griffierecht volledig had voldaan binnen de daarvoor gestelde termijn. [appellant] is erop gewezen dat voor zover de mogelijkheid van niet-ontvankelijkheid is genoemd, deze onverkort geldt. Ook daarop heeft [appellant] niet gereageerd.
De Afdeling stelt vast dat het griffierecht niet op de rekening van de Raad van State is bijgeschreven of contant op het adres van de Raad van State is voldaan.
Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellant] in verzuim is geweest.
Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is en de Afdeling niet kan toekomen aan het geven van een oordeel over wat in hoger beroep is aangevoerd.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Yildiz
griffier
594-1180