Uitspraak BRS.26.004348
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5365
- Datum uitspraak
- 11 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 30 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellanten een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.004348
ECLI:NL:RVS:2026:5365
Datum uitspraak: 11 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 12 augustus 2026 in zaken nrs. NL26.43310 en NL26.43339 in het geding tussen:
[appellanten]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 30 juli 2026 heeft de minister appellanten een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 12 augustus 2026 heeft de rechtbank de met een kennisgeving daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. F.M. Holwerda, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077, over de toepassing van de asielgrensprocedure en de omvang van de lichter-middel-beoordeling in grensdetentiezaken). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. De Afdeling heeft in die uitspraak ook uitgelegd waarom zij geen reden ziet hierover prejudiciële vragen te stellen.
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026
1125-846