Uitspraak BRS.26.004598
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5384
- Datum uitspraak
- 11 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 17 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.004598 en BRS.26.004599
ECLI:NL:RVS:2026:5384
Datum uitspraak: 11 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant], mede voor haar minderjarige kinderen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 13 augustus 2026 in zaak nr. NL25.54786 in het geding tussen:
[appellant], mede voor haar minderjarige kinderen
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 17 oktober 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 13 augustus 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H.T. Gerbrandy, advocaat in Leeuwarden, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant betoogt in haar tweede grief dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de minister over de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te terughoudend heeft getoetst. Naar het oordeel van de Afdeling zou een indringendere toets echter niet tot een ander oordeel leiden.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over de indringendheid van de rechterlijke toetsing in asielzaken niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat daarom geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Wat appellant in haar eerste grief aanvoert leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept de grief geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Stoové
voorzieningenrechter
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026
977