Uitspraak BRS.26.001866
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5385
- Datum uitspraak
- 11 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 13 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.001866
ECLI:NL:RVS:2026:5385
Datum uitspraak: 11 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 8 april 2026 in zaak nr. NL26.15684 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 8 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. van Elp, advocaat in Lelystad, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader en het beleidskader zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2. Appellant klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister onvoldoende inspanningen heeft verricht om appellant tijdens het gehoor door zijn voorkeursadvocaat te laten bijstaan. Anders dan de rechtbank heeft weergegeven, blijkt uit het proces-verbaal van gehoor van 13 maart 2026 dat de minister contact heeft gehad met de voorkeursadvocaat over de voorgenomen inbewaringstelling, maar dat de minister vervolgens een piketadvocaat heeft ingeschakeld, omdat de voorkeursadvocaat niet stond ingeschreven op de lijst bij de Raad voor Rechtsbijstand van advocaten die vreemdelingen die in bewaring zitten mogen bijstaan. Appellant betoogt terecht dat een dergelijke inschrijving geen voorwaarde is om tijdens het gehoor rechtsbijstand te kunnen verlenen en daarom geen reden vormde voor de minister om van verder contact met de voorkeursadvocaat af te zien. Door zonder voorafgaand overleg met appellant de piketcentrale in te schakelen terwijl de voorkeursadvocaat bereikbaar was, heeft de minister niet in overeenstemming met het recht op vrije advocaatkeuze, bedoeld in artikel 99 van de Vw 2000 en het beleid in paragraaf A5/6.5 van de Vc 2000 gehandeld. In zoverre is sprake van een gebrek.
2.1. Dit gebrek maakt de bewaring pas onrechtmatig als de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De Afdeling is van oordeel dat de belangenafweging in dit geval in het voordeel van de minister uitvalt. Daarbij is van belang dat appellant geen rechtsbijstand is onthouden. De minister heeft namelijk wel tijdig een piketmelding gedaan die om 10.27 uur door de piketadvocaat is geaccepteerd. Ook heeft de minister het gehoor met twee uur uitgesteld vanaf het moment dat de piketadvocaat van het voornemen tot inbewaringstelling was ingelicht. Om 14.45 uur is het gehoor aangevangen en heeft appellant alsnog ingestemd met het horen in afwezigheid van de piketadvocaat. Ook is appellant in de procedure tegen de maatregel van bewaring van 13 maart 2026 alsnog bijgestaan door zijn voorkeursadvocaat.
Omdat de belangenafweging in het voordeel van de minister uitvalt, leidt het gebrek niet tot onrechtmatigheid van de bewaring. Hoewel de klacht dus terecht is voorgedragen, leidt de grief niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
2.2. De grief faalt.
3. Wat appellant verder heeft aangevoerd, leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
4. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, met verbetering van gronden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van C.M.J.B. A Campo LLM, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. A Campo
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026
907-1149
BIJLAGE
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 99
1. De vreemdeling is steeds bevoegd een of meer raadslieden te kiezen.
[…]
Vreemdelingencirculaire 2000
Paragraaf A5/6.5 (zoals geldend ten tijde van het besluit van 13 maart 2026)
De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV stelt de vreemdeling tijdig in kennis van het recht om in het bijzijn van een advocaat gehoord te worden. Als de vreemdeling een advocaat bij het gehoor wenst en een voorkeursadvocaat heeft, dan wordt de voorkeursadvocaat bericht over de voorgenomen inbewaringstelling. Als de voorkeursadvocaat niet bereikbaar is, wordt de piketcentrale bericht over de voorgenomen inbewaringstelling. Bij een hernieuwde inbewaringstelling als bedoeld in paragraaf A5/6.7 Vc kan dit bericht verzonden worden naar de advocaat die de vreemdeling in de eerdere bewaringsprocedure al bijstond.
Er mag met het gehoor worden begonnen zonder bijzijn van een advocaat:
[…]
• indien de vreemdeling wel een advocaat bij het gehoor wenst, en er binnen twee uur na de verzending van het bericht over de voorgenomen inbewaringstelling nog geen advocaat aanwezig is.
[…]