Uitspraak 202200497/2/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5486
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij tussenuitspraak van 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2855, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Beuningen en het college van burgemeester en wethouders van Beuningen opgedragen om binnen 20 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in het besluit van 28 februari 2023, waarbij de raad het bestemmingsplan "Windpark Beuningen" heeft gewijzigd en opnieuw heeft vastgesteld, en het besluit van 13 december 2021, waarbij het college van B en W een omgevingsvergunning heeft verleend voor de bouw en het oprichten en in werking hebben van een windpark met vijf windturbines, te herstellen.
- Eerste aanleg - meervoudig
- Bouwen
- Natuurbescherming
- RO - Gelderland
Toon inhoud
202200497/2/R4.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1A], wonend in Ewijk, gemeente Beuningen, [appellante sub 1B] en [appellant sub 1C] en [appellant sub 1D], allen gevestigd of wonend in Beuningen, [appellant sub 1E], wonend in Beuningen, [appellant sub 1F], wonend in Ewijk, gemeente Beuningen, [appellant sub 1G], wonend in Ewijk, gemeente Beuningen, [appellant sub 1H], wonend in Beuningen, [appellant sub 1I], wonend in Ewijk, gemeente Beuningen, en [appellant sub 1J], gevestigd in Winssen, gemeente Beuningen ([appellant sub 1] en anderen),
2. Rondeel Ewijk B.V., gevestigd in Ewijk, gemeente Beuningen,
3. Stichting Tegenwind(molens) en anderen (de Stichting en anderen), gevestigd of wonend in Bergharen, gemeente Wijchen,
4. [appellant sub 4], wonend in Winssen, gemeente Beuningen,
appellanten,
en
1. de raad van de gemeente Beuningen,
2. het college van burgemeester en wethouders van Beuningen (het college van B en W),
3. het college van gedeputeerde staten van Gelderland (het college van GS),
verweerders.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2855, heeft de Afdeling de raad en het college van B en W opgedragen om binnen 20 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in het besluit van 28 februari 2023, waarbij de raad het bestemmingsplan "Windpark Beuningen" heeft gewijzigd en opnieuw heeft vastgesteld, en het besluit van 13 december 2021, waarbij het college van B en W een omgevingsvergunning heeft verleend voor de bouw en het oprichten en in werking hebben van een windpark met vijf windturbines, te herstellen.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 16 december 2025 het bestemmingsplan "Windpark Beuningen" gewijzigd en opnieuw vastgesteld.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college van B en W bij besluit van 18 december 2025 de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor de bouw en het oprichten en in werking hebben van een windpark met vijf windturbines, gewijzigd.
[appellant sub 1] en anderen, Rondeel Ewijk B.V., de Stichting en anderen en [appellant sub 4] hebben een zienswijze ingediend tegen deze herstelbesluiten.
De raad en het college van B en W hebben een verweerschrift ingediend.
De raad en het college van B en W hebben op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend over de zienswijze van Rondeel Ewijk B.V.
Rondeel Ewijk B.V. heeft hierop op verzoek van de Afdeling gereageerd.
[appellant sub 4] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft bepaald dat een tweede zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden.
1.1. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 18 maart 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
1.2. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 10 december 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
1.3. Als een aanvraag om ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om een ontheffing is ingediend op 10 december 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
De tussenuitspraak
2. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak meerdere gebreken in de besluiten van 28 februari 2023 (gewijzigd vastgesteld bestemmingsplan) en 13 december 2021 (verlening omgevingsvergunning) vastgesteld.
In de eerste plaats heeft de Afdeling onder 29.1 vastgesteld dat niet in artikel 4.4.4, onder a, van de planregels is opgenomen dat het Reken- en meetvoorschrift Windturbines, zoals te vinden in Bijlage 4 van de Activiteitenregeling milieubeheer, van toepassing is en dat Lden conform dat reken- en meetvoorschrift wordt gedefinieerd. De Afdeling heeft geconcludeerd dat de planregeling daarmee in zoverre rechtsonzeker is.
Daarnaast heeft de Afdeling onder 33.1 vastgesteld dat de raad zich met het verzoek aan de Afdeling om zelf voorziend aan artikel 4.4.4 van de planregels een bepaling toe te voegen ter voorkoming van het incidenteel optreden van onaanvaardbare hinder door tonaal geluid, op een ander standpunt heeft gesteld dan hij in het besluit van 28 februari 2023 heeft gedaan en dat niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven. De Afdeling heeft geconcludeerd dat het besluit van 28 februari 2023 daarom is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verder heeft de Afdeling onder 38.4 vastgesteld dat de raad en het college van B en W zich met het verzoek aan de Afdeling om zelf voorziend artikel 4.4.3, onder a, van de planregels en het voorschrift van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu over slagschaduw zodanig aan te passen dat duidelijk is dat in verband met de technische stilzettijd per jaar maximaal 30 minuten slagschaduw per gevoelig object mag optreden, op een ander standpunt hebben gesteld dan zij in het besluit van 28 februari 2023 en het besluit van 13 december 2021 hebben gedaan en dat niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven. De Afdeling heeft geconcludeerd dat die besluiten daarom zijn genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb.
Ook heeft de Afdeling onder 39.4 vastgesteld dat in artikel 4.4.6 van de planregels de voorwaardelijke verplichting is opgenomen dat een nieuwe windturbine slechts in gebruik mag worden genomen en gehouden indien er obstakelverlichting op die windturbine gerealiseerd is conform het verlichtingsplan zoals opgenomen in de bijlage bij de planregels, maar dat de raad heeft erkend dat bedoeld is om in artikel 4.4.6 niet alleen voor te schrijven dat de windturbines niet mogen worden gebruikt zonder dat de voorgeschreven obstakelverlichting wordt aangebracht, maar ook dat deze niet mogen worden gebouwd zonder die verlichting. De Afdeling heeft geconcludeerd dat de raad in het plan iets anders heeft geregeld dan de raad heeft beoogd en het besluit van 28 februari 2023 daarom is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb.
Daarnaast heeft de Afdeling onder 39.6 vastgesteld dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat hij het vanuit het oogpunt van vliegverkeerveiligheid en het woon- en leefklimaat van omwonenden aanvaardbaar acht dat gedurende de nachtperiode rood, vastbrandend licht met gemiddelde lichtintensiteit van type C wordt gehanteerd, maar dat het op basis van de eisen en de principetekeningen die zijn opgenomen in het verlichtingsplan niet is uitgesloten dat in de nachtperiode ook rood flitsende obstakelverlichting kan worden toegepast op de windturbines. De Afdeling heeft geconcludeerd dat het verlichtingsplan op dit punt onduidelijk is en daarin niet precies tot uiting is gekomen wat de raad heeft beoogd, waardoor de verwijzing in artikel 4.4.6 van de planregels naar het verlichtingsplan in zoverre rechtsonzeker is.
Verder heeft de Afdeling onder 42.3 over de helihaven van [appellant sub 4] aan de Betenlaan 3 in Winssen vastgesteld dat in artikel 4.4.2 van de planregels is bepaald dat het windpark slechts in gebruik mag worden genomen en gehouden nadat hiervoor een Verklaring veilig gebruik luchtruim is afgegeven door de Inspectie Leefomgeving en Transport - Luchtvaart (ILT) en dat de raad om verschillende redenen onvoldoende aannemelijk heeft kunnen achten dat het bepaalde in artikel 4.4.2 van de planregels op voorhand niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. De Afdeling heeft geconcludeerd dat het besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering berust.
Tot slot heeft de Afdeling onder 47.3 vastgesteld dat in de berekeningen van de geluidbelasting ter plaatse van de kippenrondeel van Rondeel Ewijk B.V. ten onrechte geen rekening is gehouden met de maximale planologische mogelijkheid van een uitbreiding van de kippenrondeel in de richting van de dichtstbij voorziene windturbine.
3. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad en het college van B en W opgedragen om binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak de besluiten van 28 februari 2023 (gewijzigd vastgesteld bestemmingsplan) en 13 december 2021 (verlening omgevingsvergunning) te herstellen, met inachtneming van wat is overwogen in 29.1, 33.1, 38.4, 39.4, 39.6, 42.3 en 47.3.
Herstel
4. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 16 december 2025 het bestemmingsplan gewijzigd en opnieuw vastgesteld. De raad heeft verschillende planregels gewijzigd of toegevoegd, onder meer over tonaal geluid, slagschaduw en obstakelverlichting. Ook zijn er verschillende bijlagen aan de planregels toegevoegd, zoals het Reken- en meetvoorschrift windturbines en een stopprotocol voor de helihaven. De bijlage bij de planregels over het verlichtingsplan is aangepast. Aan de bijlagen bij de plantoelichting zijn onder meer geluidberekeningen voor de kippenrondeel, een Verklaring veilig gebruik luchtruim en een aanvullend onderzoek naar de vliegveiligheid en het stopprotocol toegevoegd. Ook de plantoelichting zelf is aangepast.
4.1. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college van B en W bij besluit van 18 december 2025 de omgevingsvergunning gewijzigd. Het voorschrift over slagschaduw is aangepast.
4.2. De herstelbesluiten van 16 december 2025 en 18 december 2025 zijn op grond van artikel 6:19 van de Awb mede onderwerp van het geding. De beroepen van [appellant sub 1] en anderen, Rondeel Ewijk B.V., de Stichting en anderen en [appellant sub 4] zijn van rechtswege mede gericht tegen deze besluiten.
De zienswijze van [appellant sub 1] en anderen
5. [appellant sub 1] en anderen hebben in hun zienswijze vermeld dat zij geen opmerkingen hebben over de herstelbesluiten. Dit betekent dat zij geen beroepsgronden tegen de herstelbesluiten hebben aangevoerd. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen de herstelbesluiten is daarom ongegrond.
De zienswijze van [appellant sub 4]
6. [appellant sub 4] betoogt met betrekking tot zijn helihaven aan de [locatie 1] in Winssen dat het herstelbesluit van de raad van 16 december 2025 nog steeds onvoldoende waarborgen biedt voor de vliegveiligheid. Daartoe voert hij verschillende punten aan over het stopprotocol en het gebruik van een passief radarsysteem.
6.1. De Afdeling heeft onder 42.3 van de tussenuitspraak overwogen dat uit de rapporten ‘Helihaven Winssen i.r.t. Windpark Beuningen' van Adecs AirInfra van 20 juli 2021 en ’Onderzoek turbulentie nabij helihaven Winssen' van Adecs AirInfra van 16 september 2021 volgt dat het mogelijk is om zowel het windpark als de helihaven in elkaars nabijheid te laten functioneren. Maar daarvoor is het nodig om enkele windturbines bij bepaalde windomstandigheden stil te zetten, zodat er geen verstoringen voor de helihaven optreden. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat daartoe nadere afstemming moet plaatsvinden met [appellant sub 4] over het gebruik van de helihaven en dat een technische voorziening moet worden gerealiseerd waarmee de windturbines kunnen worden stilgezet. Verder heeft de Afdeling overwogen dat de raad heeft aangegeven dat het in dit licht aannemelijk is dat een Verklaring veilig gebruik luchtruim door de Inspectie Leefomgeving en Transport - Luchtvaart (ILT) kan worden afgegeven, maar dat de Afdeling er onvoldoende van overtuigd is geraakt of aannemelijk is dat de benodigde verklaring door de ILT kan worden afgegeven. De Afdeling heeft geconcludeerd dat de raad gelet daarop onvoldoende aannemelijk heeft kunnen achten dat het bepaalde in artikel 4.4.2 van de planregels op voorhand niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan.
6.2. Artikel 4.4.2 (Veilig gebruik luchtruim) van de planregels luidt:
"Het in gebruik nemen en houden van de windturbines is slechts toegestaan nadat hier-voor een Verklaring Veilig gebruik Luchtruim van de Inspectie Leefomgeving en Transport is afgegeven."
6.3. De Afdeling stelt vast dat de ILT op 30 september 2025 een Verklaring veilig gebruik luchtruim heeft afgegeven, waarin is vermeld dat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat verklaart dat het veilig gebruik van het luchtruim door het luchthavenverkeer, zoals opgenomen in de luchthavenregeling helikoptervluchthaven [appellant sub 4] te Wissen, is gewaarborgd op grond van de door de provincie aangeleverde informatie die is beoordeeld op technisch-operationele veiligheidscriteria, voortvloeiende uit nationale luchtvaartwet- en regelgeving. Deze Verklaring van de ILT van 30 september 2025 is als bijlage U bij de plantoelichting gevoegd.
6.4. Verder stelt de Afdeling vast dat als bijlage 3 aan de planregels het ‘Stopprotocol t.b.v. helihaven’ is toegevoegd en dat artikel 4.4.7 aan de planregels is toegevoegd.
Artikel 4.4.7 (Stopprotocol vanwege helihaven) luidt:
"Zolang de helihaven aan de Betenlaan 3 in Winssen in gebruik is geldt het volgende:
a. De windturbines mogen uitsluitend in werking zijn voor de opwekking van energie als het stopprotocol zoals beschreven in bijlage 3 bij deze regels in werking is.
b. Van het bepaalde onder a. kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken, als uit aanvullend deskundigenonderzoek blijkt dat met geen of een andere voorzie-ning dan in bijlage 3 is vastgelegd, kan worden voorzien in voldoende vliegveilig-heid van aankomende en vertrekkende helikopters van en naar de helihaven."
- Stopprotocol
7. [appellant sub 4] betoogt dat het stopprotocol onzorgvuldig tot stand is gekomen en voert daartoe verschillende punten aan. De Afdeling gaat hieronder op die punten in.
7.1. Dat het stopprotocol zonder overleg met [appellant sub 4] is opgesteld, betekent niet dat het stopprotocol alleen al daarom onzorgvuldig tot stand is gekomen. Ook de algemene stelling dat gebruik is gemaakt van algemene aannames in plaats van specifieke gegevens, is onvoldoende om te concluderen dat het stopprotocol onzorgvuldig tot stand is gekomen.
Voor zover [appellant sub 4] betoogt dat voor het stopprotocol ten onrechte het criterium van windsnelheidsveranderingen van 1,8 m/s wordt gehanteerd, berust dat betoog op een onjuiste lezing van het stopprotocol. Uit het stopprotocol en de Toelichting Stopprotocol van Adecs AirInfra van 27 oktober 2025 volgt namelijk dat juist ook een veiligheidsmarge is aangebracht door te bepalen dat ook bij een "speed deficit" tussen 1,6 en 1,8 m/s (oranje scenario) en dus niet alleen bij een "speed deficit" boven 1,8 m/s (rood scenario) de windturbines in vaanstand (idle) moeten worden gebracht.
Verder betoogt [appellant sub 4] tevergeefs dat onduidelijk is waarom het stopprotocol kan zijn gebaseerd op onderzoek over de invloed van windsnelheidsveranderingen bij kleine luchtvaart. In de ‘Veiligheidsanalyse Windpark Beuningen i.r.t. helihaven [appellant sub 4]’ van Adecs AirInfra van 27 oktober 2025 is daarover namelijk toegelicht dat het criterium van 1,8 m/s is gebaseerd op onderzoek naar kleine luchtvaart, maar dat helikopters minder gevoelig zijn voor turbulenties dan vliegtuigen met vaste vleugels. Met die toelichting is, anders dan [appellant sub 4] betoogt, in zoverre dus wel duidelijk gemotiveerd waarom het stopprotocol op dit onderzoek kon worden gebaseerd.
Voor zover [appellant sub 4] betoogt dat ten onrechte het onderzoek ‘Wind turbine wakes and helicopter operations’ van het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) van februari 2019 niet is betrokken bij de totstandkoming van het stopprotocol, kan dat betoog niet slagen, aangezien [appellant sub 4] niet specificeert op welke punten dat onderzoek verschilt van de onderzoeken die aan het stopprotocol ten grondslag liggen en tot welke andere conclusies dat zou moeten leiden. De omstandigheid dat dit onderzoek van het NLR kennelijk niet bij de opstelling van het stopprotocol is betrokken, is op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat het stopprotocol onzorgvuldig tot stand is gekomen.
Tot slot betoogt [appellant sub 4] tevergeefs dat het stopprotocol onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat daarbij niet is betrokken dat hij ook beschikt over een minihelikopter met een hoofdrotor van 5,79 m en dat deze "zoggevoeliger" is dan de helikoptertypes met een rotordiameter van 10,1 m en 8,18 m, waarvan in de onderzoeken is uitgegaan. Daargelaten dat [appellant sub 4] niet heeft onderbouwd dat de criteria waarvan in het stopprotocol is uitgegaan niet van toepassing zijn op deze minihelikopter, stelt de Afdeling vast dat al in het rapport ‘Helihaven Winssen i.r.t. Windpark Beuningen' van Adecs AirInfra van 20 juli 2021 is vermeld dat als uitgangspunt is genomen dat uit de Luchthavenregeling [appellant sub 4] te Winssen volgt dat de helihaven uitsluitend gebruikt mag worden door de Robinson R44, met een rotordiameter van 10,1 m, Schweizer 300c, met een rotordiameter van 8,18 m, of een gelijkwaardig type. Gelet op deze bepaling in de Luchthavenregeling over de toegestane typen helikopters, kan niet als onzorgvuldig worden aangemerkt dat daar bij de opstelling van het stopprotocol van uit is gegaan. Dat [appellant sub 4] nu eerst in een nader stuk van 3 maart 2026 vermeldt dat hij beschikt over een ander type helikopter, te weten een minihelikopter, terwijl dat op grond van de Luchthavenregeling niet mag, kan daarom niet tot een andere conclusie leiden.
Het betoog slaagt niet.
- Passief radarsysteem
8. [appellant sub 4] betoogt dat een passief radarsysteem, zoals waarvan in het stopprotocol wordt uitgegaan, verschillende nadelen kent en niet eerder is toegepast in het kader van vliegveiligheid bij windturbines op land. Uit het rapport ‘Mogelijkheden VTM in en rondom windparken’ van Marin en Arcadis van 15 maart 2023 volgt dat er ten aanzien van het gebruik van passieve radar voor de veiligheid van scheepvaart rondom windparken op zee verschillende onduidelijkheden en onzekerheden zijn geconstateerd. Als het gaat over veiligheid, dan mag niet worden geëxperimenteerd, zo betoogt [appellant sub 4].
8.1. In de ‘Beoordelingsrapportage vliegveiligheid in relatie tot Windpark Beuningen’ van Adecs AirInfra van 27 oktober 2025 is uitgebreid onderzocht of het gebruik van een passief radarsysteem geschikt is voor het detecteren van helikopters en het tijdig naar "idle" brengen van windturbines. Daarbij is onder meer geconcludeerd dat de eenvoudige installatie en het huidige gebruik bij Duitse windparken, waar een bedrijfstijd van meer dan 99% gerealiseerd wordt, passieve radarsystemen tot de geschikte keuze voor detectie maken. De Beoordelingsrapportage concludeert dan ook onder meer dat het gebruik van een passief radarsysteem geschikt is, dat het in de praktijk al succesvol wordt toegepast, dat er ruim voldoende aanbod van geschikte radiobronnen in de omgeving is en dat er voldoende tijd is om de windturbines naar "idle" te brengen. Anders dan [appellant sub 4] betoogt, gaat het dus niet om een experiment, maar is met de Beoordelingsrapportage deugdelijk onderzoek gedaan naar het toepassen van een passief radarsysteem. Het door [appellant sub 4] aangehaalde rapport uit 2023 over het gebruik van passieve radar voor de veiligheid van scheepvaart rondom windparken op zee, leidt niet tot een andere conclusie, omdat dit over een andere situatie gaat en [appellant sub 4] niet heeft geconcretiseerd welke onduidelijkheden en onzekerheden die daarin worden geconstateerd, ook in de hier aan de orde zijnde situatie van toepassing zouden zijn.
Het betoog slaagt niet.
9. Voor zover [appellant sub 4] betoogt dat een in de nabijheid van de helihaven gelegen modelvliegveld met modelvliegclub het passief radarsysteem kan beïnvloeden omdat dit systeem mogelijk geen onderscheid kan maken tussen een modelluchtvaartuig en een helikopter, wat kan leiden tot onveilige situaties, kan dat betoog niet slagen. In de Beoordelingsrapportage is beschreven dat het passief radarsysteem werkt door een referentiesignaal te vergelijken met een gedetecteerde verstoring, waarbij iedere verstoring een eigen specifieke signatuur heeft. Het systeem kan geprogrammeerd worden om alleen relevante signaturen te gebruiken om een actie te initiëren, zo staat in de Beoordelingsrapportage. Gelet daarop ziet de Afdeling in wat [appellant sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat het passief radarsysteem niet in staat zal zijn om een onderscheid te maken tussen een helikopter en een modelluchtvaartuig.
Het betoog slaagt niet.
10. [appellant sub 4] betoogt tevergeefs dat de in de Beoordelingsrapportage beschreven plaatsing van drie antennes aan de noord-, west- en oostzijde van de helihaven niet in het plan is voorzien en dat het passief radarsysteem en het plan daarom niet uitvoerbaar zijn. Dat deze antennes niet specifiek in het plan zijn voorzien, betekent namelijk niet dat op voorhand vaststaat dat de plaatsing en het gebruik daarvan niet zal zijn toegestaan of anderszins onmogelijk is. Daarbij is ook van belang dat in de Beoordelingsrapportage is beschreven dat de beschikbaarheid van meerdere radiobronnen in de omgeving meerdere configuratiemogelijkheden geeft, waardoor de plaatsing van de antennes niet is gebonden aan één locatie.
Het betoog slaagt niet.
11. Voor zover [appellant sub 4] stelt dat het in de Beoordelingsrapportage als uitgangspunt genomen aantal van 4,2 gebruiksdagen per kalenderjaar van de helihaven, gebaseerd op het logboek van [appellant sub 4] over de periode 2011-2022, niet klopt, heeft hij dat niet onderbouwd. Voor zover [appellant sub 4] erop wijst dat doorstartvluchten niet apart zijn geregistreerd, heeft hij geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat en hoeveel doorstartvluchten plaatsvinden, zodat dit geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het aantal van 4,2 gebruiksdagen per kalenderjaar niet juist is.
Het betoog slaagt niet.
12. Voor zover [appellant sub 4] betoogt dat het ingrijpen door een windpark operator op afstand bij falen van het passief radarsysteem onvoldoende is, heeft hij dit in het geheel niet toegelicht of onderbouwd.
Het betoog slaagt niet.
- Afwijkingsmogelijkheid
13. [appellant sub 4] betoogt dat de in artikel 4.4.7, onder b, van de planregels opgenomen mogelijkheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van de voorwaardelijke verplichting om het stopprotocol, zoals opgenomen in bijlage 3 van de planregels, in werking te hebben, rechtsonzeker is. Volgens [appellant sub 4] is daarmee de toepasselijkheid van het stopprotocol namelijk onduidelijk. Ook is volgens hem onduidelijk aan welke voorwaarden het onder b beschreven deskundigenonderzoek moet voldoen.
13.1. In wat [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor de conclusie dat door de afwijkingsmogelijkheid in artikel 4.4.7, onder b, van de planregels de toepasselijkheid van het stopprotocol onduidelijk is. Er is namelijk duidelijk vermeld dat voor die afwijking is vereist dat uit een aanvullend deskundigenonderzoek blijkt dat met geen of een andere voorziening dan het stopprotocol in bijlage 3 van de planregels, kan worden voorzien in voldoende vliegveiligheid van aankomende en vertrekkende helikopters van en naar de helihaven. Daarbij heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling niet hoeven op te nemen aan welke verdere voorwaarden dat deskundigenonderzoek moet voldoen. Voldoende is dat het moet gaan om een deskundigenonderzoek waaruit blijkt dat met geen of een andere voorziening kan worden voorzien in voldoende vliegveiligheid. Daarbij merkt de Afdeling nog op dat indien een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4.7, onder b, van de planregels zou worden verleend, voor [appellant sub 4] de mogelijkheid bestaat om daartegen rechtsmiddelen aan te wenden.
Het betoog slaagt niet.
- Omgevingsvergunning
14. [appellant sub 4] betoogt tevergeefs dat de veiligheid onvoldoende is geborgd omdat het passief radarsysteem, met bijbehorende apparatuur en de antennes niet in de omgevingsvergunning zijn opgenomen en dus niet zijn vergund. Met de in artikel 4.4.7 van de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting is namelijk geborgd dat de windturbines uitsluitend in werking mogen zijn als het stopprotocol, zoals opgenomen in bijlage 3 van de planregels, in werking is. In dat stopprotocol is ook het passief radarsysteem opgenomen.
Het betoog slaagt niet.
- Slagschaduw
15. [appellant sub 4] heeft in beroep geen gronden aangevoerd over het onderwerp slagschaduw. In zijn zienswijze tegen het besluit van 16 december 2025 voert hij gronden aan over de wijze waarop in dat besluit uitvoering is gegeven aan de opdracht. Hiermee heeft [appellant sub 4] zijn beroepsgronden uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden. Omdat [appellant sub 4] door het besluit van 16 december 2025 niet in een nadeliger positie is gebracht, is het, gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van de andere partijen, in het licht van de goede procesorde niet aanvaardbaar dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die al tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. De Afdeling laat wat [appellant sub 4] in dit verband aanvoert, dan ook buiten bespreking.
De zienswijze van de Stichting en anderen
- SMB-richtlijn
16. Voor zover de Stichting en anderen betogen dat de realisatie van het windpark in strijd is met richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (L 197/30) (de SMB-richtlijn), kan dat betoog alleen al niet slagen omdat het in het geheel niet nader is toegelicht of onderbouwd. Overigens wijst de Afdeling er daarbij op dat in de tussenuitspraak in het kader van verschillende beroepsgronden van de Stichting en anderen is geconcludeerd dat geen sprake is van strijd met de SMB-richtlijn.
Het betoog slaagt niet.
- Tonaal geluid
17. De Stichting en anderen betogen dat bij het toegevoegde artikel 4.4.4, onder c, van de planregels, over tonaal geluid, onvoldoende rekening is gehouden met locatiespecifieke kenmerken in de vorm van geluidreflectie door wateroppervlakten van het zandwinningsproject Geertjesgolf. Volgens de Stichting en anderen draagt het geluid van windturbines over water namelijk anderhalf keer verder dan over land, zodat ook de norm voor tonaal geluid anderhalf keer strenger zou moeten zijn. Ook volgt uit de verschillende onderzoeken over de geluidreflectie door de wateroppervlakten van Geertjesgolf, die ook in de tussenuitspraak aan de orde zijn gekomen, zoals het "Akoestisch onderzoek t.b.v. combiMer voor Windpark Beuningen" van Bosch & van Rijn van 20 mei 2021 en het Memo "Aanvullende berekeningen en overwegingen n.a.v. beroepsgronden tegen bestemmingsplan windpark Beuningen" van Bosch & van Rijn van 30 november 2022 (Veegmemo), dat geen integrale beoordeling van de geluidreflectie van zowel Geertjesgolf-West als Geertjesgolf-Oost heeft plaatsgevonden. Verder is volgens de Stichting en anderen gebleken dat er plannen zijn om de wateroppervlakten van Geertjesgolf nog verder naar het oosten uit te breiden.
17.1. In de tussenuitspraak is onder 33 vermeld dat de raad de Afdeling op de zitting heeft verzocht om zelf voorziend aan artikel 4.4.4 van de planregels een bepaling toe te voegen ter voorkoming van het incidenteel optreden van onaanvaardbare hinder door tonaal geluid. Hierin zou moeten worden opgenomen dat een windturbine, gemeten volgens IEC-61400-11, op het referentiepunt, de "reference position" zoals omschreven in IEC-61400-11, maximaal +3 dB "tonal audibility" mag veroorzaken. Onder 34 van de tussenuitspraak is vervolgens overwogen dat partijen op de zitting hebben aangegeven dat zij ermee kunnen instemmen als de Afdeling zelf voorziend de door de raad voorgestelde bepaling ter voorkoming van onaanvaardbare hinder door tonaal geluid aan artikel 4.4.4 van de planregels toevoegt en dat niet aannemelijk is dat derden daarmee in hun belangen zouden worden geschaad. Daarbij is echter ook overwogen dat, omdat de Afdeling de raad en het college van B en W in de tussenuitspraak ook al opdracht zal geven om andere gebreken te herstellen, de Afdeling geen aanleiding ziet deze bepaling zelf voorziend aan artikel 4.4.4 van de planregels toe te voegen. In plaats daarvan heeft de Afdeling het toevoegen van de door de raad voorgestelde bepaling ter voorkoming van onaanvaardbare hinder door tonaal geluid aan de planregels betrokken in de aan de raad gegeven opdracht om de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken te herstellen. Daartoe heeft de Afdeling onder 64.1 van de tussenuitspraak overwogen dat de raad het onder 33.1 geconstateerde gebrek kan herstellen door aan de planregels een bepaling toe te voegen ter voorkoming van het incidenteel optreden van onaanvaardbare hinder door tonaal geluid, waarmee wordt geregeld dat een windturbine, gemeten volgens IEC-61400-11, op het referentiepunt, de "reference position" zoals omschreven in IEC-61400-11, maximaal +3 dB "tonal audibility" mag veroorzaken.
17.2. Met het herstelbesluit van 16 december 2025 heeft de raad artikel 4.4.4, onder c, aan de planregels toegevoegd.
Artikel 4.4.4, onder c, van de planregels luidt:
"Een windturbine mag, gemeten volgens IEC-61400-11, op het referentiepunt, de ‘reference position’ zoals omschreven in IEC-61400-11, maximaal +3 dB tonal au-dibility veroorzaken."
17.3. Gelet op het voorgaande heeft de Afdeling in de tussenuitspraak een duidelijke en concrete opdracht aan de raad gegeven en heeft de raad met het toevoegen van artikel 4.4.4, onder c, van de planregels aan die opdracht voldaan. Voor zover de Stichting en anderen zich keren tegen overwegingen van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behalve in uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat de Afdeling uitgaat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel.
Ten overvloede wijst de Afdeling erop dat onder 35.1 van de tussenuitspraak al uitgebreid is ingegaan op de geluidreflectie door de wateroppervlakten van Geertjesgolf.
Het betoog slaagt niet.
- Slagschaduw
18. De Stichting en anderen betogen dat met het herstelbesluit van 16 december 2025 ten onrechte slechts de woorden "per gevoelig object" zijn toegevoegd aan artikel 4.3.3 van de planregels, over het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering. Volgens de Stichtingen en anderen had hier ook "of woonwagens" aan moeten worden toegevoegd. Dat dit niet is gedaan, kan volgens de Stichting en anderen grote gevolgen hebben voor campings en mantelzorgwoningen, terwijl een toelichting daarvoor ontbreekt.
18.1. In de tussenuitspraak is onder 38.3 vermeld dat de raad en het college van B en W de Afdeling op de zitting hebben verzocht om zelf voorziend artikel 4.4.3, onder a, van de planregels en het voorschrift van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu over slagschaduw zodanig aan te passen dat duidelijk is dat in verband met de technische stilzettijd per jaar maximaal 30 minuten slagschaduw per gevoelig object mag optreden. Onder 38.5 van de tussenuitspraak is vervolgens overwogen dat partijen op de zitting hebben aangegeven dat zij ermee kunnen instemmen als de Afdeling zelf voorziend artikel 4.4.3, onder a, van de planregels en het voorschrift van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu over slagschaduw op de door de raad en het college van B en W verzochte wijze aanpast en dat niet aannemelijk is dat derden daarmee in hun belangen zouden worden geschaad. Daarbij is echter ook overwogen dat, omdat de Afdeling de raad en het college van B en W in de tussenuitspraak ook al opdracht zal geven om andere gebreken te herstellen, de Afdeling geen aanleiding ziet zelf voorziend artikel 4.4.3, onder a, van de planregels en het voorschrift van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu over slagschaduw op de door de raad en het college van B en W verzochte wijze aan te passen. In plaats daarvan heeft de Afdeling het aanpassen van die bepalingen betrokken in de aan de raad en het college van B en W gegeven opdracht om de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken te herstellen. Daartoe heeft de Afdeling allereerst onder 64.1 van de tussenuitspraak overwogen dat de raad het onder 38.4 geconstateerde gebrek kan herstellen door de planregels over slagschaduw op zo’n wijze aan te passen dat duidelijk is dat in verband met de technische stilzettijd van de windturbines per jaar maximaal 30 minuten slagschaduw per gevoelig object mag optreden.
18.2. Met het herstelbesluit van 16 december 2025 heeft de raad artikel 4.3.3, onder a, van de planregels aangepast door daaraan de woorden "per gevoelig object" toe te voegen.
Artikel 4.3.3, onder a, van de planregels luidt:
"de windturbine dient voorzien te zijn van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten voorzover de afstand tussen de windturbine en de gevoelige objecten minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en voorzover zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van gevoelige objecten of woonwagens ramen bevinden. In verband met de technische stilzettijd mag per jaar per gevoelig object maximaal 30 minuten slagschaduw optreden."
18.3. Gelet op het voorgaande heeft de Afdeling in de tussenuitspraak een duidelijke en concrete opdracht aan de raad gegeven en heeft de raad met de aanpassing van artikel 4.3.3, onder a, van de planregels aan die opdracht voldaan. Voor zover de Stichting en anderen zich keren tegen overwegingen van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behalve in uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat de Afdeling uitgaat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel.
Het betoog slaagt niet.
- Afstand knooppunt Ewijk
19. De Stichting en anderen betogen dat uit de verschillende onderzoeken naar de kippenrondeel van Rondeel Ewijk B.V., die na de tussenuitspraak zijn verricht, blijkt dat de afstand van de middelste windturbine tot het knooppunt Ewijk, waar de A73 en de A50 elkaar kruisen, minder is dan op grond van de Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatswerken, zonder aanvullend onderzoek is toegestaan. Dit aanvullend onderzoek heeft niet plaatsgevonden.
19.1. Met deze beroepsgrond over de afstand tot het knooppunt Ewijk hebben de Stichting en anderen hun beroepsgronden uitgebreid met een nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgrond die zij al tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen brengen. Dit is gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van de andere partijen, in het licht van de goede procesorde, niet aanvaardbaar. De Afdeling laat wat de Stichting en anderen in dit verband aanvoeren, dan ook buiten bespreking.
- Nut en noodzaak
20. Met de enkele, niet nader toegelichte of onderbouwde, stelling dat volgens het Planbureau voor de Leefomgeving de doelstelling in het kader van de Regionale Energiestrategie (RES) voor windturbines op land in 2030 ruimschoots is dan wel wordt gehaald, hebben de Stichting en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het windpark niet nuttig of noodzakelijk is in het kader van opwekking van duurzame energie. Alleen al daarom slaagt het betoog niet.
- Veiligheid: helihaven
21. Voor zover de Stichting en anderen betogen dat de veiligheid onvoldoende is geborgd omdat het passief radarsysteem ten behoeve van het stopprotocol voor de helihaven van [appellant sub 4], met bijbehorende apparatuur en de antennes niet in de omgevingsvergunning zijn opgenomen en dus niet zijn vergund, wijst de Afdeling op de afdoening van datzelfde betoog van [appellant sub 4] onder 14. Daaruit volgt dat het betoog in zoverre niet slaagt. Voor zover de Stichting en anderen betogen dat voor het "luchthavengebruik" niet van de juiste parameters is uitgegaan, gelet op het vergunde aantal van zes vliegbewegingen per week, is dat betoog onvoldoende concreet. De Stichting en anderen hebben dat betoog niet nader toegelicht en hebben niet geconcretiseerd van welke aspecten van welke van de verschillende onderzoeken over de helihaven niet kan worden uitgegaan.
Het betoog slaagt niet.
- Overig
22. De Stichting en anderen betogen dat de raad en het college van B en W de herstelopdracht te beperkt hebben opgevat, omdat geen integrale heroverweging heeft plaatsgevonden. Daarbij wijzen zij erop dat het herstel vooral technisch en procedureel is in plaats van inhoudelijk, de onderzoeken inmiddels zijn verouderd, mitigerende maatregelen onvoldoende zijn geborgd, normconformiteit ten onrechte gelijk is gesteld aan een goede ruimtelijke ordening en een nieuwe belangenafweging ontbreekt.
22.1. Op grond van de tussenuitspraak en de daarin gegeven opdracht hoefden de raad en het college van B en W alleen de vastgestelde gebreken te herstellen en hoefden zij niet een nieuwe algehele belangenafweging te verrichten. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de Stichting en anderen met dit betoog niet geconcretiseerd waarom de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken met de herstelbesluiten niet zijn hersteld.
Het betoog slaagt niet.
De zienswijze van Rondeel Ewijk B.V.
- Slagschaduw
23. Voor zover Rondeel Ewijk B.V. betoogt dat haar kippenrondeel ten onrechte niet als slagschaduwgevoelig object is aangemerkt, zal de Afdeling deze beroepsgrond niet inhoudelijk bespreken. Daartoe overweegt de Afdeling dat Rondeel Ewijk B.V. deze beroepsgrond weliswaar ook heeft aangevoerd in haar beroep tegen de besluiten van 28 februari 2023 en 13 december 2021, maar op de zitting voorafgaand aan de tussenuitspraak heeft aangegeven dat zij akkoord is met de hiervoor onder 18.1 en 18.2 beschreven aanpassing van artikel 4.4.3, onder a, van de planregels en het voorschrift van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu over slagschaduw en daarbij heeft aangegeven dat zij in dat geval geen discussie meer ziet in de omstandigheid dat de kippenrondeel niet is aangemerkt als slagschaduwgevoelig object. Om die reden is de Afdeling in de tussenuitspraak ook niet meer op die beroepsgrond van Rondeel Ewijk B.V. ingegaan. De Afdeling stelt vast dat artikel 4.4.3, onder a, van de planregels en het voorschrift van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu over slagschaduw zijn aangepast op de wijze waarmee partijen op de zitting voorafgaand aan de tussenuitspraak akkoord zijn gegaan. Daarnaast stelt de Afdeling vast dat de planregels en vergunningvoorschriften die regelen welke objecten als slagschaduwgevoelige objecten worden aangemerkt, niet zijn gewijzigd ten opzichte van de besluiten van 28 februari 2023 en 13 december 2021. Naar het oordeel van de Afdeling kan het onder deze omstandigheden alsnog aanvoeren van deze beroepsgrond, gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van de andere partijen, in het licht van een goede procesorde niet worden aanvaard.
- Verlichtingsplan
24. Rondeel Ewijk B.V. betoogt tevergeefs dat het aangepaste Verlichtingsplan Windpark Beuningen van Bosch & van Rijn van 23 september 2025 ondeugdelijk en tegenstrijdig is. De enkele vermelding van een verschil tussen de in tabel 2 van dat aangepaste verlichtingsplan vermelde minimale en maximale ashoogte en de op grond van de planregels en de verbeelding toegestane minimale en maximale bouwhoogte van de windturbines is daartoe, zonder nadere toelichting, onvoldoende. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit het aangepaste verlichtingsplan niet zonder meer kan worden afgeleid dat de vermelding van de minimale en maximale ashoogte in tabel 2 bepalend is voor de verdere conclusies en aspecten van dat verlichtingsplan.
Het betoog slaagt niet.
- Geluidbelasting kippenrondeel: maximale planologische mogelijkheden
25. Naar aanleiding van wat de Afdeling in de tussenuitspraak heeft overwogen over de maximale planologische mogelijkheid van een uitbreiding van de kippenrondeel in de richting van de dichtstbij voorziene windturbine, is de Aanvullende berekening kippenrondeel van Bosch & van Rijn van 29 augustus 2025 opgesteld. Daarin is de geluidbelasting als gevolg van de voorziene windturbines ter plaatse van de kippenrondeel opnieuw onderzocht, waarbij is uitgegaan van de grens van het bestemmingsvlak met de aanduiding "intensieve veehouderij" in het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2011.
26. Rondeel Ewijk B.V. betoogt dat het college van B en W niet aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht heeft voldaan. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak namelijk zowel aan de raad als aan het college B en W de opdracht gegeven om in de berekeningen van de geluidbelasting ter plaatse van de kippenrondeel van Rondeel Ewijk B.V. de maximale planologische mogelijkheid te betrekken van een uitbreiding van de kippenrondeel in de richting van de dichtstbij voorziene windturbine. Rondeel Ewijk B.V. wijst erop dat het college van B en W met het besluit van 18 december 2025 alleen het voorschrift over slagschaduw heeft gewijzigd.
26.1. Op grond van de tussenuitspraak moesten zowel de raad als het college van B en W in de berekeningen van de geluidbelasting ter plaatse van de kippenrondeel van Rondeel Ewijk B.V. alsnog de maximale planologische mogelijkheid van een uitbreiding van de kippenrondeel in de richting van de dichtstbij voorziene windturbine betrekken en zo nodig een nieuw of gewijzigd besluit nemen. De tussenuitspraak gaf de ruimte om dat met één gezamenlijke berekening te doen. Gelet hierop heeft het college van B en W met de aanvullende berekening van 29 augustus 2025 in zoverre aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht voldaan. Of daarmee ook inhoudelijk aan die opdracht is voldaan, zal de Afdeling aan de hand van de hierna te bespreken beroepsgrond beoordelen.
Het betoog slaagt niet.
27. Rondeel Ewijk B.V. betoogt terecht dat in de aanvullende berekening van 29 augustus 2025 ten onrechte is uitgegaan van de afstand tussen de grens van het bestemmingsvlak met de aanduiding "intensieve veehouderij" in het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2011 enerzijds en het middelpunt van het dichtstbij gelegen bestemmingsvlak met de enkelbestemming "Bedrijf - Windturbinepark" in het voorliggende bestemmingsplan anderzijds. Daarmee is namelijk ten onrechte geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de betreffende windturbine niet in het midden van het bestemmingsvlak met de enkelbestemming "Bedrijf - Windturbinepark" zal worden geplaatst, maar dichterbij in de richting van voormeld bestemmingsvlak van de kippenrondeel. Daar is ook voldoende ruimte voor, aangezien het bestemmingsvlak met de enkelbestemming "Bedrijf - Windturbinepark" een diameter heeft van ongeveer 50 m. Het besluit van 16 december 2025 is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen.
Het betoog slaagt.
28. Gelet op de bij brief van de raad en het college van B en W van 3 maart 2026 overgelegde nieuwe aanvullende berekening van Bosch & van Rijn en de reactie daarop van Rondeel Ewijk B.V. van 23 maart 2026, ziet de Afdeling aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het besluit van 16 december 2025 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten.
28.1. In de nieuwe aanvullende berekening van Bosch & van Rijn is uitgegaan van een minimale funderingsdiameter van de windturbine van 26 m. Gelet daarop, is volgens de nieuwe aanvullende berekening plaatsing van de windturbine aan de grens van het bestemmingsvlak met de enkelbestemming "Bedrijf - Windturbinepark" niet mogelijk. Gelet op de minimale funderingsdiameter, kan volgens de nieuwe aanvullende berekening de windturbine "worst case" 12 m dichterbij het bestemmingsvlak van de kippenrondeel met de aanduiding "intensieve veehouderij" met bijbehorend bouwvlak komen dan wanneer, zoals in de aanvullende berekening van 29 augustus 2025, gemeten wordt vanuit het middelpunt van het bestemmingsvlak met de enkelbestemming "Bedrijf - Windturbinepark". Deze verschuiving leidt volgens de nieuwe aanvullende berekening tot een toename van 0,2 tot 0,4 dB Lden en 0,1 tot 0,4 dB Lnight ten opzichte van plaatsing van de windturbine in het middelpunt van het bestemmingsvlak. Volgens de raad en het college van B en W betekent dit dat geconcludeerd kan worden dat de geluidbelasting als gevolg van de verschuiving van de windturbine in de richting van de kippenrondeel niet of verwaarloosbaar zal toenemen.
28.2. Rondeel Ewijk B.V. betoogt tevergeefs dat ten onrechte nog steeds niet van een afstand vanaf de grens van het bestemmingsvlak met de enkelbestemming "Bedrijf - Windturbinepark" is uitgegaan. Voor zover Rondeel Ewijk B.V. daartoe aanvoert dat (een gedeelte van) de fundering van de windturbine, gelet op artikel 3.1.1, aanhef en onder g, en artikel 3.2.3, aanhef en onder a, van de planregels, ook buiten het bestemmingsvlak met de enkelbestemming "Bedrijf - Windturbinepark" onder de enkelbestemming "Agrarisch" is toegestaan, volgt de Afdeling dat niet. Weliswaar is in artikel 3.1.1., aanhef en onder g, van de planregels bepaald dat de voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd voor "de opwekking van duurzame energie in de vorm van windenergie en zonne-energie alsmede warmte-koude opslag", maar dat betekent nog niet dat (een gedeelte van) de fundering van de windturbine onder die bestemming is toegestaan. In artikel 3.2.3, aanhef en onder a, van de planregels is namelijk bepaald dat buiten het bouwvlak uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het agrarisch grondgebruik mogen worden opgericht met een maximale bouwhoogte van 2 m. Met de verwijzing naar dat artikel van de planregels lijkt Rondeel Ewijk B.V. te veronderstellen dat de fundering van een windturbine als afzonderlijk bouwwerk met een maximale bouwhoogte van 2 m moet worden beschouwd. Naar het oordeel van de Afdeling is dat niet het geval. De windturbine met fundering vormt één bouwwerk dat hoger is dan 2 m en is dus niet buiten het bouwvlak onder de bestemming "Agrarisch" toegestaan. De windturbine met fundering moet dus binnen het bestemmingsvlak "Bedrijf - Windturbinepark" worden gerealiseerd. Gelet daarop is in de nieuwe aanvullende berekening uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden door uit te gaan van een funderingsdiameter van 26 m waardoor de windturbine vanaf het middelpunt van het bestemmingsvlak "Bedrijf - Windturbinepark" 12 m dichter bij het bestemmingsvlak van de kippenrondeel kan komen.
Het betoog slaagt niet.
28.3. Rondeel Ewijk B.V. betoogt tevergeefs dat met de nieuwe aanvullende berekening slechts een kwantitatieve beoordeling heeft plaatsgevonden en dat de raad en het college van B en W hierbij geen kwalitatieve beoordeling hebben gemaakt. In de brief van 3 maart 2026 hebben de raad en het college van B en W namelijk over de uitkomsten van de nieuwe aanvullende berekening gesteld dat daaruit kan worden geconcludeerd dat de geluidbelasting als gevolg van de verschuiving van de windturbine in de richting van de kippenrondeel niet of verwaarloosbaar zal toenemen. Anders dan Rondeel Ewijk B.V. betoogt, valt niet in te zien waarom dit als slechts een cijfermatige of kwantitatieve beoordeling moet worden aangemerkt.
Het betoog slaagt niet.
28.4. Gelet op het voorgaande is met de nieuwe aanvullende berekening van Bosch & van Rijn alsnog een berekening naar de geluidbelasting ter plaatse van de kippenrondeel uitgevoerd waarbij enerzijds is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheid van een uitbreiding van de kippenrondeel in de richting van de dichtstbij voorziene windturbine en anderzijds van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden voor de plaatsing van de windturbine binnen het bestemmingsvlak "Bedrijf - Windturbinepark". Wat Rondeel Ewijk B.V. daarover aanvoert, slaagt niet. De Afdeling zal hierna in de eindconclusie bespreken of zij gelet hierop de rechtsgevolgen van het besluit van 16 december 2025 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand zal laten.
Eindconclusie
29. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, zijn de beroepen tegen het besluit van 13 december 2021, waarbij het college van GS een ontheffing heeft verleend voor het overtreden van verbodsbepalingen van de Wnb als gevolg van de aanleg en het in gebruik hebben van een windpark met vijf windturbines, ongegrond.
30. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, zijn de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, de Stichting en anderen, Rondeel Ewijk B.V. en [appellant sub 4] tegen het besluit van de raad van 28 februari 2023, waarbij de raad het bestemmingsplan "Windpark Beuningen" heeft gewijzigd en opnieuw heeft vastgesteld, en het besluit van het college van B en W van 13 december 2021, waarbij het college van B en W een omgevingsvergunning heeft verleend voor de bouw en het oprichten en in werking hebben van een windpark met vijf windturbines, gegrond. Het besluit van de raad van 28 februari 2023 is genomen in strijd met de rechtszekerheid en artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Het besluit van het college van B en W van 13 december 2021 is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Dat betekent dat deze besluiten moeten worden vernietigd.
31. Gelet op wat in deze einduitspraak is overwogen, zijn de van rechtswege ontstane beroepen van [appellant sub 1] en anderen, de Stichting en anderen en [appellant sub 4] tegen het herstelbesluit van 16 december 2025, waarbij de raad het bestemmingsplan gewijzigd en opnieuw heeft vastgesteld, ongegrond.
Gelet op wat in deze einduitspraak is overwogen, zijn de van rechtswege ontstane beroepen van [appellant sub 1] en anderen, de Stichting en anderen, Rondeel Ewijk B.V. en [appellant sub 4] tegen het herstelbesluit van 18 december 2025, waarbij het college van B en W de omgevingsvergunning heeft gewijzigd, ongegrond.
32. Gelet op wat onder 27 van deze einduitspraak is overwogen, is het van rechtswege ontstane beroep van Rondeel Ewijk B.V. tegen het herstelbesluit van 16 december 2025, waarbij de raad het bestemmingsplan gewijzigd en opnieuw heeft vastgesteld, gegrond. Dat besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.
De Afdeling ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het herstelbesluit van 16 december 2025 in stand te laten. Het onder 27 geconstateerde gebrek heeft de raad namelijk hersteld met de bij brief van 3 maart 2026 overgelegde nieuwe aanvullende berekening van Bosch & van Rijn. Daarin is alsnog een berekening naar de geluidbelasting ter plaatse van de kippenrondeel uitgevoerd waarbij enerzijds is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheid van een uitbreiding van de kippenrondeel in de richting van de dichtstbij voorziene windturbine en anderzijds van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden voor de plaatsing van de windturbine binnen het bestemmingsvlak "Bedrijf - Windturbinepark". Wat Rondeel Ewijk B.V. verder heeft aangevoerd, slaagt niet.
33. De Afdeling ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van de raad van 28 februari 2023 in stand te laten, omdat dit besluit met het herstelbesluit van 16 december 2025 is vervangen. Zoals de Afdeling hiervoor heeft overwogen, wordt het herstelbesluit van 16 december 2025 vernietigd, maar worden de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. Dat betekent dat het bestemmingsplan "Windpark Beuningen" geldt, zoals de raad dat bij het besluit van 16 december 2025 gewijzigd en opnieuw heeft vastgesteld.
34. Gelet op het bovenstaande komt aan het oorspronkelijke besluit van de raad tot vaststelling van het bestemmingsplan van 23 november 2021, dat al was vervangen door het besluit van 28 februari 2023, geen betekenis meer toe. Niet gebleken is dat appellanten desondanks nog belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de beroepen tegen het besluit van 23 november 2021. De beroepen tegen dat besluit zijn daarom niet-ontvankelijk.
35. Omdat de gebreken in het besluit van het college van B en W van 13 december 2021 zijn hersteld met het herstelbesluit van 18 december 2025, ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 13 december 2021 in stand te laten, voor zover dat besluit niet door het herstelbesluit van 18 december 2025 is gewijzigd. Dat betekent dat voor de bouw en het oprichten en in werking hebben van een windpark met vijf windturbines de eisen gelden zoals die volgen uit de op 13 december 2021 verleende omgevingsvergunning, zoals gewijzigd met het herstelbesluit van 18 december 2025.
36. De raad en het college van B en W moeten de proceskosten van [appellant sub 1] en anderen, de Stichting en anderen, Rondeel Ewijk B.V. en [appellant sub 4] vergoeden.
Voor [appellant sub 1] en anderen gaat het om acht afzonderlijke, maar nagenoeg identieke beroepen. Zij zijn op de zitting van 19 september 2024 ook door dezelfde rechtsbijstandsverlener vertegenwoordigd. De beroepen van [appellant sub 1] en anderen worden daarom op grond van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht beschouwd als één zaak. Aangezien het acht samenhangende zaken betreft, dient de vermenigvuldigingsfactor 1,5 te worden toegepast ingevolge onderdeel C2 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dit geeft aanleiding om te bepalen dat aan hen tezamen een bedrag van € 4.203,00 aan kosten voor verleende rechtsbijstand moet worden vergoed.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen, voor zover gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Beuningen van 23 november 2021, niet-ontvankelijk;
II. verklaart de beroepen tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 13 december 2021 ongegrond;
III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellant sub 1C] en [appellant sub 1D], [appellant sub1E], [appellant sub 1F], [appellant sub 1G], [appellant sub 1H], [appellant sub 1I], [appellant sub 1J], Rondeel Ewijk B.V., Stichting Tegenwind(molens) en anderen en [appellant sub 4] tegen het besluit van de raad van de gemeente Beuningen van 28 februari 2023 gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Beuningen van 28 februari 2023;
V. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellant sub 1C] en [appellant sub 1D], [appellant sub1E], [appellant sub 1F], [appellant sub 1G], [appellant sub 1H], [appellant sub 1I], [appellant sub 1J], Stichting Tegenwind(molens) en anderen en [appellant sub 4] tegen het besluit van de raad van de gemeente Beuningen van 16 december 2025 ongegrond;
VI. verklaart het beroep van Rondeel Ewijk B.V. tegen het besluit van de raad van de gemeente Beuningen van 16 december 2025 gegrond;
VII. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Beuningen van 16 december 2025;
VIII. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
IX. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellant sub 1C] en [appellant sub 1D], [appellant sub1E], [appellant sub 1F], [appellant sub 1G], [appellant sub 1H], [appellant sub 1I], [appellant sub 1J], Rondeel Ewijk B.V., Stichting Tegenwind(molens) en anderen en [appellant sub 4] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Beuningen van 13 december 2021 gegrond;
X. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 13 december 2021;
XI. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, voor zover dat besluit niet door het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Beuningen van 18 december 2025 is gewijzigd;
XII. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellant sub 1C] en [appellant sub 1D], [appellant sub1E], [appellant sub 1F], [appellant sub 1G], [appellant sub 1H], [appellant sub 1I], [appellant sub 1J], Rondeel Ewijk B.V., Stichting Tegenwind(molens) en anderen en [appellant sub 4] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 18 december 2025 ongegrond;
XIII. veroordeelt de raad van de gemeente Beuningen en het college van burgemeester en wethouders van Beuningen, ieder voor de helft, tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten:
- bij [appellant sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellant sub 1C] en [appellant sub 1D], [appellant sub1E], [appellant sub 1F], [appellant sub 1G], [appellant sub 1H], [appellant sub 1I], [appellant sub 1J] tot een bedrag van € 7.487,00, waarvan € 4.203,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- bij Stichting Tegenwind(molens) en anderen tot een bedrag van € 2.988,57, waarvan € 2.802,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- bij Rondeel Ewijk B.V. tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- bij [appellant sub 4] tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
XIV. gelast dat de raad van de gemeente Beuningen en het college van burgemeester en wethouders van Beuningen, ieder voor de helft, aan appellanten vergoedt het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van:
- € 184,00 voor [appellant sub 1A],
- € 365,00 voor [appellante sub 1B] en [appellant sub 1C] en [appellant sub 1D],
- € 184,00 voor [appellant sub 1E],
- € 184,00 voor [appellant sub 1F],
- € 184,00 voor [appellant sub 1G],
- € 184,00 voor [appellant sub 1H],
- € 184,00 voor [appellant sub 1I],
- € 365,00 voor [appellant sub 1J]
- € 365,00 voor Stichting Tegenwind(molens) en anderen, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan,
- € 365,00 voor Rondeel Ewijk B.V.,
- € 184,00 voor [appellant sub 4].
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzitter, en mr. J. Gundelach en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Es, griffier.
w.g. Meijer
voorzitter
w.g. Van Es
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
826
Windpark Beuningen met vijf windturbines
Uitspraak over het bestemmingsplan ‘Windpark Beuningen’ dat de gemeenteraad van Beuningen heeft vastgesteld. De uitspraak gaat ook over de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Beuningen heeft verleend voor het windpark met vijf windturbines rondom knooppunt Ewijk. Twee windturbines komen ten westen van de A50 en drie ten oosten van de A50. De windturbines krijgen een tiphoogte van maximaal 245 meter. Tegen het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning zijn vier beroepschriften bij de Afdeling bestuursrechtspraak ingediend, onder meer door omwonenden en Stichting Tegenwind(molens). Zij voeren tal van bezwaren aan, onder meer over geluidsoverlast, slagschaduw, lichthinder en externe veiligheid. In juni 2025 deed de Afdeling bestuursrechtspraak een zogenoemde tussenuitspraak. Daarin droeg zij de gemeenteraad en het college op om nog eens te kijken naar voorschriften over geluid en slagschaduw, maar ook over de verlichting van de windturbines. In december 2025 wijzigde de gemeente het plan en de vergunning. In de uitspraak van 16 september 2026 zal blijken of de gemeenteraad daarmee de gebreken in het plan heeft hersteld.