Uitspraak 202601587/2/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5298
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 6 januari 2022 heeft Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur het verzoek van MOB en andere van 25 maart 2021 om toepassing te geven aan artikel 2.4 van de Wet natuurbescherming (Wnb) door een verplichting op te leggen aan Rotterdam Airport B.V. om maatregelen te treffen, afgewezen. De minister heeft het verzoek van MOB en andere om toepassing te geven aan de aanschrijvingsbevoegdheid door Rotterdam Airport B.V. te verplichten om maatregelen te treffen op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb, afgewezen en het daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Deze zaak hangt samen met twee andere zaken die gaan over een handhavingsverzoek van MOB en andere tegen Rotterdam Airport B.V. wegens het zonder natuurvergunning exploiteren van de luchthaven "Rotterdam The Hague Airport" en de zaak over de aanvraag voor een natuurvergunning door Rotterdam Airport B.V voor de exploitatie van de luchthaven. Het verzoek om voorlopige voorziening van de minister in deze zaak over Rotterdam Airport is samen behandeld op een zitting met het gelijkluidende verzoek van de minister in de zaak over Eindhoven Airport, zie daarvoor de uitspraak in de zaak met zaaknummer 202601588/2/R2. Ook zijn op dezelfde zitting de beroepen niet tijdig beslissen van MOB en andere(n) in bovengenoemde zaken over de aanschrijvingsbevoegdheid behandeld, zie daarvoor de uitspraken met zaaknummers 202601848/1/R2 en 202601850/1/R2.
- Voorlopige voorziening
- Luchtvaart
- Natuurbescherming
Toon inhoud
202601587/2/R2.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (de minister),
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 april 2026 in zaak nr. 24/7550 in het geding tussen:
Coöperatie Mobilisation for the Environment, gevestigd in Nijmegen, en Bewonersvereniging tegen Vliegtuigoverlast (MOB en andere),
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 6 januari 2022 heeft de minister het verzoek van MOB en andere van 25 maart 2021 om toepassing te geven aan artikel 2.4 van de Wet natuurbescherming (Wnb) door een verplichting op te leggen aan Rotterdam Airport B.V. om maatregelen te treffen, afgewezen.
Bij besluit van 8 januari 2025 heeft de minister het door MOB en andere daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 april 2026 heeft de rechtbank het door MOB en andere daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 januari 2025 vernietigd en de minister opgedragen om binnen acht weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben MOB en andere, de minister en Rotterdam Airport B.V., hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft de minister de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
MOB en andere, Rotterdam Airport B.V., en de minister hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met het verzoek in zaaknummer 202601588/2/R2, op een zitting behandeld op 27 augustus 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. R.D. Reinders en mr. L. Verhees, beiden advocaat in Den Haag, en MOB en andere, vertegenwoordigd door mr. H.M. Zwetsloot, rechtsbijstandverlener in Wageningen, zijn verschenen. Verder is op de zitting Rotterdam Airport B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. J.E. van Uden en mr. F.E. Majtlis, beiden advocaat te Amsterdam, gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om een aanschrijving is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om een aanschrijving is ingediend op 25 maart 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. De minister heeft het verzoek van MOB en andere om toepassing te geven aan de aanschrijvingsbevoegdheid door Rotterdam Airport B.V. te verplichten om maatregelen te treffen op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb, afgewezen en het daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Deze zaak hangt samen met twee andere zaken die gaan over een handhavingsverzoek van MOB en andere tegen Rotterdam Airport B.V. wegens het zonder natuurvergunning exploiteren van de luchthaven "Rotterdam The Hague Airport" (hierna: de luchthaven) en de zaak over de aanvraag voor een natuurvergunning door Rotterdam Airport B.V voor de exploitatie van de luchthaven.
Het verzoek om voorlopige voorziening van de minister in deze zaak over Rotterdam Airport is samen behandeld op een zitting met het gelijkluidende verzoek van de minister in de zaak over Eindhoven Airport, zie daarvoor de uitspraak in de zaak met zaaknummer 202601588/2/R2. Ook zijn op dezelfde zitting de beroepen niet tijdig beslissen van MOB en andere(n) in bovengenoemde zaken over de aanschrijvingsbevoegdheid behandeld, zie daarvoor de uitspraken met zaaknummers 202601848/1/R2 en 202601850/1/R2.
Spoedeisend belang
3. De minister stelt zich op het standpunt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening, omdat hij op dit moment geen zorgvuldig besluit kan nemen met in achtneming van de motiveringseis die de rechtbank heeft gesteld. Daarbij wijst de minister erop dat eerst zal moeten worden bezien of er een natuurvergunningplicht geldt voor het aangevraagde project, voordat kan worden bepaald of hij bevoegd is om op grond van artikel 2.4 van de Wnb een verplichting op te leggen om maatregelen te treffen.
3.1. MOB en andere zetten uiteen dat de minister geen spoedeisend belang heeft omdat de door de rechtbank gegeven termijn inmiddels is verlopen. Daarbij is een beroep niet tijdig beslissen ingediend en kunnen de door de minister gegeven redenen en verzoek om een nieuwe beslistermijn in die procedure worden betrokken, zo zetten MOB en andere uiteen.
3.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de minister een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, strekkende tot het schorsen van de opdracht van de rechtbank om een nieuw besluit te nemen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat weliswaar de door de rechtbank gegeven termijn inmiddels is verlopen, maar dat de opdracht om een nieuw besluit te nemen nog steeds geldt. Ook betrekt de voorzieningenrechter daarbij dat de gevraagde voorziening, namelijk schorsing van de uitspraak van de rechtbank totdat uitspraak is gedaan in de bodemzaak, primair thuishoort in een verzoek om voorlopige voorziening hangende de bodemprocedure en niet in een procedure over een beroep niet tijdig beslissen dat is gericht tegen het uitblijven van een besluit. De voorzieningenrechter zal hieronder het verzoek inhoudelijk behandelen.
Behandeling van de verzoekgronden
4. De minister verzoekt om schorsing van de uitspraak van de rechtbank voor zover daarin is opgedragen om een nieuw besluit te nemen totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de zaken die gaan over deze luchthaven. De minister wijst daarbij op de samenhang tussen de zaken over de vraag of de activiteiten van de luchthaven vergunningplichtig zijn (202601603/1/R2) en de voorliggende zaak. Volgens de minister zal eerst de vraag moeten worden beantwoord of de luchthaven moet beschikken over een natuurvergunning, voordat kan worden beoordeeld of hij bevoegd is om toepassing te geven aan de aanschrijvingsbevoegdheid.
4.1. MOB en andere zetten uiteen dat de rechtbank al heeft geoordeeld dat de exploitatie van de luchthaven een natuurvergunningplichtig project is en daarin geen reden bestaat voor uitstel van het nemen van een besluit. Daartoe zetten zij uiteen dat volgens hen het bevoegd gezag altijd de bevoegdheid heeft om artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb toe te passen. Voor zover de aanschrijvingsbevoegdheid alleen bedoeld zou zijn voor het beperken of reguleren van activiteiten waarvoor geen natuurvergunning is verleend, zetten MOB en andere uiteen dat de activiteiten niet worden gereguleerd door een natuurvergunning.
4.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij vooralsnog uitgaat van hetgeen de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 29 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4431. Onder 8.5 van die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat zij uit pagina’s 90-96 van de memorie van toelichting bij de Wet natuurbescherming (Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, p.106) afleidt dat de aanschrijvingsbevoegdheid is bedoeld voor activiteiten waarvoor voor de referentiedatum toestemming is verleend en die sindsdien als één-en-hetzelfde project zijn voortgezet en voor activiteiten die op grond van artikel 2.9, eerste lid, van de Wnb zijn vrijgesteld van de vergunningplicht. Anders dan bij beheermaatregelen en vergunningplichtige activiteiten, heeft het bevoegd gezag voor die activiteiten geen andere instrumenten om de activiteit te reguleren, zo staat onder 8.5.
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter betekent het bovenstaande dat de aanschrijvingsbevoegdheid is bedoeld voor activiteiten waarvoor op grond van de Wnb geen andere instrumenten ter regulering van activiteiten beschikbaar zijn. Gelet op het feit dat de rechtbank Gelderland op 16 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2962, heeft geoordeeld dat de minister ten onrechte heeft besloten dat geen natuurvergunning was vereist voor het door Rotterdam Airport B.V. aangevraagde project voor de exploitatie van de luchthaven, twijfelt de voorzieningenrechter aan de juistheid van de uitspraak van de rechtbank in de hier voorliggende zaak. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek van de minister toe te wijzen.
Conclusie
5. Het bovenstaande betekent dat het verzoek wordt toegewezen. De uitspraak van de rechtbank zal worden geschorst, zodat de minister niet opnieuw een besluit op bezwaar hoeft te nemen totdat uitspraak gedaan is in de bodemzaak. De voorzieningenrechter hecht eraan te benoemen dat het in de lijn der verwachting ligt dat de bodemzaak samen met de zaak over de natuurvergunningplicht met zaaknummer 202601603/1/R2 (en de handhavingszaak met zaaknummer 202601609/1/R2) zal worden behandeld, waardoor ten tijde van de uitspraak in de bodemzaak er ook uitsluitsel is over de samenhangende rechtsvragen.
6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
schorst bij wijze van voorlopige voorziening de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 april 2026, zaaknummer ARN 24/7550.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Pistoor, griffier.
w.g. De Groot
voorzieningenrechter
w.g. Pistoor
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
932