Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202406197/1/R2

Uitspraak 202406197/1/R2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5475
Datum uitspraak
16 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij brief van 24 februari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de activiteiten en de bebouwing op het perceel aan De Run 7000 in Veldhoven afgewezen. [appellant] woont aan de [locatie] in Veldhoven en heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen de bouw en bebouwing op het ASML-terrein aan De Run 7000 nabij zijn woning. ASML gebruikt die locatie namelijk als bouwplaatsinrichting voor de bouwwerkzaamheden aan De Run 6553 en 7190. Volgens [appellant] wordt op dat bouwterrein zonder omgevingsvergunning gebouwd en bebouwing in de vorm van bouwketen neergezet. Hij heeft daar naar eigen zeggen last van. Het college heeft het verzoek om handhaving in eerste instantie inhoudelijk beoordeeld en afgewezen. Vervolgens heeft het college het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij volgens het college geen belanghebbende bij het handhavingsverzoek is.
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202406197/1/R2.
Datum uitspraak: 16 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Veldhoven,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 22 augustus 2024 in zaak nr. 23/2386 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven.

Procesverloop

Bij brief van 24 februari 2023 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de activiteiten en de bebouwing op het perceel aan De Run 7000 in Veldhoven afgewezen.

Bij besluit van 3 augustus 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 22 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 juni 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. drs. A.C.M. Brom, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Evers-Van der Smagt en N.C.B. Beusecom, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.

Inleiding

2.       [appellant] woont aan de [locatie] in Veldhoven en heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen de bouw en bebouwing op het ASML-terrein aan De Run 7000 nabij zijn woning. ASML gebruikt die locatie namelijk als bouwplaatsinrichting voor de bouwwerkzaamheden aan De Run 6553 en 7190. Volgens [appellant] wordt op dat bouwterrein zonder omgevingsvergunning gebouwd en bebouwing in de vorm van bouwketen neergezet. Hij heeft daar naar eigen zeggen last van. Het college heeft het verzoek om handhaving in eerste instantie inhoudelijk beoordeeld en afgewezen. Vervolgens heeft het college het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij volgens het college geen belanghebbende bij het handhavingsverzoek is.

In deze uitspraak gaat de Afdeling alleen in op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De Afdeling sluit aan bij het oordeel van de rechtbank

3.       De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd heeft hij ook in beroep aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7.2-7.3, 8.2-8.3 en 9.2-9.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.

3.1.    De Afdeling voegt daaraan nog toe dat de vraag of [appellant] gevolgen van enige betekenis ondervindt en dus belanghebbende is, in het licht van het handhavingsverzoek van [appellant] moet worden beoordeeld. Dat verzoek gaat alleen over handhaving van de bouwvoorschriften en de aanwezigheid van bouwwerken op het terrein aan De Run 7000. Hoewel niet is uitgesloten dat er enig geluid en licht vanaf het bouwterrein hoorbaar en zichtbaar is in en om de woning van [appellant], is de Afdeling van oordeel dat [appellant] geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van de aanwezigheid van de bouwwerken op het bouwterrein. Er zit namelijk een ruime afstand tussen het perceel van [appellant] en het bouwterrein en daartussen zijn gebouwen, een groenstrook, wegen en een geluidsscherm van 5 meter hoog gelegen.

3.2.    Verder is de Afdeling evenals de rechtbank van oordeel dat er geen parallel getrokken kan worden met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1500, omdat deze uitspraak alleen gaat over de situatie dat de bestuursrechter in beroep of in hoger beroep een belanghebbende niet meer ambtshalve tegenwerpt dat het bezwaar- of beroepschrift niet tijdig is ingediend. Dat de Centrale Raad van Beroep op één specifiek punt is teruggekomen van vaste rechtspraak betekent niet dat de Afdeling in zijn geheel kwesties van openbare orde niet meer ambtshalve beoordeelt.

Conclusie

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.

w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Ahmady-Pikart
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026

638-1186


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon