Uitspraak BRS.26.000335
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5246
- Datum uitspraak
- 9 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 23 december 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie het verzoek van appellant om opheffing van het terugkeerbesluit en verwijdering van de signalering uit het Schengeninformatiesysteem (SIS), afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.000335
ECLI:NL:RVS:2026:5246
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025 in zaak nr. NL25.17659 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 23 december 2024 heeft de minister het verzoek van appellant om opheffing van het terugkeerbesluit en verwijdering van de signalering uit het Schengeninformatiesysteem (SIS), afgewezen.
Bij besluit van 24 maart 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Bakker, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat namelijk onder meer over rechtsvragen die eerder door de Afdeling zijn beantwoord (uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4177, onder 3 tot en met 4.3, over de vraag of er sprake is van een andere toestemming tot verblijf in Portugal in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn en het evenredigheidsbeginsel in relatie tot de SIS-signalering inzake terugkeer). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
1.2. Verder roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.P.G. van Bekhoven, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Bekhoven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
959