Uitspraak BRS.26.003777
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5077
- Datum uitspraak
- 2 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 6 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Betrokkene is een staatloze Palestijn. Hij is op 6 juli 2026 per vliegtuig vanuit Turkije op Schiphol aangekomen, waar hij asiel heeft aangevraagd. De minister heeft hem in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Op 13 juli 2026 heeft de minister betrokkene gehoord over zijn asielmotieven. Op 15 juli 2026 heeft betrokkene correcties en aanvullingen ingediend. Op 17 juli 2026 heeft de minister de asielaanvraag ingewilligd, de grensdetentie uit eigen beweging opgeheven en betrokkene toegang tot Nederland verleend. De minister heeft de werkwijze die hij hanteert in een geval als dat van betrokkene opgenomen in werkinstructie (WI) 2026/23. Daarin staat dat het uitgangspunt is dat de asielaanvraag van iedere vreemdeling die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden uit de Schengengrenscode aanvankelijk in de asielgrensprocedure wordt behandeld, tenzij een van de genoemde uitzonderingen van toepassing is. Gedurende de behandeling van de aanvraag wordt de vreemdeling in grensdetentie geplaatst. Wanneer de minister concludeert dat de aanvraag niet verder kan worden behandeld in de asielgrensprocedure, wordt de vreemdeling toegang tot Nederland verleend en wordt de grensdetentie opgeheven. De Afdeling constateert dat deze werkwijze in feite ongewijzigd is gebleven bij het van toepassing worden van het Asiel- en migratiepact op 12 juni 2026.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.003777
ECLI:NL:RVS:2026:5077
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026 in zaak nr. NL26.37603 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2026 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 17 juli 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.H.K. van Middelkoop, advocaat in Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding en leeswijzer
1. Betrokkene is een staatloze Palestijn. Hij is op 6 juli 2026 per vliegtuig vanuit Turkije op Schiphol aangekomen, waar hij asiel heeft aangevraagd. De minister heeft hem in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Op 13 juli 2026 heeft de minister betrokkene gehoord over zijn asielmotieven. Op 15 juli 2026 heeft betrokkene correcties en aanvullingen ingediend. Op 17 juli 2026 heeft de minister de asielaanvraag ingewilligd, de grensdetentie uit eigen beweging opgeheven en betrokkene toegang tot Nederland verleend.
1.1. De minister heeft de werkwijze die hij hanteert in een geval als dat van betrokkene opgenomen in werkinstructie (WI) 2026/23. Daarin staat dat het uitgangspunt is dat de asielaanvraag van iedere vreemdeling die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden uit de Schengengrenscode aanvankelijk in de asielgrensprocedure wordt behandeld, tenzij een van de genoemde uitzonderingen van toepassing is. Gedurende de behandeling van de aanvraag wordt de vreemdeling in grensdetentie geplaatst. Wanneer de minister concludeert dat de aanvraag niet verder kan worden behandeld in de asielgrensprocedure, wordt de vreemdeling toegang tot Nederland verleend en wordt de grensdetentie opgeheven. De Afdeling constateert dat deze werkwijze in feite ongewijzigd is gebleven bij het van toepassing worden van het Asiel- en migratiepact op 12 juni 2026.
1.2. Naar het oordeel van de rechtbank is deze werkwijze in strijd met artikel 10, tweede lid, van Richtlijn (EU) 2024/1346 (Opvangrichtlijn). Daaruit volgt dat lidstaten een verzoeker in bewaring mogen houden op grond van een individuele beoordeling van het geval, als dat noodzakelijk is en andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. Zij acht de grensdetentie onrechtmatig omdat de minister 1) niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de grensdetentie noodzakelijk was, aangezien hij niet nader heeft gemotiveerd waarom hij de asielgrensprocedure heeft toegepast, 2) onvoldoende heeft onderzocht of een lichter middel zou volstaan en 3) ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de grensdetentie niet onevenredig bezwarend is.
1.3. De Afdeling legt in deze uitspraak uit waarom zij dat oordeel niet volgt. Zij bespreekt onder 2 tot en met 4.3 de grieven van de minister gericht tegen het oordeel dat hij het gebruik van de asielgrensprocedure nader had moeten motiveren. Onder 5 tot en met 6.8 bespreekt zij de grief gericht tegen de overwegingen van de rechtbank over het toepassen van een lichter middel.
1.4. De Afdeling heeft het wettelijk kader opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Grief 1 - de onverplichte toepassing van de asielgrensprocedure en de noodzaak van grensdetentie
Het oordeel van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister in de vrijheidsontnemende maatregel nader had moeten motiveren waarom hij de asielgrensprocedure toepast. Daarbij heeft zij overwogen dat zij de minister zo begrijpt dat de noodzaak van het toepassen van de asielgrensprocedure en grensdetentie is gelegen in het grensbewakingsbelang. In artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening staat dat een lidstaat de asielgrensprocedure verplicht moet toepassen wanneer een van de omstandigheden bedoeld in artikel 42, eerste lid, onder c, f of j zich voordoen. Deze omstandigheden doen zich in het geval van betrokkene niet voor. De minister heeft de aanvraag van betrokkene dus onverplicht in de asielgrensprocedure behandeld met toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Procedureverordening. Dit is namelijk een ‘kan-bepaling’. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarmee de noodzaak om de asielgrensprocedure toe te passen zelf gecreëerd. Zo’n zelf gecreëerde noodzaak is op zichzelf onvoldoende om grensdetentie te rechtvaardigen. Detentie is immers een ultimum remedium. De minister had de noodzaak van grensdetentie dan ook op een andere manier moeten motiveren, bijvoorbeeld door toe te lichten dat er een risico op onderduiken bestaat.
De grief
3. In grief 1 komt de minister op tegen dit oordeel. Hij betoogt dat er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat lidstaten die besluiten de asielgrensprocedure toe te passen een afweging moeten maken die verder strekt dan de vraag of het mogelijk is om een beslissing op de aanvraag te nemen als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Procedureverordening, waarin, gelezen samen met artikelen 38 en 42 van die verordening, de beslissingen staan die in de asielgrensprocedure genomen kunnen worden. Verder betoogt hij dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij de noodzaak om de asielgrensprocedure toe te passen niet zelf heeft gecreëerd. Hij wijst er daarbij op dat de Schengengrenscode lidstaten ertoe verplicht de buitengrenzen te bewaken en dat in beginsel alleen personen die voldoen aan de toegangsvoorwaarden uit artikel 6 van die verordening toegang tot het Schengengebied krijgen. Deze bepaling wordt ook expliciet genoemd in artikel 43, eerste lid, van de Procedureverordening. Ook stelt hij zich op het standpunt dat zijn keuze om de asielgrensprocedure in de regel in combinatie met grensdetentie uit te voeren wordt gerechtvaardigd door artikel 10, vierde lid, aanhef en onder d, van de Opvangrichtlijn, waaruit volgt dat een verzoeker in bewaring mag worden gehouden om in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van de Procedureverordening een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden. Verder heeft de rechtbank volgens de minister niet onderkend dat risico op onderduiken geen vereiste is voor grensdetentie op de gebruikte grondslag. Tot slot benadrukt de minister dat hij bij de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel altijd een individuele beoordeling maakt, in de zin dat hij beoordeelt of de maatregel onevenredig bezwarend is.
Beoordeling
3.1. Partijen zijn het er in hoger beroep over eens dat de minister de aanvraag in de asielgrensprocedure heeft behandeld met toepassing van artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedureverordening, zonder daartoe verplicht te zijn op grond van artikel 45, eerste lid, van die verordening. Dit maakt echter niet dat de minister nader had moeten motiveren waarom hij de asielgrensprocedure toepast. Het enkele feit dat een bepaling van Unierecht een ‘kan-bepaling’ is, betekent niet dat een lidstaat de toepassing van die bepaling nader moet motiveren.
3.2. Uit artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedureverordening volgt dat de grensprocedure kan worden toegepast na de indiening van een verzoek aan een doorlaatpost aan de buitengrens of in een transitzone. Betrokkene heeft zo’n verzoek gedaan. Uit artikel 44, eerste lid, volgt dat in de grensprocedure een beslissing kan worden genomen over de ontvankelijkheid van een verzoek overeenkomstig artikel 38 of over de gegrondheid van een verzoek als een van de omstandigheden die zijn genoemd in artikel 42, eerste lid, onder a tot en met g en j, en artikel 42, derde lid, onder b, zich voordoet. Met artikel 43, eerste lid, van de Procedureverordening heeft de Uniewetgever de lidstaten gemachtigd om de asielgrensprocedure toe te passen in gevallen waarin zij daartoe niet verplicht zijn. Vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024, Kaduna, ECLI:EU:C:2024:1038, punt 93.
3.3. In artikel 3, derde lid, van de Vw 2000 staat dat indien een vreemdeling aan de grens te kennen geeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 te willen indienen, de aanvraag op de locaties waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd, wordt getoetst aan de grond voor het niet in behandeling nemen als bedoeld in artikel 30, de gronden voor niet-ontvankelijkverklaring, bedoeld in artikel 30a en de gronden voor afwijzing wegens kennelijke ongegrondheid, genoemd in artikel 30b, met dien verstande dat een van de in artikel 42, eerste lid, onderdelen a tot en met g, en j, en artikel 42, derde lid, onderdeel b, van de Procedureverordening genoemde gevallen van toepassing is. Artikel 3, derde lid, van de Vw 2000 is geen ‘kan-bepaling’. De wetgever heeft dus gebruikgemaakt van de door de Procedureverordening geboden bevoegdheid om de grensprocedure in alle mogelijke gevallen toe te passen. Dit is in lijn met de Procedureverordening en hoeft niet in een individueel geval te worden gemotiveerd. De Afdeling volgt dan ook het standpunt van de minister dat er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat lidstaten die besluiten de asielgrensprocedure toe te passen een afweging moeten maken die verder strekt dan de vraag of het mogelijk is om een beslissing op de aanvraag te nemen als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Procedureverordening.
3.4. Hoewel de rechtbank terecht heeft overwogen dat uit artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn volgt dat lidstaten een verzoeker alleen in bewaring mogen houden op grond van een individuele beoordeling van het geval en als dat noodzakelijk is, volgt de Afdeling het oordeel dat de minister de noodzaak zelf heeft gecreëerd door onverplicht de asielgrensprocedure toe te passen niet. Zoals de minister betoogt, heeft hij een verplichting op grond van de Schengengrenscode om de buitengrenzen te bewaken. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene bij aankomst in Nederland niet voldeed aan de toegangsvoorwaarden uit artikel 6 van die verordening. In overweging 6 van de considerans van de Schengengrenscode benadrukt de Uniewetgever de waarde die hij hecht aan het grensbewakingsbelang. Daarin staat dat grenstoezicht in het belang is van niet alleen de lidstaat aan de buitengrenzen waarvan het wordt uitgeoefend, maar van alle lidstaten die het grenstoezicht aan hun binnengrenzen hebben afgeschaft en dat het grenstoezicht moet helpen de illegale immigratie en mensenhandel te bestrijden en bedreigingen van de binnenlandse veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid en de internationale betrekkingen van de lidstaten te voorkomen. In het grensbewakingsbelang mag de minister naar het oordeel van de Afdeling voldoende noodzaak zien om een vrijheidsontnemende maatregel overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn op te leggen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, hoeft die noodzaak niet nader te worden gemotiveerd, bijvoorbeeld door toe te lichten dat er een risico op onderduiken bestaat. De minister wijst er terecht op dat dit geen vereiste is voor de grensdetentie van betrokkene. Dat is alleen anders in gevallen waarin een verzoeker overeenkomstig artikel 52 van de Procedureverordening in grensdetentie wordt geplaatst om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van aanvraag. Dat volgt uit artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Op het vereiste uit artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn dat lidstaten een verzoeker alleen in bewaring mogen houden op grond van een individuele beoordeling, gaat de Afdeling in bij de bespreking van grief 3.
3.5. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de minister nader had moeten motiveren waarom hij in het geval van betrokkene de asielgrensprocedure heeft toegepast. De grief slaagt.
Grief 2 - mocht de minister de aanvraag in de asielgrensprocedure behandelen?
4. Grief 2 is gericht tegen dezelfde overwegingen als grief 1. Zie onder 2. De minister betoogt dat de vreemdelingenbewaringsrechter zich met zijn oordeel dat de minister in de vrijheidsontnemende maatregel nader had moeten motiveren waarom hij de asielgrensprocedure toepast, ten onrechte heeft uitgelaten over de vraag of de asielaanvraag van betrokkene in de grensprocedure kan worden behandeld. Volgens de minister onderkent de rechtbank niet dat hij direct na de ondertekening van de aanvraag - tijdens de screening - nog niet beschikt over de benodigde informatie om te bepalen of de aanvraag zich leent voor behandeling in de asielgrensprocedure. Daarvoor is een gehoor nodig.
Beoordeling
4.1. De minister betoogt terecht dat onderzoek nodig is om te bepalen of het mogelijk is om een beslissing op de aanvraag te nemen als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Procedureverordening, zodat de aanvraag in de asielgrensprocedure kan worden behandeld. Dat onderschrijft de Uniewetgever ook. In overweging 64 van de considerans van de Procedureverordening staat dat aangezien de grensprocedure onder meer tot doel heeft verzoeken die waarschijnlijk niet-ontvankelijk of ongegrond zullen zijn, snel te kunnen beoordelen, zodat personen zonder verblijfsrecht snel kunnen terugkeren, die procedure niet of niet langer mag worden toegepast indien de beslissingsautoriteit van oordeel is dat de gronden om een verzoek als niet-ontvankelijk af te wijzen of de versnelde behandelingsprocedure toe te passen, niet of niet langer van toepassing zijn. De onder 1.1 beschreven werkwijze van de minister dat hij de asielaanvraag van iedere vreemdeling die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden uit de Schengengrenscode in beginsel in de asielgrensprocedure behandelt en de grensdetentie opheft wanneer hij concludeert dat de aanvraag niet verder kan worden behandeld in de asielgrensprocedure, is daarmee in overeenstemming.
4.2. De Afdeling volgt het standpunt van de minister dat hij door betrokkene op 6 juli 2026 in grensdetentie te plaatsen, op 13 juli 2026 een gehoor te houden en op 17 juli 2026 de asielaanvraag in te willigen en de grensdetentie op te heffen, de asielaanvraag voldoende voortvarend heeft behandeld. De minister heeft daarmee voldaan aan zijn verplichting de grensdetentie op te heffen wanneer blijkt dat de aanvraag zich niet leent voor de behandeling in de asielgrensprocedure en aan zijn verplichting uit artikel 11, eerste lid, van de Opvangrichtlijn om de grensdetentie zo kort mogelijk te laten duren.
4.3. De grief slaagt.
Grief 3 - de lichter-middel-beoordeling
Het oordeel van de rechtbank
5. Naar het oordeel van de rechtbank had de minister moeten motiveren waarom hij niet met een lichter middel dan grensdetentie kon volstaan. Zij heeft daarbij overwogen dat het Unierecht geen automatische koppeling kent tussen het toepassen van de asielgrensprocedure en grensdetentie. In artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn staat juist dat een verzoeker alleen in bewaring mag worden gehouden wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast en maakt daarbij geen voorbehoud of onderscheid als het gaat om detentie tijdens de asielgrensprocedure. Het is voorstelbaar dat met een verzoeker aan de buitengrens goede afspraken te maken zijn over bijvoorbeeld een meldplicht. Als het onderduikrisico daarmee voldoende kan worden beperkt, komt aan het grensbewakingsbelang minder gewicht toe.
5.1. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de grensdetentie niet onevenredig bezwarend is. Met de standaardvragen die de minister stelt in het gehoor gaat hij ten onrechte niet actief op zoek naar alle feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de vraag of de grensdetentie onevenredig bezwarend is. De rechtbank acht van belang dat betrokkene zijn medewerking verleende aan de procedure en dat de minister een Besluit- en vertrekmoratorium voor Gaza heeft, wat gelet op WI 2026/23 betekent dat de minister personen uit Gaza in beginsel niet in grensdetentie houdt.
De grief
6. In grief 3 komt de minister op tegen dit oordeel. Volgens hem hanteert de rechtbank een onjuist toetsingskader door te overwegen dat hij niet op zoek is gegaan naar alle feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de vraag of de grensdetentie onevenredig bezwarend is. Dat betrokkene meewerkte aan de procedure is geen relevante omstandigheid. Verder heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat voor Gaza een Besluit- en vertrekmoratorium geldt.
Beoordeling
6.1. In de vrijheidsontnemende maatregel staat dat de minister geen lichter middel toepast omdat een minder dwingende maatregel niet doeltreffend kan worden toegepast aangezien daarmee het grensbewakingsbelang wordt prijsgegeven, en omdat de door betrokkene aangevoerde medische omstandigheden kunnen worden beoordeeld door de medische dienst van het Justitieel Complex Schiphol (JCS). De Afdeling volgt het standpunt dat een minder dwingende maatregel niet doeltreffend kon worden toegepast, gelet op het grensbewakingsbelang. Zij legt hierna uit waarom.
6.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Unierecht geen automatische koppeling kent tussen het toepassen van de asielgrensprocedure en grensdetentie. In overweging 69 van de considerans van de Procedureverordening staat namelijk dat hoewel de grensprocedure voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming kan worden toegepast zonder een beroep te doen op bewaring, de lidstaten toch de mogelijkheid moeten hebben om tijdens de grensprocedure de gronden voor bewaring toe te passen overeenkomstig de bepalingen van de Opvangrichtlijn, teneinde een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied binnen te komen. Het Unierecht kent dus geen noodzakelijke koppeling, maar maakt het voor lidstaten wel mogelijk om grensdetentie toe te passen als de aanvraag in de asielgrensprocedure wordt behandeld.
6.3. Hoewel artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn geen expliciet onderscheid maakt tussen detentie tijdens de asielgrensprocedure en andere vormen van detentie, betekent dat nog niet dat de beoordeling voor detentie op alle grondslagen gelijk moet zijn. De omstandigheden verschillen immers. Voor verzoekers aan de buitengrens speelt namelijk het grensbewakingsbelang een rol, terwijl dat niet het geval is voor verzoekers die al toegang hebben tot het Schengengebied. Het is een juridische constructie dat verzoekers die zich in de internationale lounge van Schiphol, het JCS of in voorkomend geval de Gesloten Gezinsvoorziening in Zeist bevinden geen toegang hebben tot het Schengengebied. Al deze plekken zijn immers op het Nederlands grondgebied gelegen. Maar anders dan een toegangsweigering, is toegangsverlening geen besluit maar een feitelijke handeling. Feitelijk hebben verzoekers op de genoemde locaties geen vrije toegang tot het Schengengebied.
6.4. Het doel van grensdetentie is niet om verzoekers die, zoals betrokkene, uiteindelijk recht blijken te hebben op een verblijfsvergunning of waarvan uiteindelijk blijkt dat hun aanvraag zich niet leent voor de asielgrensprocedure te detineren. Maar of dat het geval is, is bij de aankomst van een verzoeker nog niet duidelijk. Om tot die conclusie te komen is onderzoek nodig, zoals de Afdeling heeft overwogen onder 4.1. Het doel is om verzoekers waarvan de aanvraag uiteindelijk wel wordt afgewezen in de asielgrensprocedure te detineren, zodat zij vervolgens op een andere grondslag in grensdetentie kunnen worden geplaatst en kunnen worden uitgezet zonder ooit toegang tot het Schengengebied te verkrijgen. Daarbij is niet relevant of een verzoeker meewerkt aan de procedure. Dat is namelijk niet relevant voor de vraag of de aanvraag zich leent voor behandeling in de asielgrensprocedure.
6.5. Een meldplicht kan niet gedurende de asielgrensprocedure worden opgelegd in de internationale lounge van Schiphol, omdat daar geen geschikte voorzieningen zijn voor verblijf. Voor zover de rechtbank een meldplicht in bijvoorbeeld het aanmeldcentrum in Ter Apel voor ogen heeft, brengt dat met zich mee dat een verzoeker feitelijk toegang krijgt tot het Schengengebied. Feitelijke toegangsverlening is onomkeerbaar. Dat betekent dat een verzoeker die geen recht heeft op een verblijfsvergunning niet meer met het oog op uitzetting in grensdetentie kan worden geplaatst op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000. Daarmee wordt het nuttig effect van het Unierecht ondergraven, gelet op wat de Afdeling heeft overwogen onder 3.4. Zolang er geen realistische alternatieven voor grensdetentie worden opgeworpen, is de Afdeling daarom van oordeel dat de beoordeling of de minister in grensdetentiezaken met een lichter middel had moeten volstaan, niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is, waardoor de minister van grensdetentie moet afzien (artikel 5.5, tweede lid, van het Vb 2000).
6.6. Verder wijst de minister er in dit verband terecht op dat er geen Besluit- en vertrekmoratorium voor Gaza geldt, zodat hij niet om die reden van grensdetentie hoefde af te zien. De Afdeling heeft het besluitmoratorium vernietigd in haar uitspraak van 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1663. In paragraaf C9/28 van de Vc 2000 staat dat de IND voor de Westelijke Jordaanoever aanneemt dat de UNRWA daar weliswaar actief is, maar dat zij in het algemeen geen daadwerkelijke bescherming en bijstand kan bieden, tenzij er individuele indicaties zijn dat de UNRWA wel voldoende bijstand of bescherming kan bieden aan de (staatloze) Palestijn. Voor Gaza neemt de IND de hoogste gradatie van willekeurig geweld aan. De minister heeft de aanvraag van betrokkene ook ingewilligd.
6.7. De Afdeling is van oordeel dat de minister met de vragen die hij in het gehoor heeft gesteld voldoende heeft onderzocht of de grensdetentie voor betrokkene onevenredig bezwarend is. Zo heeft hij geïnformeerd over de medische omstandigheden van betrokkene, gevraagd of betrokkene familieleden in Nederland of in de Europese Unie heeft die hier rechtmatig verblijven en betrokkene in de gelegenheid gesteld andere omstandigheden aan te voeren.
6.8. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande ten onrechte geoordeeld dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet met een lichter middel heeft volstaan. De grief slaagt.
Ambtshalve overweging ten overvloede
7. De Afdeling constateert ambtshalve dat in de vrijheidsontnemende maatregel zowel is aangekruist dat de asielaanvraag van betrokkene wordt behandeld in de asielgrensprocedure als dat het gaat om vrijheidsontneming in verband met de screening. Deze omstandigheden kunnen echter niet naast elkaar bestaan. Uit artikel 1, aanhef en onder a, van de Screeningsverordening volgt namelijk dat verzoekers die aan de buitengrens om internationale bescherming verzoeken, worden gescreend voordat zij naar een passende procedure worden doorverwezen.
7.1. De Afdeling ziet hierin echter geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 voorziet namelijk zowel in een grondslag voor grensdetentie tijdens de screening als tijdens de asielgrensprocedure.
Geen prejudiciële vragen
8. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vragen. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Conclusie
9. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026 in zaak nr. NL26.37603;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
1020
BIJLAGE
Unierecht
Asiel- en migratiebeheerverordening
Artikel 44
[…]
2. Wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, kunnen de lidstaten de betrokken persoon in bewaring houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover bewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
[…]
Procedureverordening
Considerans, overweging 64
Aangezien de grensprocedure onder meer tot doel heeft verzoeken die waarschijnlijk niet-ontvankelijk of ongegrond zullen zijn, snel te kunnen beoordelen, zodat personen zonder verblijfsrecht snel kunnen terugkeren, mag die procedure niet of niet langer worden toegepast indien de beslissingsautoriteit van oordeel is dat de gronden om een verzoek als niet-ontvankelijk af te wijzen of de versnelde behandelingsprocedure toe te passen, niet of niet langer van toepassing zijn.
Considerans, overweging 69
Hoewel de grensprocedure voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming kan worden toegepast zonder een beroep te doen op bewaring, moeten de lidstaten toch de mogelijkheid hebben om tijdens de grensprocedure de gronden voor bewaring toe te passen overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn (EU) 2024/1346, teneinde een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied binnen te komen. Indien tijdens een dergelijke procedure wordt gebruikgemaakt van bewaring, moeten de bepalingen inzake bewaring van die richtlijn van toepassing zijn, onder meer inzake de waarborgen voor verzoekers in bewaring, de voorwaarden met betrekking tot bewaring, rechterlijke toetsing en de noodzaak om elk geval individueel te beoordelen. In de regel mogen minderjarigen niet in bewaring worden gesteld. Minderjarigen mogen enkel in uitzonderlijke omstandigheden in bewaring worden gesteld, als maatregel in laatste instantie en nadat is vastgesteld dat andere, minder dwingende alternatieve maatregelen, onder meer niet-vrijheidsbenemende plaatsing in de gemeenschap, niet doeltreffend kunnen worden toegepast, en nadat overeenkomstig Richtlijn (EU) 2024/1346 is beoordeeld dat bewaring in hun belang is.
Artikel 38
1. De beslissingsautoriteit kan de ontvankelijkheid van een verzoek beoordelen overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II, en kan op grond van het nationale recht bevoegd worden gemaakt om een verzoek niet-ontvankelijk te verklaren wanneer een van de volgende gronden van toepassing is:
a) een land dat geen lidstaat is, wordt uit hoofde van artikel 58 beschouwd als een eerste land van asiel voor de verzoeker, tenzij het duidelijk is dat de verzoeker niet tot dat land zal worden toegelaten of opnieuw zal worden toegelaten;
b) een land dat geen lidstaat is, wordt uit hoofde van artikel 59 beschouwd als een veilig derde land voor de verzoeker, tenzij het duidelijk is dat de verzoeker niet tot dat land zal worden toegelaten of opnieuw zal worden toegelaten;
c) een andere lidstaat dan de lidstaat die het verzoek behandelt, heeft de verzoeker internationale bescherming verleend;
d) een internationaal strafgerecht heeft gezorgd voor veilige herplaatsing van de verzoeker naar een lidstaat of een derde land of onderneemt ondubbelzinnig maatregelen in die zin, tenzij nieuwe relevante omstandigheden zijn ontstaan waarmee het strafhof of tribunaal geen rekening heeft gehouden of er geen juridische mogelijkheid bestond om omstandigheden die relevant zijn voor internationaal erkende mensenrechtennormen aan te voeren voor dat internationale strafgerecht;
e) aan de betrokken verzoeker is een terugkeerbesluit uitgevaardigd overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 2008/115/EG en hij of zij deed pas na zeven werkdagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het terugkeerbesluit een verzoek, terwijl hij of zij in kennis was gesteld van de gevolgen van het niet doen van een verzoek binnen de gestelde termijn en voor zover er sinds het verstrijken van die termijn geen nieuwe relevante elementen naar voren zijn gekomen.
2. De beslissingsautoriteit wijst een verzoek af als niet-ontvankelijk indien het gaat om een volgend verzoek waarbij geen nieuwe relevante elementen als bedoeld in artikel 55, leden 3 en 5, naar voren zijn gekomen of door de verzoeker zijn voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij of zij in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1347 of in verband met de eerder toegepaste grond voor niet-ontvankelijkheid.
Artikel 42
1. Onverminderd artikel 21, lid 2, versnelt de beslissingsautoriteit, overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II, de behandeling ten gronde van een verzoek om internationale bescherming, wanneer:
a) de verzoeker bij de indiening van het verzoek en de toelichting van de feiten alleen aangelegenheden aan de orde heeft gesteld die niet ter zake doen om uit te maken of hij of zij in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1347;
b) de verzoeker kennelijk inconsequente of tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd, of verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met relevante en beschikbare informatie over het land van herkomst, waardoor zijn of haar verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij of zij in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1347;
c) de verzoeker, na ten volle de gelegenheid te zijn geboden een geldige reden aan te voeren, wordt geacht de autoriteiten opzettelijk te hebben misleid door valse informatie of documenten te verstrekken of relevante informatie of documenten achter te houden, met name omtrent zijn of haar identiteit of nationaliteit, die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, of er duidelijke gronden zijn om te oordelen dat de verzoeker te slechter trouw een identiteitsbewijs of reisdocument heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan om de vaststelling van zijn of haar identiteit of nationaliteit te verhinderen;
d) de verzoeker enkel een verzoek indient om de uitvoering van een beslissing tot zijn of haar verwijdering van het grondgebied van een lidstaat, te vertragen, te verhinderen of te voorkomen;
e) een derde land kan worden beschouwd als een veilig land van herkomst voor de verzoeker in de zin van deze verordening;
f) er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de verzoeker een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of de openbare orde van de lidstaat, of dat de verzoeker onder dwang is uitgezet om ernstige redenen van nationale openbare veiligheid of openbare orde krachtens het nationale recht;
g) het verzoek een volgend verzoek is, maar geen niet-ontvankelijk verzoek; h) de verzoeker het grondgebied van de lidstaat onrechtmatig is binnengekomen of zijn of haar verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en, gezien de omstandigheden van zijn of haar binnenkomst, zonder goede reden niet zo spoedig mogelijk zich bij de bevoegde autoriteiten heeft aangemeld of een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend;
i) de verzoeker het grondgebied van een lidstaat rechtmatig is binnengekomen, maar gezien de gronden van zijn of haar binnenkomst, zonder goede reden niet zo spoedig mogelijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend; dit punt doet geen afbreuk aan de behoefte aan internationale bescherming die ter plaatse ontstaat, of
j) de verzoeker de nationaliteit heeft van of, in het geval van een staatloze, zijn gewone verblijfplaats had in een derde land waarvoor, volgens de meest recente beschikbare jaargemiddelden van Eurostat voor de gehele Unie, de beslissingsautoriteit in 20 % of minder van de gevallen internationale bescherming heeft verleend, tenzij de beslissingsautoriteit oordeelt dat zich sinds de publicatie van de desbetreffende Eurostat-gegevens in het betrokken derde land een belangrijke wijziging heeft voorgedaan of dat de verzoeker behoort tot een categorie van personen voor wie het erkenningspercentage van 20 % of minder niet als representatief voor hun beschermingsbehoeften kan worden beschouwd, rekening houdend met onder meer de aanzienlijke verschillen tussen beslissingen in eerste aanleg en eindbeslissingen.
[…]
Artikel 43
1. Na afloop van de overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1356 uitgevoerde screening, indien van toepassing en op voorwaarde dat de verzoeker nog geen toegang heeft gekregen tot het grondgebied van de lidstaten, kan een lidstaat, in overeenstemming met de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II, een verzoek behandelen in een grensprocedure indien dat verzoek is ingediend door een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van een lidstaat als vastgesteld in artikel 6 van Verordening (EU) 2016/399. De grensprocedure kan worden toegepast:
a) na de indiening van een verzoek aan een doorlaatpost aan de buitengrens of in een transitzone;
[…]
Artikel 44
1. Wanneer een grensprocedure wordt toegepast, kan een beslissing worden genomen over:
a) de ontvankelijkheid van een verzoek overeenkomstig artikel 38;
b) de gegrondheid van een verzoek indien een van de in artikel 42, lid 1, punten a) tot en met g) en punt j), en artikel 42, lid 3, punt b), genoemde omstandigheden zich voordoen.
[…]
Artikel 45
1. In de in artikel 43, lid 1, bedoelde gevallen behandelt een lidstaat een verzoek in een grensprocedure indien een van de in artikel 42, lid 1, punt c), f) of j), bedoelde omstandigheden zich voordoet.
[…]
Artikel 52
1. Indien de voorwaarden voor de grensprocedure van toepassing zijn, beslissen de lidstaten de in Verordening (EU) 2024/1351 vastgelegde procedure uit te voeren om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek uit op de locaties waar de grensprocedure zal worden uitgevoerd, onverminderd de in artikel 51, lid 2, van deze verordening vastgelegde termijnen.
[…]
Schengengrenscode
Considerans, overweging 6
Grenstoezicht is in het belang van niet alleen de lidstaat aan de buitengrenzen waarvan het wordt uitgeoefend, maar van alle lidstaten die het grenstoezicht aan hun binnengrenzen hebben afgeschaft. Het grenstoezicht moet helpen de illegale immigratie en mensenhandel te bestrijden en bedreigingen van de binnenlandse veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid en de internationale betrekkingen van de lidstaten te voorkomen.
Artikel 6
1. Voor een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, waarbij voor iedere dag van het verblijf de 180 voorafgaande dagen in aanmerking worden genomen, gelden voor onderdanen van derde landen de volgende toegangsvoorwaarden:
a) in het bezit zijn van een geldig reisdocument of van een document dat de houder recht geeft op grensoverschrijding en dat aan de volgende criteria voldoet:
i) het is geldig tot minstens drie maanden na de voorgenomen datum van vertrek uit het grondgebied van de lidstaten. In gemotiveerde spoedeisende gevallen mag echter van deze verplichting worden afgezien;
ii) het is afgegeven in de voorafgaande tien jaar;
b) indien vereist op grond van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad, in het bezit zijn van een geldig visum, behalve indien zij houder zijn van een geldige verblijfsvergunning of een geldig visum voor verblijf van langere duur;
c) het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden kunnen staven, alsmede beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze
middelen rechtmatig te verwerven;
d) niet met het oog op weigering van toegang in het SIS gesignaleerd zijn;
e) niet worden beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen van één van de lidstaten, en met name niet om dezelfde redenen met het oog op weigering van toegang gesignaleerd staan in de nationale databanken van de lidstaten.
[…]
Screeningsverordening
Artikel 1
Bij deze verordening wordt bepaald dat:
onderdanen van derde landen aan de buitengrenzen van de lidstaten die, zonder aan de toegangsvoorwaarden die zijn bepaald in artikel 6 van Verordening (EU) 2016/399, te voldoen, de buitengrens onrechtmatig hebben overschreden, tijdens grenscontroles om internationale bescherming hebben verzocht, of na een opsporings- en reddingsoperatie zijn ontscheept, gescreend worden alvorens zij naar de passende procedure worden doorverwezen,
[…]
Opvangrichtlijn
Artikel 10
2. In de gevallen waarin zulks noodzakelijk blijkt en op grond van een individuele beoordeling van elk geval, mogen de lidstaten een verzoeker in bewaring houden wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
[…]
4. Een verzoeker mag alleen op een of meer van de volgende gronden in bewaring worden gehouden:
[…]
d) om in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van Verordening (EU) 2024/1348 een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden;
[…]
Artikel 11
1. Een verzoeker wordt slechts in bewaring gehouden voor een zo kort mogelijke termijn en slechts zo lang de in artikel 10, lid 4, genoemde redenen van toepassing zijn.
[…]
Nederlands recht
Vw 2000
Artikel 3
[…]
3. Indien een vreemdeling aan de grens te kennen geeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 te willen indienen, wordt de aanvraag op de locaties waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd getoetst aan:
a. de grond voor het niet in behandeling nemen als bedoeld in artikel 30;
b. de gronden voor niet-ontvankelijkverklaring, bedoeld in artikel 30a; en
c. de gronden voor afwijzing wegens kennelijke ongegrondheid, genoemd in artikel 30b, met dien verstande dat een van de in artikel 42, eerste lid, onderdelen a tot en met g, en j, en artikel 42, derde lid, onderdeel b, van de Procedureverordening genoemde gevallen van toepassing is.
[…]
Artikel 6
1. De vreemdeling aan wie toegang is geweigerd, onderscheidenlijk de vreemdeling op wie artikel 5 van de Screeningsverordening van toepassing is, kan worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats, met dien verstande dat indien de Screeningsverordening van toepassing is, dit overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 8, eerste en derde lid, van de Screeningsverordening plaatsvindt.
2. Een ruimte of plaats, bedoeld in het eerste lid, kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
3. De vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 te willen indienen, met inbegrip van de vreemdeling op wie artikel 5, tweede lid, van de Screeningsverordening van toepassing is, kan, zolang hij wordt aangemerkt als verzoeker in de zin van artikel 2, aanhef en onder 2, van de Opvangrichtlijn, eveneens worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, onderscheidenlijk in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 8, eerste en derde lid, van de Screeningsverordening. Artikel 59b, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
[…]
Artikel 30
1. Onze Minister neemt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, overeenkomstig artikel 39, eerste lid, onderdeel a, van de Procedureverordening, niet in behandeling wanneer op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
[…]
Artikel 30a
1. Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk verklaren in de gevallen, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Procedureverordening en verklaart de aanvraag niet-ontvankelijk in de gevallen, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Procedureverordening.
[…]
Artikel 30b
1. Onze Minister kan een ongegronde aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 overeenkomstig artikel 39, vierde lid, van de Procedureverordening afwijzen als kennelijk ongegrond, indien op het tijdstip van afronding van de behandeling een van de gevallen bedoeld in artikel 42, eerste en derde lid, van de Procedureverordening van toepassing is.
[…]
Vb 2000
Artikel 5.5
[…]
2. Een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
[…]
Werkwijze plaatsen van asielzoeker in grensdetentie niet in strijd met Asiel- en Migratiepact
De minister van Asiel en Migratie heeft een staatloze Palestijnse asielzoeker rechtmatig in grensdetentie geplaatst tijdens de beoordeling van zijn asielaanvraag in de asielgrensprocedure. De werkwijze van de minister om asielzoekers in grensdetentie te plaatsen is niet in strijd met het Europese Asiel- en Migratiepact. Dat oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 2 september 2026.
Achtergrond
Een staatloze Palestijnse asielzoeker is op 6 juli 2026 met het vliegtuig uit Turkije naar Nederland gekomen. Bij aankomst op Schiphol heeft hij hier asiel aangevraagd. De minister heeft zijn asielaanvraag behandeld in de zogenoemde asielgrensprocedure. Dat is een versnelde procedure die niet langer dan vijf weken mag duren. Tijdens deze behandeling heeft een asielzoeker geen toegang tot Nederland en kan hij in grensdetentie worden geplaatst. Dat gebeurde ook met deze man. Nadat de minister hem asiel had verleend, is de grensdetentie beëindigd. De man vindt dat de minister hem tijdens de behandeling van zijn asielaanvraag niet had mogen vastzetten en is daartegen in beroep gekomen bij de rechtbank in Amsterdam.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelde op 17 juli 2026 dat de grensdetentie van de man onrechtmatig was op grond van het Europese Asiel- en Migratiepact dat sinds 12 juni 2026 geldt. Volgens de rechtbank volgt uit deze nieuwe Europese regels dat de minister moet uitleggen waarom hij deze asielaanvraag behandelt binnen de asielgrensprocedure, omdat hij in dit geval volgens die regels niet verplicht is om de asielaanvraag in de versnelde procedure te behandelen. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat iemand alleen in grensdetentie mag worden geplaatst als de minister een individuele beoordeling maakt en onderzoekt of er ook een lichter middel dan grensdetentie volstaat. Omdat de minister dat niet heeft gedaan, heeft de rechtbank de man een schadevergoeding toegekend.
Oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak
De Afdeling bestuursrechtspraak volgt het oordeel van de rechtbank niet. De werkwijze van de minister is niet in strijd met regels van het Europese Asiel- en Migratiepact, ongeacht dat de minister de keuze heeft om een asielzoeker wel of niet in grensdetentie te plaatsen. De minister hoeft niet in elk individueel geval te motiveren waarom hij de asielaanvraag behandeld in de asielgrensprocedure en een asielzoeker vastzet, vanwege de Unierechtelijke verplichting van de minister om het zogenoemde grensbewakingsbelang te waarborgen. In het licht daarvan is het naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak al voldoende duidelijk waarom de minister asielzoekers in grensdetentie kan plaatsen. Wel moet de minister beoordelen of de grensdetentie vanwege individuele omstandigheden onevenredig bezwarend is. Dat kan het geval zijn als een asielzoeker medische hulp nodig heeft die niet door de medische dienst van het Justitieel Complex Schiphol kan worden geboden. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de grensdetentie in dit geval rechtmatig was en dat de minister zijn besluit deugdelijk heeft gemotiveerd. Daarom krijgt de man geen schadevergoeding.