Uitspraak 202602633/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4978
- Datum uitspraak
- 25 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- [verzoekster] heeft administratief beroep ingesteld tegen de beslissing van de examencommissie Tilburg Law School (de examencommissie) van 4 augustus 2026, waarbij haar verzoek om een extra toetskans voor het vak Arbeidsrecht (680073-B-6) is afgewezen. Tegelijkertijd heeft [verzoekster] de voorzitter van het college van beroep voor de examens (CBE) gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een extra toetskans is door de examencommissie afgewezen, omdat [verzoekster] niet aan de voorwaarden voor de Laatste-vak-regeling als bedoeld in artikel 4.7a, eerste lid, aanhef en onder e, van de Onderwijs- en Examenregeling Tilburg Law School 2025-2026 voldoet. [verzoekster] heeft namelijk niet alle kansen in het collegejaar benut en heeft voor de kans die zij heeft benut niet minimaal het cijfer 4,5 behaald.
- Voorlopige voorziening
- Studentenzaken
Toon inhoud
202602633/1/A2.
Datum uitspraak: 25 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) van
[verzoekster],
verzoekster.
Procesverloop
[verzoekster] heeft administratief beroep ingesteld tegen de beslissing van de examencommissie Tilburg Law School (de examencommissie) van 4 augustus 2026, waarbij haar verzoek om een extra toetskans voor het vak Arbeidsrecht (680073-B-6) is afgewezen.
Tegelijkertijd heeft [verzoekster] de voorzitter van het college van beroep voor de examens (CBE) gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij beslissing van 13 augustus 2026 heeft de voorzitter van het CBE een voorlopige voorziening getroffen.
Bij beslissing van 19 augustus 2026 heeft de voorzitter van het CBE het verzoek van [verzoekster] om de getroffen voorlopige voorziening te wijzigen afgewezen.
[verzoekster] heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
3. Het verzoek om een extra toetskans is door de examencommissie afgewezen, omdat [verzoekster] niet aan de voorwaarden voor de Laatste-vak-regeling als bedoeld in artikel 4.7a, eerste lid, aanhef en onder e, van de Onderwijs- en Examenregeling Tilburg Law School 2025-2026 voldoet. [verzoekster] heeft namelijk niet alle kansen in het collegejaar benut en heeft voor de kans die zij heeft benut niet minimaal het cijfer 4,5 behaald.
4. De voorzitter van het CBE heeft, nadat de examencommissie had laten weten uit praktisch oogpunt geen bezwaar te hebben, op verzoek van [verzoekster] een voorlopige voorziening getroffen. Deze voorziening houdt in dat [verzoekster] tijdens de geplande Laatste Vak herkansing het tentamen Arbeidsrecht nogmaals mag afleggen, terwijl de administratief beroepsprocedure loopt. Het resultaat van dit tentamen zal bekend worden gemaakt als een schikking met de examencommissie wordt bereikt of als het administratief beroep gegrond wordt verklaard. Het tentamen zal mondeling worden afgenomen eind augustus 2026.
5. [verzoekster] heeft de voorzitter van het CBE verzocht de voorziening te wijzigen. Zij heeft verzocht te bepalen dat het tentamen zal worden nagekeken en als een voldoende is behaald, het diploma uit te reiken. De voorzitter van het CBE heeft dit verzoek afgewezen, omdat de gevraagde voorziening geen voorlopig karakter draagt.
6. [verzoekster] heeft vervolgens de voorzieningenrechter verzocht om de bij de voorzitter van het CBE gevraagde en afgewezen voorziening, zoals hierboven onder 5 omschreven, te treffen.
7. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd geen reden om een verderstrekkende voorziening te treffen dan die al door de voorzitter van het CBE is getroffen. Bovendien zou de voorziening die [verzoekster] wenst, geen voorlopig karakter hebben en komt het verzoek daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
8. Het verzoek moet als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
9. De proceskosten hoeven niet te worden vergoed.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Willems
voorzieningenrechter
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026
705-1043
BIJLAGE - Wettelijk kader
Artikel 4.7a Laatste-vak-regeling
1. De student die voor het behalen van het examen slechts één tentamen van de opleiding niet met goed gevolg heeft afgelegd, kan bij de examencommissie uiterlijk vijf werkdagen nadat de uitslag van het voorlaatste tentamen bekend is gemaakt het verzoek doen één extra gelegenheid te krijgen om het tentamen af te leggen. De examencommissie willigt het verzoek slechts in als:
a. de eerstvolgende gelegenheid tot het afleggen van het tentamen niet plaatsvindt binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek en;
b. het tentamen niet is verbonden aan de thesis en de thesis is goedgekeurd, en;
c. het tentamen niet is verbonden aan een stage en de stage is afgerond, en;
d. het aantal met het tentamen te behalen studiepunten niet meer bedraagt dan 12 studiepunten, en;
e. de reguliere gelegenheden in het lopende studiejaar voor het afleggen van het tentamen zijn benut en de student voor de laatste twee tentamenpogingen in het lopende studiejaar eenmaal een uitslag van een 4.5 of hoger heeft behaald. De examencommissie kan afwijken van de in de vorige volzin vermelde voorwaarden als de student niet aan deze voorwaarden heeft voldaan vanwege bijzondere persoonlijke omstandigheden, bedoeld in artikel 5.3, en;
f. de student niet heeft gefraudeerd in de betreffende onderwijseenheid.
[…]