Uitspraak BRS.26.003468
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4920
- Datum uitspraak
- 25 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 24 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.003468
ECLI:NL:RVS:2026:4920
Datum uitspraak: 25 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 3 juli 2026 in zaak nr. NL26.35195 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 juni 2026 heeft de minister appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 3 juli 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. W.M. Blaauw, advocaat in Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. Sinds 12 juni 2026 is het voor vreemdelingen niet meer mogelijk om zelf beroep in te stellen tegen een maatregel van vreemdelingenbewaring of vrijheidsontnemende maatregel. Artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000, zoals dat geldt vanaf die dag, bepaalt dat de minister onverwijld na de bekendmaking van een maatregel van vreemdelingenbewaring of vrijheidsontnemende maatregel de rechtbank daarvan in kennis stelt, en dat een vreemdeling geacht wordt beroep te hebben ingesteld tegen de maatregel zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen.
1.1. Deze uitspraak gaat over de vraag of een vreemdeling een dergelijk beroep kan intrekken.
De procedure bij de rechtbank
2. De minister heeft appellant op 24 juni 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000. De minister heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Bij brieven van 25 juni 2026 heeft de rechtbank partijen uitgenodigd voor de zitting op 29 juni 2026. Bij brief van 25 juni 2026 heeft de gemachtigde van appellant de rechtbank te kennen gegeven dat hij het beroep wil intrekken omdat hij op die dag al drie zittingen had bij de zittingsplaats Haarlem, waaronder een op hetzelfde tijdstip. De rechtbank heeft contact opgenomen met de gemachtigde en hem laten weten dat zij de behandeling van de zaak toch voortzet. Op verzoek van de gemachtigde is de zaak vervolgens schriftelijk behandeld.
De uitspraak van de rechtbank en het hoger beroep
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant het beroep niet kan intrekken. Daarbij heeft zij overwogen dat uit artikel 11, derde lid, van Richtlijn (EU) 2024/1346 (Opvangrichtlijn) volgt dat de rechtmatigheid van iedere door de minister opgelegde bewaring, ambtshalve of op verzoek van de verzoeker, met spoed door de rechter moet worden getoetst en dat de bewaring onmiddellijk moet worden opgeheven wanneer deze toets binnen 21 dagen niet heeft plaatsgevonden. Omdat de wetgever er expliciet voor heeft gekozen de toetsing van de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring alleen ambtshalve aan de rechter voor te leggen door middel van het verzenden van een kennisgeving, wordt die mogelijkheid tot toetsing de rechtbank ontnomen als het beroep dat ontstaat door de kennisgeving kan worden ingetrokken.
4. Appellant komt in zijn enige grief op tegen dat oordeel van de rechtbank. Hij wijst erop dat in artikel 6:21, eerste lid, van de Awb staat dat een bezwaar of beroep schriftelijk kan worden ingetrokken. Volgens appellant kan de consequentie van een intrekking dat de vreemdelingenbewaring na 21 dagen moet worden opgeheven niet aan hem worden tegengeworpen. Dat het niet meer mogelijk is voor vreemdelingen om zelf beroep in te stellen, is immers een keuze van de wetgever. Verder voert appellant aan dat de nieuwe regels over het instellen van beroep in vreemdelingenbewaringszaken een onwerkbare situatie voor advocaten creëert, omdat het voor hen niet mogelijk is om op iedere geplande zitting te verschijnen.
Beoordeling
4.1. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. Zoals zij heeft overwogen, brengt het intrekken van het door de kennisgeving ontstane beroep met zich dat zij niet aan haar Unierechtelijke verplichting kan voldoen om de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring met spoed te toetsen. Het beroep kan daarom niet worden ingetrokken.
4.2. De grief slaagt niet.
5. In deze zaak zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
Conclusie
6. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026
1020