Uitspraak 202403784/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4802
- Datum uitspraak
- 17 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 9 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkenen opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hun meegedeeld dat zij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd worden. Bij besluit van 9 november 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
202403784/1/V3.
Datum uitspraak: 17 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de hoger beroepen van:
1. de minister van Asiel en Migratie,
2. [appellant A] en [appellant B],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 mei 2024 in zaak nr. NL23.35857 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 9 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkenen opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hun meegedeeld dat zij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd worden.
Bij besluit van 9 november 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben de staatssecretaris en betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Bakker, advocaat in Voorburg, hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een zienswijze gegeven.
Betrokkenen hebben een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene, met de Bengaalse nationaliteit, is met ingang van 5 augustus 2021 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘studie’. Zijn echtgenote en andere betrokkene, ook met de Bengaalse nationaliteit, is met ingang van 14 maart 2022 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’. De minister heeft met het besluit van 9 mei 2023 deze verblijfsvergunningen ingetrokken met ingang van 1 mei 2022, omdat de onderwijsinstelling betrokkene heeft afgemeld vanwege onvoldoende studievoortgang. Omdat de echtgenote een afhankelijk verblijfsrecht had, is dat daarmee ook komen te vervallen. De intrekkingen gelden ook als terugkeerbesluit. Daarbij heeft de minister betrokkenen vanwege het terugkeerbesluit gesignaleerd in het SIS. Betrokkenen hebben bezwaar gemaakt en beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit en de SIS-signalering, omdat zij naar Portugal verhuisd zijn.
1.1. Betrokkenen hebben in bezwaar de volgende stukken overgelegd:
• Verklaring van Portugese gemeente van 27 juni 2023;
• Arbeidsovereenkomst van 1 mei 2023;
• Loonstroken van mei tot en met juli 2023;
• Werkgeversverklaring van 24 juli 2023.
Het hoger beroep van de minister
2. Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1075, onder 4.1 tot en met 4.5, over de vraag of de minister gehouden was naar aanleiding van de overgelegde stukken nader te onderzoeken en te motiveren of een vreemdeling een door Portugal afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf had in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn). De overwegingen van die uitspraak zijn hier van overeenkomstige toepassing, zodat de grief slaagt.
Het hoger beroep van betrokkenen
3. Het hoger beroep van betrokkenen is ongegrond. Betrokkenen betogen weliswaar terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het niet noodzakelijk is dat zij op het moment van het nemen van het terugkeerbesluit in Nederland verbleven, maar dit leidt niet tot een andere uitkomst. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4168, onder 6.1 tot en met 6.4. Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. De minister heeft namelijk de aanwezigheid van betrokkenen op het Nederlandse grondgebied op het in deze procedure relevante peilmoment, het besluit van 9 mei 2023, terecht aangenomen. Met de overgelegde stukken hebben zij het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Betrokkenen stonden op 9 mei 2023 ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Daarnaast hebben betrokkenen in de zienswijze zich op het standpunt gesteld dat zij in Nederland willen blijven zodat de echtgenoot zijn studie kan voortzetten. De enige grief faalt.
Het incidenteel hoger beroep
4. Uit artikel 83c, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, volgt dat geen incidenteel hoger beroep kan worden ingesteld in een hoger beroep over een terugkeerbesluit, wanneer dat terugkeerbesluit onderdeel is van een meeromvattende beschikking waarmee een reguliere verblijfsvergunning wordt ingetrokken. Het incidenteel hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Conclusie van de hoger beroepen
5. Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het hoger beroep van betrokkenen is ongegrond en het incidenteel hoger beroep van betrokkenen is niet-ontvankelijk. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep van betrokkenen
6. De beroepsgrond over het evenredigheidsbeginsel in relatie tot de SIS-signalering inzake terugkeer slaagt niet, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4168, onder 7 tot en met 7.4.
7. Betrokkenen betogen verder terecht dat de minister in zijn voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet heeft vermeld dat hij van plan is een terugkeerbesluit te nemen. Hoewel de minister betrokkenen hiervan in het voornemen in kennis behoorde te stellen, omdat het terugkeerbesluit de gevolgen van de intrekking duidelijk maakt, hebben betrokkenen in bezwaar en de verdere procedure de gelegenheid gehad om aannemelijk te maken dat zij op het in deze procedure relevante peilmoment van 9 mei 2023 in Portugal verbleven. De Afdeling passeert dit zorgvuldigheidsgebrek daarom op grond van artikel 6:22 van de Awb.
Conclusie van het beroep
8. Het beroep is ongegrond. Gelet op wat onder 7 is overwogen, moet de minister de proceskosten in beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie gegrond;
II. verklaart het hoger beroep van betrokkenen ongegrond;
III. verklaart het incidenteel hoger beroep van betrokkenen niet-ontvankelijk;
IV. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 mei 2024 in zaak nr. NL23.35857;
V. verklaart het beroep ongegrond;
VI. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkenen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026
347-1111